Een joodse familiegeschiedenis uit Monastir en Thessaloniki

Tijdens mijn huwelijksreis in de zomer van 2022 bracht ik een midweek door in Thessaloniki, de Griekse havenstad waar de overgrootoma (Tamar Levi, 1906-1973) van mijn vrouw vandaan kwam. We brachten die week een bezoek aan het plaatselijke Joods Museum en wetende dat bijna geen familielid de Shoah overleefd heeft, was het confronterend om te zien op de namenlijst dat zoveel Levi’s waren omgekomen in de vernietigingskampen. Van Tamar wisten we dat zij op zeer jonge leeftijd Thessaloniki had verlaten en zich in Brits-Palestina ofwel Eretz Israel had gevestigd. Ze trouwde daar met Eliyahu David Mizrachi (1895-1985). Onbekend was het lot van haar naaste familie, maar het verhaal ging dat zij mogelijk de enige overlevende van de Holocaust was van haar familie. Ze sprak hier vrijwel niet over tijdens haar leven, wat mogelijk duidt op een levenlang trauma. Het bezoek aan het museum maakte mij nieuwsgierig naar het verleden van de Levi-familie. Ik las die zomer het boek Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (2019) van Sarah Abrevaya Stein, een schitterend relaas over de bekende schrijver en uitgever Sa’adi Besalel Ashkenazi a-Levi (1820-1903) en zijn directe nazaten. Sa’adi a-Levi maakte in de Ottomaanse periode naam als publicist in het Ladino, de Judeo-Spaanse taal die de grote joodse gemeenschap in Saloniki sprak. Stein bracht eerder al een Engelse vertaling uit van zijn memoires onder de titel A Jewish Voice from Ottoman Salonica (2012). Beide boeken geven een inkijk in het joods leven in de stad die tot de massadeportaties tijdens de Holocaust wel bekend stond als het ‘Jeruzalem van de Balkan’.

Slachtoffers van de Shoah met de familienaam Levi, afkomstig uit Thessaloniki (bron: Wall of Names in Jewish Museum of Thessaloniki).

Van Monastir naar Thessaloniki

Het was een verrassende ontdekking toen getuigenissen uit de database van Holocaustslachtoffers van Yad Vashem uitwezen dat Moshe en Simcha Levi, de ouders van Tamar, uit Monastir (het huidige Bitula in Noord-Macedonië) afkomstig waren. Monastir kende tot de Eerste Balkanoorlog in 1912 – waarbij Servië de stad veroverde op de Ottomanen – een vrij omvangrijke joodse gemeenschap van 8.900 inwoners. De Slag om Monastir (16-19 november 1912) en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zorgden voor een grote vluchtelingenstroom en een halvering van de bevolking; in 1919 telde Monastir nog slechts 3.000-3.500 joodse inwoners. Vermoedelijk is de familie Levi in deze jaren naar Thessaloniki getrokken (wanneer precies is nog onduidelijk). De reeds door het Griekse leger ingenomen havenstad lag ca. 200km oostwaarts en was middels een spoorlijn met Monastir verbonden. Er bestonden historisch gezien nauwe contacten tussen beide steden, dus de migratie (of vlucht) naar Thessaloniki – met haar sterk joodse karakter – was een logische keuze. Opvallend is dat de enige na de Shoah overgebleven synagoge in Thessaloniki gebouwd was door Monastirlis, ofwel joden afkomstig uit Monastir. De sefardisch-joodse gemeenschap in Monastir gold als zeer traditioneel religieus en zionistisch, moderne vormen van entertainment ontbraken in de stad. Pas met de komst van scholen naar het model van de Alliance Israélite Universelle in de jaren 1880 zou men meer westers georiënteerd raken (daarvoor bestond alleen de joodse Talmud Torahschool).

In 1863, het jaar dat Moshe Levi vermoedelijk ter wereld kwam*, teisterde een grote brand Monastir. Gegeven het feit dat slechts de helft van de joodse gezinnen een adequate woning had, moet de brand zeker op de arme gezinnen veel impact hebben gehad. Tenminste 200 gezinnen waren na de brand afhankelijk van liefdadigheid, zo schrijft Shlomo Alboher. Ze woonden veelal langs de rivier de Dragor en als die buiten haar oevers trad overstroomden geregeld hun primitieve gelijkvloerse woningen. Sir Moshe Montefiore, de joodse bankier uit Londen, werd via de Britse consul Charles Calvert om hulp gevraagd en richtte een speciaal steunfonds op. Door de stadsbranden en de nieuwe bouwprojecten verdwenen in de tweede helft van de 19de eeuw langzamerhand de joodse ‘achterstandswijken’, ook wel ‘cortijos’ geheten. Uit de getuigenis van Yad Vashem kunnen we opmaken dat Moshe Levi een kleermaker van beroep was en waarschijnlijk dus een eenvoudig bestaan leidde. Hij trad in het huwelijk met Simcha Levi (meisjesnaam onbekend) en zij kregen pas op latere leeftijd kinderen. Via het Joods Historisch Archief in Thessaloniki en Yad Vashem kon ik achterhalen wat de namen van de broers en zussen van Tamar waren. Het echtpaar kreeg vijf kinderen en zij werden allemaal in Monastir geboren. Een jaar voordat Rivka en Rachamim geboren werden, brak wederom een grote brand uit die de halve stad verwoestte. Rijke joden moesten vervolgens een extra gemeentelijke belasting betalen voor de huisvesting van de arme joden.

