In gesprek met ooggetuigen van de oorlog

2020 was het jaar van 75 jaar vrijheid, maar helaas ook van de uitbraak van de COVID-19-pandemie. Nog onwetend dat de Coronacrisis ook Nederland voor langere tijd in de greep zou houden, begon ik in januari vorig jaar met een project mondelinge geschiedenis over de Tweede Wereldoorlog. Leerlingen moesten een ooggetuige uit de omgeving Gouda interviewen en daar een essay over schrijven. In deze bijdrage vertel ik over de opbrengsten van dit project en over het nut van mondelinge geschiedenis als onderzoeksmethode in het onderwijs.

Opzet van het project

Eind 2019 ontmoette ik Margreet Hendrikse, een vrijwilliger van Libertum, het voormalige Verzetsmuseum van Zuid-Holland. Al enkele jaren helpt zij middelbare scholen in Gouda met het regelen van gastsprekers en interviews met ooggetuigen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. Ik leerde Margreet kennen als een zeer bevlogen persoon en gezien onze gedeelde interesse voor het oorlogsverleden klikte het al snel. Als docent Geschiedenis had ik wel oren naar een project mondelinge geschiedenis (ofwel oral history) met mijn derde klassen tweetalig onderwijs op het Antoniuscollege Gouda. Waar schoolboeken zich vaak richten op de grote historische gebeurtenissen, kan mondelinge geschiedenis juist de persoonlijke verhalen de klas in brengen. De ooggetuigen – veelal tachtigers – zouden hen een inkijkje kunnen geven in hun dagelijkse leven tijdens de oorlog die zij als kind hadden meegemaakt. Samen met Margreet organiseerde ik na de Kerstvakantie een kick-off voor mijn derde klassen waarin we vertelden over de Tweede Wereldoorlog in Gouda en de bedoeling van het project. Leerlingen verdeelden zich in groepjes en zouden in twee- of drietallen iemand interviewen. Als tips gaf ik hen mee om vooraf gespreksonderwerpen en vragen te bedenken, een afspraak te maken bij hun ooggetuige thuis en het interview op te nemen zodat zij dit voor het schrijven van hun essay konden terugluisteren.

Bombardementen op Rotterdam en Gouda

Verschillende ooggetuigen spraken over hun angsten voor mogelijke bombardementen, hoewel slechts enkelen deze ook daadwerkelijk meemaakten. Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940, dat het stadscentrum bijna volledig in de as legde en honderden slachtoffers veroorzaakte, was tot in de wijde omtrek hoorbaar, zelfs in steden als Gouda en Leiden. Joop de Graaf was zes jaar oud en woonde in Leiden toen in de vroege ochtend de sirenes afgingen. Wakker geschrokken ging het gezin De Graaf de trap af naar beneden en zag daar door het pakhuisraam hoe een eskader vliegtuigen met een rotherrie overvloog. Of dit ook de bommenwerpers waren die Rotterdam zouden treffen is twijfelachtig, omdat het bombardement pas om half twee ’s middags begon. Ria van Rhijn, dan vier jaar oud, ziet in Gouda hoe een regen van zwarte as en verbrande stukken papier uit de lucht neerdaalt. Het is dan echt duidelijk dat de oorlog is begonnen. Een opmerkelijk detail is dat Generaal Winkelman de volgende dag de overgave tekende op de lagere Bijbelschool van Truus Faber, dan zeven jaar oud, in Rijsoord. Tegenwoordig dient de school als oorlogsmuseum ter herinnering aan de capitulatie.

Bombardement op Gouda, 6 november 1944. Foto: SAMH

Gedurende de Duitse bezetting blijft de angst voor vliegtuigen en bombardementen aanwezig, zeker bij de jonge kinderen. Cocky Galjaard uit Pernis herinnert zich nog dat buurtbewoners een schuilkelder bouwden en afdekten met aarde, zodat deze voor de Duitsers onvindbaar was. Als er een luchtalarm was haastten zij zich naar de schuilkelder, waar de kinderen snoepjes kregen toegestopt om hen tot rust te manen. Cor Ket woonde in Den Haag vanwaar de Duitse Wehrmacht in 1944 V1-wapens met pulserende straalmotoren lanceerden om Engeland aan te vallen. Enkele jaren geleden kreeg Cor een flashback toen een vliegtuig met veel lawaai overvloog. Naast Rotterdam werden ook andere steden en dorpen getroffen door bombardementen. Op 6 november 1944 werd het Goudse treinstation door de Geallieerden gebombardeerd. Wil de Rooij woonde met haar familie pal naast het station in de P.C. Bothstraat. De ruiten lagen aan diggelen en de inboedel stond schots en scheef. Drie weken lang verblijft Wil met haar ouders bij haar opa en oma. Als dan op 26 november een nieuw bombardement plaatsvindt op het station en het Sint-Josephpaviljoen, waar de Duitse staf was ingekwartierd, komt een blindganger naast hun huis terecht. Voor langere tijd kan het gezin zijn huis niet in. Wil weet nog goed dat ze met pijn in haar hart het ouderlijk huis verliet en dat ze steevast een brok in haar keel voelde als vliegtuigen overvlogen.