Het moet rond de eeuwwisseling dus een roerige tijd zijn geweest voor de Levi-familie, zeker toen de Balkanoorlog een decennium later tot een ware exodus van de joodse inwoners leidde. De inname van Monastir door het Servische leger ging gepaard met antisemitisch geweld en joodse winkels werden beroofd, geplunderd en in brand gezet. Het zou goed kunnen dat Moshe Levi op deze wijze ook zijn kledingzaak kwijtraakte en sowieso was het niet langer veilig voor joden en zijn nog jonge gezin in de stad. Het einde van de Ottomaanse overheersing over de Balkan en de nationalistische tendensen brachten veel onzekerheid over de positie van de joden, al was de American Jewish Committee in januari 1914 nog voorzichtig positief gestemd: “Will the Jews be able to go on living in this way under the new conditions, as Bulgarian, Servian, and Greek citizens? Conditions have been so radically transformed as to compel the Jews to establish themselves on a new basis. The representatives of the Brussels committee have been assured in audiences with Czar Ferdinand of Bulgaria, and King George of Greece, and many ministers, that the Jews need have no fear of the new regime; their legal and political status will be safeguarded, and they will enjoy full rights of citizenship.

Stamboom van familie Levi, afkomstig uit Monastir (Bitula, Noord-Macedonië). De
gegevens van Rachamim, Rikula en David Levi zijn bevestigd door het Joods Historisch
Archief in Thessaloniki. Van Moshe, Simcha en Rivka Levi zijn de gegevens (deels)
afkomstig uit de getuigenissen van de Holocaust Victims Database van Yad Vashem;
het opgegeven geboortejaar in deze getuigenissen lijkt niet correct.
Getuigenis van Moshe Levi (in 1944 in Auschwitz vermoord) uit 1957. Het
vermelde geboortejaar (*1870) wijkt af van de documentatie van het Joods
Historisch Archief in Thessaloniki (1863). Zijn beroep – een kleermaker (חַיָט) –
staat op deze getuigenis vermeld.
Bron: https://collections.yadvashem.org/en/names/3906633

Het joods leven in Thessaloniki tijdens het Interbellum

Monastir Synagoge in Thessaloniki, geopend in 1927.

In aanloop naar de Eerste Wereldoorlog zouden vele joodse gezinnen uit Monastir naar Thessaloniki vluchten, zo’n vijftig joodse gezinnen kwamen dagelijks te voet of per wagen aan in de stad die zo bekend kwam te staan als de “Moeder van Israël”. Een nieuw leven opbouwen zonder veel middelen en bezittingen was niet eenvoudig, zo ook niet voor de familie Levi. De Monastirlis waren wel een relatief grote groep migranten en zouden in de loop van de jaren twintig zeker respect opbouwen onder hun geloofsgenoten; in 1927 volgde zelfs de inauguratie van een eigen synagoge (zie foto). De joodse gemeenschap ving de vluchtelingen zo goed als het kon op in synagogen en joodse scholen en zamelde geld in voor hun levensonderhoud. De grote toestroom leidde ook tot het ontstaan van sloppenwijken. Op 18 augustus 1917 trof het noodlot Thessaloniki met een grote stadsbrand waar destijds de meeste huizen van hout waren gebouwd. Driekwart van de oude stad ging in vlammen op en trof het hart van de joodse buurten, vooral daar waar de vluchtelingen waren gehuisvest. In één klap raakten 70.000 inwoners, merendeels joden, dakloos. Voor de Griekse overheid was dit volgens de historici Mark Mazower en Minna Rozen een uitgelezen kans om tijdens de wederopbouw het stadscentrum grondig te herzien en moderniseren, maar ook om de joodse midden- en arbeidersklasse meer naar de periferie van de stad te drijven.

Straatbeeld van Thessaloniki na de grote brand van 18-20 augustus 1917.

Het tekort aan huisvesting voor de joodse gezinnen die hun huis waren verloren door de grote brand en de joodse migranten uit de Balkan zou pas in de loop van de jaren 1920 worden opgelost. Dit kwam mede door het vertrek van duizenden moslims, die in 1923 als onderdeel van de bevolkingsruil tussen Griekenland en Turkije Thessaloniki gedwongen moesten verlaten. Daarnaast bouwde de gemeente ook honderden nieuwe woningen, vaak wel van betere kwaliteit dan voor de brand. In hoeverre de brand impact heeft gehad op de familie Levi moet verder onderzocht worden. Opvallend is dat Tamar als jonge tiener als enige familielid naar Brits-Palestina vertrok en samen met Eliyahu een bestaan in Tiberias zou opbouwen; ze was zestien jaar oud toen haar dochter Miryam (de oma van mijn vrouw) geboren werd. Mogelijk was ze gedreven door zionistische idealen, maar het kan ook dat haar aliyah voortkwam uit het feit dat ze geen toekomst zag in Thessaloniki en haar ouders mogelijk hun huis verloren hadden als gevolg van de brand. Haar zus Rikula keerde met haar echtgenoot Meir Levi vermoedelijk weer terug naar Monastir (Bitula), waar hun vijf kinderen geboren zouden worden. Haar broers Rachamim en David traden in de voetsporen van hun vader Moshe en gingen waarschijnlijk in de familiezaak aan de slag als kleermaker.

De joodse gemeenschap in Thessaloniki moest tijdens het Interbellum de eigen autonomie blijven bewaken binnen een context waar het Griekse nationalisme, dat sterk verbonden was met de orthodox-christelijke kerk, de landelijke politiek bepaalde. Het gevoel leefde onder de joden dat zij gemarginaliseerd en gediscrimineerd werden door de overheid. Een voorbeeld was de herziening van een wet uit 1920 waarmee winkels gesloten waren op zaterdag zodat joden de sjabbat konden houden. Voortaan gold de zondag als rustdag, maar dit benadeelde joodse winkeliers, doordat zij dan twee dagen in de week de deuren gesloten moesten houden. Joden kregen ook het verwijt dat zijn niet patriots genoeg waren en dat de Griekse militaire campagne in Klein-Azië door hun toedoen mislukt zou zijn. De joodse gemeenschap raakte gaandeweg verdeeld tussen nationalisten en zionisten. De oprichting van de Vereniging van Joodse Assimilationisten in 1928 laat zien dat een deel de Griekse identiteit, taal en cultuur omarmde. Joods onderwijs kreeg in deze periode ook een steeds sterker hellenistisch karakter, wat (tot ongenoegen van zionistische joden) ten koste ging van de lesuren Hebreeuws, Jodendom en joodse geschiedenis. Na de opening van een nieuwe atletiekhal door de zionistische Maccabi-sportorganisaties in juni 1931 verspreidde de lokale krant Makedonia het valse gerucht dat vertegenwoordigers van deze organisaties in de Bulgaarse hoofdstad Sofia zouden hebben opgeroepen tot een joods autonoom bestuur in Macedonië. De anti-joodse propaganda leidde tot een uitbraak van geweld in de arme joodse wijk Campbell in Kalamaria. Een menigte van zo’n 2.000 orthodox-christelijke relschoppers zette joodse huizen en winkels in brand en gooide stenen naar synagogen. Logischerwijs voelden joden zich na de rellen onveilig in de buitenwijken, ook al streefden de meeste inwoners van Thessaloniki naar vreedzame coëxistentie en interactie.

De impact van de Shoah op de familie Levi

Waar de periode tussen 1931 en 1941 relatief rustig verliep, veranderde dat met de Duitse bezetting van Thessaloniki in april 1941. De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe toestroom van vluchtelingen in een stad die nog herstellende was van de economische crisis begin jaren dertig en de recente bombardementen van de Italiaanse luchtmacht. In het najaar van 1941 was sprake van een enorme voedselschaarste, naar schatting waren 100.000 inwoners afhankelijk van de soepkeukens. Simcha Levi overleed op 16 oktober en zou de deportatie naar Auschwitz zoals haar meeste familieleden niet meemaken. Maar liefst 5.000 inwoners kwamen in de maanden daarop om van de honger en in de zomer van 1942 volgde een uitbraak van malaria. De anti-joodse maatregelen deden spoedig hun intrede en leidden tot een boycot van joodse ondernemingen en tal van restricties. Het Sonderkommando van Alfred Rosenberg plunderde joodse bibliotheken, clubs en synagogen en nam duizenden boeken, archieven en manuscripten mee naar Nazi-Duitsland. Op 11 juli 1942, bekend als ‘Zwarte Sjabbat’, moesten 9.000 joodse mannen tussen de 18 en 45 jaar zich verzamelen op het Plateia Eleftherias (Vrijheidsplein) en onder toeziend oog van een grote menigte allerlei vernederingen ondergaan. Vanaf februari 1943 moesten joden in Thessaloniki zich houden aan de Neurenbergerwetten en een gele ster in het openbaar dragen. Op 6 maart 1943 waren de joodse getto’s in de stad afgesloten met checkpoints en op 15 maart 1943 volgde het eerste transport van 2.800 joden naar Auschwitz.