De Arbeidsinzet en Jodenvervolging

Opvallend was dat in verschillende interviews van de leerlingen de onderduik ter sprake kwam. Behalve joodse mensen doken ook verzetslieden en mannen die voor de Arbeitseinsatz (Arbeidsinzet) in Duitse fabrieken zouden moeten werken onder. De oudere broers van Joop de Graaf willen ook ontkomen aan de dwangarbeid en duiken op verschillende plaatsen onder. De vader van Joop is aardappelboer en besluit om een dubbele bodem in zijn schuur te bouwen, waaronder zijn kinderen zich in het geheim kunnen verstoppen. Joop is nog erg jong en mag van niks weten, dus moet hij tijdelijk elders verblijven. Als hij weer thuiskomt wordt hem op het hart gedrukt niemand te vertellen over zijn ondergedoken broers. Hij herinnert nog goed dat hij met trots maar ook vol spanning zijn ‘geheimhoudingsplicht’ vervulde. Nog opmerkelijker is het verhaal van Ben van Bommel. Zijn vader wordt opgepakt door de NSB om als arbeider naar het Ruhrgebied te worden uitgezonden. Zijn vrouw heeft een speciaal pak voor hem genaaid met een zakje erin waarin hij brieven kan verstoppen zodat hij kan blijven corresponderen met zijn gezin. Op weg naar Duitsland springt Bens vader uit de trein, wordt beschoten door Duitse soldaten maar weet veilig binnen twee dagen thuis te komen. Zijn gezin is natuurlijk stomverbaasd en ook doodsbang dat ze in moeilijkheden zullen komen. In vijf jaar tijd komt het gezin maar driemaal buiten.

Corry Brand (geb. in 1930) met Meinke en Manar uit 3vta, 1 februari 2020

Geen van de ooggetuigen die meewerkten aan dit project was zelf joods, maar de Jodenvervolging ging zeker niet ongemerkt aan hen voorbij. Ria de Koning groeide tijdens de oorlog als tiener op in een klein dorpje vlakbij Alkmaar en weet nog dat op een gegeven moment haar neef en twee joodse meisjes bij haar thuis verbleven. De joodse meisjes hadden hun haar geverfd en konden tijdens de oorlog gewoon naar school blijven gaan. Janny Dercksen uit Gouda herinnert zich nog dat een Duitse soldaat zich liet inkwartieren bij een gezin waarvan het vermoeden bestond dat ze een joodse man onderduik boden. Tijdens de razzia’s hield hij zich schuil onder de vloer, maar met de aanwezigheid van de Duitse soldaat kon hij voor langere tijd niet eten of drinken. Het gezin besloot alles netjes op te biechten en de Duitser schrok zo erg dat hij ervoor zorg dat de verzwakte joodse man er weer bovenop kwam. Dit resulteerde in een vriendschap voor het leven. Velen wisten echter niet aan deportatie te ontkomen. Bij Corry Brand in Gouda woonde een joods gezin met een baby in de straat. Dit gezin vertelde dat zij naar Polen moesten en Corry herinnert dat zij en haar ouders daar gek van opkeken. Ze zag met eigen ogen hoe de familie werd weggevoerd. Pas tegen het eind van de oorlog las zij in een verzetskrant dat de joden naar concentratiekampen werden gedeporteerd en in gaskamers vermoord werden. Dit was een grote schok, ze kon nauwelijks geloven dat Nazi-Duitsland – een geciviliseerd land – zoiets gruwelijks en onmenselijks kon doen.