In enkele maanden tijd deporteerden de Nazi’s bijna 50.000 joden uit Thessaloniki naar de vernietigingskampen. Van de vooroorlogse joodse bevolking overleefde minder dan vijf procent de Shoah. Voor de familie Levi was de Holocaust eveneens desastreus. Tamar was inderdaad de enige overlevende uit het gezin van Moshe en Simcha; achteraf bezien had haar migratie naar Palestina haar het leven gered. Haar vader, broers en zussen, en hun kinderen kwamen vrijwel allemaal om in Auschwitz. Een jongere neef van haar, David Levi (geb. in 1913), was op 13 april 1943 op transport gesteld maar overleefde als dwangarbeider Auschwitz. Hij keerde in 1945 terug naar Thessaloniki. Van de verwante familie moet ook een groot deel zijn omgekomen als de slachtoffers met de achternaam Levi in Monastir en Thessaloniki bekeken worden. Het opvallend hoge percentage slachtoffers in Thessaloniki kende verschillende oorzaken. Anders dan in bijvoorbeeld Athene (dat een kleine joodse gemeenschap had) was het lastig om onderduikplaatsen te vinden (zeker voor ouderen die de Griekse taal niet machtig waren) en was ook het ondergrondse verzet nog zeer klein in omvang. Opperrabijn Zvi Koretz liet het na om zich tegen de deportaties uit te spreken en gaf zelfs aan dat joden hun lot moesten ondergaan en er geen alternatief was. Joodse gezinnen wilden bovendien liever niet gescheiden van elkaar worden. Het lijkt er tot slot op dat de christelijke bevolking in Thessaloniki weinig solidariteit met haar joodse stadsgenoten toonde en de deportaties met lede ogen aanschouwde. Antisemitische sentimenten, maar ook angst voor represailles van de Nazi’s hebben hier ongetwijfeld aan bijgedragen. Behalve de vernietiging van de joodse gemeenschap in Thessaloniki, zorgde de Duitse bezetting ook voor de verwoesting van de eeuwenoude joodse begraafplaats en bijna alle synagogen in de stad. Zo kwam een definitief einde aan het Jeruzalem van de Balkan.

V.l.n.r.: Tamar Levi, Miryam Mizrachi en Nechama Sabach (drie generaties), ca. 1961.

Verder genealogisch onderzoek

Voor verder genealogisch onderzoek naar de familie Levi in Thessaloniki staat dit voorjaar een bezoek gepland aan het plaatselijke Joods Historisch Archief (JHA). Ook het gemeentelijke bevolkingsregister kan nieuwe feiten over de familieleden van Tamar Levi aan het licht brengen. Tot dusver heb ik mij gebaseerd op het vooronderzoek van het JHA en data van de volgende websites:

https://www.jewishgen.org/databases/all/

https://genealogy.org.il/AID/

https://collections.yadvashem.org/en/names

https://research.jmth.gr/

Bronvermelding

Aron Rodrique en Sarah Abrevaya Stein (red.), A Jewish Voice from Ottoman Salonica. The Ladino Memoir of Sa’adi Besalel a-Levi (Stanford, California, 2012). Vertaald uit het Ladino door Isaac Jerusalmi.

Sarah Abrevaya Stein, Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (New York, 2019).

Devin E. Naar, Jewish Salonica. Between the Ottoman Empire and Modern Greece (Stanford, California, 2016).

Devin E. Naar, ‘The “Mother of Israel” or the “Sephardi Metropolis”? Sephardim, Ashkenazim, and Romaniotes in Salonica’, Jewish Social Studies 22:1 (2016) pp. 81-129. Zie online: https://www.academia.edu/29799629/The_Mother_of_Israel_or_the_Sephardi_Metropolis_Sephardim_Ashkenazim_and_Romaniotes_in_Salonica (22-12-2025).

Devin E. Naar, ‘Jerusalem of the Balkans’, Jewish Review of Books 4:1 (2013) pp. 8-11. Zie online: https://jewishreviewofbooks.com/articles/134/jerusalem-of-the-balkans/# (22-12-2025).