De Hongerwinter

In bijna alle interviews kwam de Hongerwinter ter sprake, wat niet heel vreemd is gezien het feit dat Zuid-Holland zwaar getroffen werd in de periode 1944-1945. An Langeveld bevestigde dit beeld en vertelde dat in Rotterdam zoveel honger was dat ouders en kinderen vaak uren moesten lopen naar boeren voor een klein beetje eten. Door de enorme voedselschaarste gingen allerlei voedsel- en levensmiddelen op de bon. De voedselprijzen waren ondertussen zo hoog, dat de zwarte handel zich rap uitbreidde; voedsel werd als het ware ‘onder de toonbank’ verkocht. Kleine diefstallen kwamen ook voor. De moeder van An nam bijvoorbeeld stiekem kolen uit de kachel mee van een rijke familie in het appartementencomplex waar zij eens per week gekookte aardappelen mocht komen eten. Al was stelen natuurlijk heel fout, het was nodig om te kunnen overleven. In Pernis waren de omstandigheden wel beter, er kwamen regelmatig Rotterdamse vrouwen langs bij de boeren om voedsel te kopen. Ze verstopten het voedsel onder de jurk uit angst voor Duitse militairen die hen langs de Maas opwachtten. Cocky Galjaard zag een enkele keer hoe deze ‘smokkelaars’ gesnapt werden en het voedsel door de soldaten in de rivier werd gegooid. Sindsdien gooit ze nooit meer eten zomaar weg.

Wil de Rooij vatte de Hongerwinter als volgt samen: “Er was helemaal niks. Om eten te krijgen gebruikten we bonkaarten. Ook textiel ging op punten, dus als we kleding nodig hadden moest mijn moeder punten sparen. Elke dag stond er in de krant welk eten er was, maar vooralsnog was er bijna niets. Het eten dat we wel hadden was heel karig, ik had niet iedere morgen een boterham. Geen vlees en geen fruit, we aten heel veel suikerbieten, ook was het koud, er was geen gas en geen water. We moesten overal maar een beetje eten bij elkaar scharrelen, ik liep langs de boerderijen om te vragen of ze een beetje melk over hadden. Hier maakte mijn moeder dan boter van. Dat was een hele nare tijd!”

Vanwege de penibele situatie in het westen des lands trokken honderden tot wel duizenden kinderen naar het hoge noorden, waar meer dan voldoende voedsel voorradig was en zelfs geen gebruik werd gemaakt van voedselbonnen. De broer van Cor Ket kwam in Groningen bij een onbekende familie terecht. Als stadsjongen was het moeilijk aarden tussen de jongens van het platteland die hem pestten. Dit leidde nog al eens tot vechtpartijtjes en het viel Cor op dat zijn broer een stuk agressiever maar ook volwassener was geworden toen hij aan het eind van de oorlog weer thuiskwam. Betere herinneringen hebben de ooggetuigen aan de voedseldroppings, bekend als Operation Manna (zie coverfoto), door de Britse luchtmacht in april-mei 1945. Voor Cor was het duidelijk dat de oorlog bijna over was, anders kon deze hulpactie niet met succes worden uitgevoerd. Ben van Bommel weet nog goed hoe de beschuiten uit de mannablikken smaakte. Angst voor nieuwe bombardementen van geallieerde zijde maakten zo langzaamaan plaats voor een gevoel van opluchting.

De Bevrijding en de nasleep van de oorlog

De Bevrijding bracht Nederland in een euforische stemming. Overal vierden mensen feest op straat en trakteerden Amerikaanse en Canadese soldaten op een warm welkom in hun stad of dorp. Geheel rustig of zonder gevaar waren de bevrijdingsfeesten niet. Gerda Bergman weet dat zij in de vroege ochtend van 5 mei nog schoten hoorde in Papendrecht, waar zich nog een hoop leden van het ondergrondse verzet bevonden. Pas toen de Duitse soldaten Papendrecht verlieten kon het feest losbarsten en zong men gebroederlijk het Wilhelmus met elkaar. Ria de Koning ging speciaal naar Alkmaar om de bevrijding te vieren en reed nog met Canadese soldaten mee. Cocky Galjaard kon het bevrijdingsfeest helaas niet meemaken. Zij moest in quarantaine omdat in Spijkenisse een tyfusepidemie was uitgebroken. Ze was doodziek en raakte zelfs in coma. Toen Cocky uit haar coma kwam en wonder boven wonder goed herstelde was de oorlog voorbij.