Devin E. Naar, ‘Bushkando Muestros Nonos i Nonas: Family History Research on Sephardic Jewry Through the Ladino Language Archives of the Jewish Community of Salonika’, Avotaynu. The International Review of Jewish Genealogy 13:1 (2007) pp. 40-49. Zie online: https://avotaynuonline.com/2007/04/bushkando-muestros-nonos-i-nonas-family-history-research-on-sephardic-jewry-through-the-ladino-language-archives-of-the-jewish-community-of-salonika-by-devin-e-naar/ (22-12-2025).

Mark Mazower, Salonica, City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950 (Londen, New York, Toronto en Sydney, 2005).

Minna Rozen, ‘Money, Power, Politics, and the Great Salonika Fire of 1917’, Jewish Social Studies 22:2 (2017) pp. 74-115. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/project_muse_649093%20MONEY%20POWER%20POLITICS.pdf (22-12-2025).

Minna Rozen, ‘For the Sake of My Brothers. The Great Fire of Salonika and the Mobilisation of the Diaspora Jewry on Behalf of the Victims’, Αρχείων Ανάλεκτα:Περιοδική έκδοση μελέτης και έρευνας αρχείων (δεύτερη περίοδος) 2 (Thessaloniki, 2017), pp. 183-258. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/For%20the%20Sake%20of%20my%20Brothers.pdf (22-12-2025).

Minna Rozen, ‘Educating the Jewish Children of Salonika: Political and Socioeconomic Aspects, 1912–1941’, in: Dina Moustani (red.), Jewish Education in Southeastern Europe (Mid 19th-Mid 20th Century) (Volos, 2021) pp. 9-32. Zie online: https://www.academia.edu/59480289/Educating_the_Jewish_Children_of_Salonika_Political_and_Socioeconomic_Aspects_1912_1941 (22-12-2025).

Shlomo Alboher, The Jews of Monastir Macedonia. The Life and Times of the Departed Jewish Community of Bitola (Skopje, 2010). Vertaald uit het Hebreeuws door Eliezer E. Cohen. Zie online: https://monastir.org.il/wp-content/uploads/2022/11/40034999-The-Jews-of-Monastir-Macedonia.pdf (22-12-2025).

Zoran Gjorgiev, Remnants. Jewish Heritage in Monastir – Bitola (2023).

American Jewish Committee, ‘The Balkan Wars and the Jews’, American Jewish Year Book (1914) pp. 188-206. Zie online: https://exhibits.stanford.edu/bermanarchive/catalog/cj631fc5498 (22-12-2025).

Alliance Israelite Universelle, ‘City 2. Jewish demography and heritage’: https://www.bibliotheque-numerique-aiu.org/en/exhibitions-us/exhibitions/69-i-city-2-jewish-demography-and-heritage (22-12-2025).

Zeljka Oparnica, Sephardi politics in the Balkans, 1900–1940 (University of London, 2022). Zie online: https://jevrejskadigitalnabiblioteka.rs/bitstream/handle/123456789/2227/SephardiPoliticsInBalkans1900i1940OparicaOCR.pdf?sequence=1&isAllowed=y (22-12-2025).

Yad Vashem, ‘Transport from Thessaloniki to Auschwitz on 13/04/1943’: Transport from Thessaloniki,Thessaloniki,Macedonia,Greece to Auschwitz Birkenau,Extermination Camp,Poland on 13/04/1943 (22-12-2025).

Het verhaal achter de D-Day-vlag

Twee jaar geleden was het groot nieuws: de terugkeer van de D-Day-vlag naar de Verenigde Staten. Tijdens een speciale ceremonie in het Witte Huis overhandigde Bert Kreuk deze Amerikaanse vlag op 18 juli 2019 aan toenmalig president Donald Trump uit dank voor de bevrijding van Nederland. De vlag wapperde op de achtersteven van de LCC 60, de Landing Craft Control, die als taak had om tijdens de invasie van Normandië de eerste duizenden soldaten en militaire voertuigen veilig aan wal van Utah Beach te brengen. Howard Vander Beek (1917-2014), een ver familielid en zoon van Nederlandse migranten, had de leiding over de LCC 60 en slaagde met zijn bemanning in deze uiterst gevaarlijke doch zo belangrijke missie. In deze blog vertel ik het verhaal achter de D-Day-vlag.

Correspondentie met een ver familielid

In augustus 1999 zocht mijn vader Gerrit contact met Howard. Uit zijn genealogisch onderzoek bleek dat wij een gemeenschappelijke voorvader, Herman Abramse van der Beek (omstreeks 1630 geboren in Babyloniënbroek in Brabant), hebben. Bijna anderhalf jaar schreven Gerrit en Howard geregeld e-mails naar elkaar en Howard stuurde ons destijds ook een exemplaar van zijn boek Aboard the LCC 60. Normandy and Southern France, 1944. In dit boek schreef hij over zijn ervaringen in de Amerikaanse marine en deelname aan de amfibische operaties in Sicilië, Normandië en Zuid-Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog pakte hij zijn werk als docent Engels weer op; “VeeBees seem to become teachers” zo schreef hij treffend. En inderdaad, Howard en zijn beide zoons en mijn vader, mijn oudste zus en ik zijn of waren allemaal docent. Howard ging in 1983 met pensioen. De oorlog kwam niet echt aan bod in de correspondentie. Wel noemde Howard dat zijn hoogtepunten in het millennium een reünie met veteranen van de LCC in Las Vegas en de opening van het National D-Day Museum in New Orleans waren. Pas jaren later toen ik de D-Day-vlag met eigen ogen kon aanschouwen in de Kunsthal in Rotterdam leerde ik het verhaal achter dit unieke linnen doek met 48 sterren en 13 rood-witte strepen kennen.

Brochure van de Dutch-American Land and Immigration Company, uitgegeven in Utrecht
Voorzieningen in Alamosa, 1882

Emigratie naar de Verenigde Staten

Hoe raakt een Van der Beek verzeild in Amerika? De grootvader van Howard, Jan van der Beek emigreerde in 1892 samen met zijn vrouw Helena de Pender en negen kinderen naar het land der onbegrensde mogelijkheden. Ondanks de romantische vooruitzichten in de brochure van de Immigration Company die zij ongetwijfeld gelezen hadden, zou dit jonge echtpaar een ongewisse toekomst tegemoet gaan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. De brochure maakte reclame voor emigratie van boeren en arbeiders naar de San Luis Valley in Colorado, beschreven als het “Italië van Noord-Amerika”. Jan had geen ervaring als boer maar waagde zich toch aan deze oversteek. Maar liefst 28 gezinnen, waaronder Jan, Helena en hun kinderen, stapten op 12 november 1892 in Amsterdam aan boord van het stoomschip de S.S. Dubbeldam van de welbekende Holland-Amerikalijn. Ze waren vrijwel allemaal gereformeerd christelijk en traden vermoedelijk met de Statenbijbel op zak in de voetsporen van de Pilgrim Fathers.

Precies twee weken later arriveerde de familie Van der Beek op Ellis Island, de Amerikaanse grenspost voor immigranten, voor de kust van New York. In Hoboken stapten zij samen met de andere gezinnen op de trein naar Alamosa, een lange reis die nog eens vijf dagen duurde. Ze konden rekenen op een hartelijk welkom van de burgemeester en lokale bevolking van het plaatsje dat slechts 1000 inwoners telde. Uitgerust op klompen zongen de Nederlanders het Wilhelmus, maar de feestelijke stemming was van korte duur. Al snel bleek dat de Immigration Company haar beloftes niet kon waarmaken en nauwelijks voorbereidingen had getroffen voor de gezinnen. Zo had het bedrijf officieel nog geen landbouwgrond in bezit voor verkoop en was er geen goede huisvesting beschikbaar. In de heuvelachtige vallei was veel gebied onontgonnen of nauwelijks bruikbaar en met het korte oogstseizoen en de ijskoude nachten en winters waren de omstandigheden voor landbouw allesbehalve gunstig.

De migranten voelden zich misleid door de Immigration Company en The Denver Republican schreef in december 1892 over de Alamosa-affaire als “The Boldest of Swindles”. Nog rampzaliger was de spoedige uitbraak van besmettelijke ziektes, zoals roodvonk en difterie, onder de kinderen. Het drie jaar oude zoontje van Jan en Helena bezweek vermoedelijk aan één van deze ziektes. De familie Van der Beek zou uiteindelijk met hulp van de plaatselijke gereformeerde kerk naar Pella in Iowa verhuizen, bijna 1000 mijl oostwaarts, en daar een nieuw boerenbestaan opbouwen. Howard schreef dat zijn vader Teunis zijn leven lang een hardwerkende boer in Iowa was geweest. Tijdens de Grote Depressie raakte hij alles kwijt, toen Howard nog een jonge tiener was.

Landing Craft Control (LCC)

Howard Vander Beek kiest voor de U.S. Navy

Howard werd geboren op 8 juni 1917 op een boerderij in Oskaloosa, Iowa. Zijn moeder overleed toen hij slechts vier jaar oud was. Het gezin had het mede door de economische crisis niet breed. Na zijn eindexamen ging Howard Engels studeren aan de University of Iowa; dit was enkel mogelijk voor hem door elke beschikbare bijbaan te accepteren. Na de afronding van zijn bachelor begon hij als docent Engels in Lexington, Nebraska, en later in Galesburg, Illinois. Na de aanval op Pearl Harbor op 8 december 1941 stond Howard voor de keus om te wachten op een oproep voor het leger of zichzelf aan te melden als vrijwilliger. Hij koos voor het laatste zodat hij zelf kon besluiten om in de US Navy te dienen.