Van een directe terugkeer naar het normale leven was niet altijd sprake. Jenny Gouka keerde als klein meisje terug uit Groningen in Gouda na haar evacuatie, maar het voedseltekort zorgde ervoor dat de belangrijkste levensmiddelen nog vijf jaar op de bon gingen. Ze heeft thuis een boekenkast vol met boeken over de oorlog, waaronder de bekende reeks van Loe de Jong. Haar favoriete boek is het Geuzenliedboek dat volstaat met gedichten over de oorlog. Het mooist vindt zij het gedicht ‘Uit het diepst van mijn hart’ dat als volgt begint: “Ik snak naar een dag, vol van rood, wit en blauw, / Met den zwier van Oranje er boven, / Ik snak naar ’t Wilhelmus, zijn hou en zijn trouw / Waarin HOLLANDERS kunnen gelooven.”

Sommige ooggetuigen probeerden de oorlog juist uit hun gedachten te verdringen. Ria van Rhijn uit Gouda wilde eigenlijk niks weten of leren over de oorlog en vermeed juist het lezen van boeken zoals Jenny deed. Pas recentelijk is zij zich in de oorlog gaan verdiepen en heeft zij zelfs een bezoek aan Auschwitz gebracht. Corry Brand was vijftien toen de oorlog eindigde maar geeft aan dat de oorlog niet als een kindertijd heeft gevoeld. Volgens haar zou er nooit meer oorlog moeten komen omdat niemand het verdient om in zo’n situatie te verkeren.

Het nut van mondelinge geschiedenis

Uit de interviews van mijn leerlingen bleek dat zij enorm veel geleerd hadden over de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting in Nederland. In hun reflecties gaven zij aan dat de persoonlijke verhalen een diepe indruk hadden gemaakt en zij beter begrepen hoe het was voor kinderen om zonder vrijheid en met allerlei angsten en ontberingen op te groeien. De impact van de oorlog op het sociale welzijn, het gezinsleven en de samenleving als geheel wordt duidelijker dankzij deze verhalen. Standaard lesmethodes bieden dat inzicht vaak niet. Bovendien vinden ooggetuigen het belangrijk dat zij gehoord worden en komen zij graag in contact met jongeren die zoveel van hun verhalen kunnen opsteken. Persoonlijk was ik zeer onder de indruk van de interviews die leerlingen hadden afgenomen en verwerkt in uitgebreide verslagen, vaak voorzien van allerlei anekdotes en foto’s, maar ook heldere analyses. Mondelinge geschiedenis is wat mij betreft echt een aanrader voor geschiedenisdocenten om toe te passen. Leerlingen leren aandachtig luisteren, vragen bedenken en stellen (op het juiste moment) en horen verhalen vaak tot in de kleinste details verteld, iets wat met andere bronnen of lesmethodes vaak niet mogelijk is. Tot slot, konden leerlingen het nut van mondelinge geschiedenis uitstekend verwoorden: “het doorgeven van dit soort verhalen van generatie op generatie is ook erg belangrijk want als niemand deze verhalen meer doorvertelt stopt het ergens en zullen de mensen in de toekomst nooit weten hoe het echt was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarom moeten meer mensen aandacht hebben voor deze verhalen.”

Bronnen

Handige websites over mondelinge geschiedenis (in het Engels) zijn:

https://nzhistory.govt.nz/hands/a-guide-to-recording-oral-history

https://www.ohs.org.uk/advice/getting-started/

https://writingcenter.unc.edu/tips-and-tools/oral-history/

Publicaties:

M.J. van Dam (red.), Gouda in de Tweede Wereldoorlog (Delft, 2011).

H.M. Mos en M.G. Schenk, ‘Uit het diepst van mijn hart’ (1975) in het Geuzenliedboek: https://www.dbnl.org/tekst/sche123geuz01_01/sche123geuz01_01_0157.php

Cor Ket, Overleven. Aangrijpende verhalen van een schoolkind in de Tweede Wereldoorlog (2020).

Eindopdrachten over mondelinge geschiedenis in de Tweede Wereldoorlog door leerlingen van het Antoniuscollege Gouda.

Dankwoord

Mijn dank gaat uit naar alle ooggetuigen en leerlingen die aan dit project hebben meegewerkt. Ik ben Margreet Hendrikse speciaal dankbaar voor haar inzet om alle ooggetuigen persoonlijk te benaderen, waardoor leerlingen zonder problemen gelijk aan de slag konden met hun interviews.