Als marinier in spe onderging hij een pittige opleiding om zoals hij schreef een “ninety-day wonder” te worden. Hij herinnerde zich de zware fysieke trainingen ’s nachts op de oceaan en man-tegen-mangevechten. Op 16 mei 1943 was Howard klaar om uitgezonden te worden. Aan boord van de U.S.S. Neville kwam hij erachter dat de bestemming Algerije was, waar de Amerikaanse marine zich voorbereidde op de invasie van Sicilië die op 10 juli begon. Sicilië was zijn eerste amfibische operatie. Twaalf dagen later keerde Howard met de Neville veilig terug naar Amerika, met aan boord POW’s van het Afrika Korps van Generaal Rommel. De Duitse oorlogsgevangenen zouden bij aankomst verbaasd zijn geweest dat New York met al haar wolkenkrabbers nog intact was, omdat de Nazipropaganda hen had wijs gemaakt dat de stad door de Luftwaffe en Duitse marine verwoest was.

Bemanning van de LCC 60. Staand (v.l.n.r.): Howard Vander Beek, Thomas Williams, Wilford Yokum, Ralph Crosden, Joseph St. Germaine, Sims Gauthier en James Hopfensberger. Zittend: Joseph Tarnowski, Sophos Lolos, Joseph Rafaniello en Robert Spencer.

De LCC 60 en haar bemanning

Na een maand verlof verliet Howard zijn familie en vrienden in Iowa voor een nieuwe grote missie. Erg blij was hij niet met het nieuws dat zijn “amphibious duty” een vervolg kreeg. In Florida, waar de Naval Amphibious Base in Fort Pierce was gevestigd, ontmoette Howard zijn grote liefde en toekomstige vrouw Grace Alena Taylor tijdens de eerste kerkdienst die hij daar bijwoonde. Ondanks het grote verlangen naar een normaal burgerlijk leven, werd de jonge Howard klaargestoomd als commandant van de Landing Craft Control. In aanloop naar de grootste amfibische operatie uit de geschiedenis kreeg de US Navy de beschikking over dit kleine maritieme voertuig. De LCC’s waren stalen boten, slechts 17 meter lang, met alle benodigde apparatuur aan boord. Op die manier zouden zij tijdens de invasie zeemijnen en andere versperringen en obstakels voor de Normandische kusten tijdig kunnen detecteren en de honderden militaire schepen in hun kielzog kunnen instrueren over de meest veilige route naar de aangewezen landingsplaatsen. Tijdens de vele oefeningen en simulaties voor de kust van Engeland in de weken voorafgaand aan D-Day leerde Howard alles over de LCC.

Maar weinig mensen wisten destijds af van het bestaan van de LCC, haar functies en doeleinden moesten natuurlijk geheim blijven voor de buitenwereld. Alleen dat zou niet lukken. Op een zaterdagavond in mei 1944 toen Howard en zijn kameraden in de Zuid-Engelse havenstad Plymouth naar de radio luisterden, schrokken zij zich letterlijk een hoedje. Ze luisterden toen graag naar Axis Sally, de bijnaam van een controversiële Amerikaanse radiopresentatrice, die zij amusant vonden vanwege haar sterk overdreven Nazipropaganda. Vrij plotseling richtte ze zich na een liedje tot Howard en zijn secundant Sims Gauthier met woorden als “You are sitting there thinking that you will soon be in on an invasion of this mighty continent. Your stupid leaders are making plans to sacrifice your lives to do it. They really know that no one can invade Europe. (..) Dear boys, don’t be foolish. Go back to your loved ones in the United States while you still can. Otherwise, you will never see them again.” Vervolgens beschreef ze in detail waar de LCC voor diende en wat hun laatste activiteiten waren geweest. Howard vroeg zich af hoe zij dit allemaal kon weten. Wat bleek, enkele bemanningsleden hadden die middag een vriendelijk oud Brits echtpaar gesproken, die als Nazispionnen de informatie hadden doorgespeeld voor Sally’s radio-uitzending. Voor even zonk Howard de moed in zijn schoenen (wellicht net Sally’s bedoeling), maar opgeven was geen optie. De toekomst van Europa en de wereld stond op het spel.

Landing op Utah Beach, 6 juni 1944

De herder van Utah Beach

De spanning nam logischerwijs toe naarmate D-Day dichterbij kwam. Howard en zijn bemanning probeerden zoveel mogelijk te weten te komen over de aanstaande invasie en bestudeerden luchtverkenningsfoto’s van Green Tare Sector, de beoogde landingsplaats op Utah Beach, de codenaam voor het meest westelijk gelegen strand in Normandië. Alles wees erop dat de LCC 60 hier de leiding zou nemen. De precieze datum voor D-Day bleef volstrekt geheim. De Amerikaanse en Britse soldaten en mariniers werden ondergebracht in afgesloten kazernes en barakken, alleen voor de hoge pieten ging de deur nog open. Op 3 juni mocht Howard zijn kwartier in Dartmouth verlaten en werd hij met zijn compagnons direct naar de LCC 60 meegenomen. Om 16:00 uur kreeg de LCC 60 het teken om te vertrekken. De tocht over het Kanaal bedroeg ruim honderd zeemijl en om de volgende ochtend vooraan de grote armada van 865 schepen de kust van Normandië te naderen vertrok de LCC 60 als één van de eersten. Twaalf konvooien van schepen zouden uit Belfast en havensteden in Zuid-Engeland vertrekken. De weersomstandigheden waren in twintig jaar echter niet zo slecht geweest en zorgden voor grote golven en zeer beperkt zicht. Generaal Eisenhower besloot daarom dat de invasie met 24 uur moest worden uitgesteld. Met tegenzin keerde Howard terug naar Engeland, wachtend op beter weer.

Veel beter zou het weer op het Kanaal niet worden, maar voor het behoud van het verrassingseffect besloot Eisenhower dat H-Hour op 6 juni 1944 om 6:30 uur bij laag getijde zou zijn. Van de uren voorafgaand aan H-Hour kon Howard zich weinig herinneren, er gebeurde simpelweg teveel zo snel om goed te kunnen bevatten. Rond half vier ’s ochtends bereikte de LCC 60 de Utah Transport Area, niet ver van de Franse kust. Gevreesd was Rommels ‘Death Zone‘ vol zeemijnen en versperringen voor de kust. Vanuit de bunkers van de Atlantik Wall zou de artillerie van de Duitse Wehrmacht bovendien het vuur openen zodra de geallieerde schepen in zicht kwamen. Howard had door de dichte mist geen zicht op de P.C. 1176 en LCC 80 links van hem, de controleboten voor Uncle Red Beach. Waar de P.C. 1176 als primary control vessel op een zeemijn liep, was de LCC 80 een korte tijd later onbestuurbaar geworden door een boeilijn in de schroef. Voor de LCC 60 zat er niks anders op dan de taken voor Red Beach, naast de verantwoordelijkheid voor Green Tare Sector, over te nemen. Vlak na zonsopkomst, even voor 6:00 uur, keek Howard achterom en zag daar naar eigen zeggen “the greatest armada the world had ever known, the greatest it would ever know.”

Het landingsplan leek niettemin gedoemd om te mislukken. Door de uitschakeling van de controleboten en het gebrek aan zicht door het opgetrokken rookgordijn was navigeren buitengewoon lastig. Wonderbaarlijk genoeg slaagde de LCC 60 erin om deze enorme vloot van schepen vol dappere soldaten veilig naar het strand te loodsen. De landing vond uiteindelijk plaats op Victor Sector, zo’n 1800 meter ten oosten van de geplande landingsplaats, maar dat was gunstig omdat zich daar minder versperringen en bunkers met Duits kanonvuur bevonden. De landing op Utah Beach tijdens D-Day was gezien het relatief kleine aantal slachtoffers uiteindelijk het meest succesvol in vergelijking met de andere Normandische stranden. Ruim 20.000 soldaten en 1700 voertuigen waren klaar om met de bevrijding van bezet Europa te beginnen. Saint-Mère-Eglise was het eerste Franse dorpje dat werd bevrijd door de Amerikaanse paratroepers, die achter de Duitse verdedigingslinie waren gedropt. Howard nam met zijn makkers een kijkje in het dorp dat uitzinnig van vreugde was. De Franse inwoners verwelkomden de Amerikanen met knuffels, kussen en bloemen. Een lange weg naar de bevrijding zou nog volgen, maar dit was het verhaal van de D-Day-vlag.

Statistieken van de landing op Utah Beach

Bronnen

Howard Vander Beek, Aboard the LCC 60. Normandy and Southern France, 1944 (Cedar Falls, Iowa, 1995).

Bernard Krikke en Anton Slotboom, ‘Voor de ogen van de wereld. De terugkeer van de D-Day-vlag’, Kleio 2 (maart 2021) 38-41.

Smithsonian Institute, ’48 star US National Flag, used at D-Day, Utah Beach’ (8-5-2021): https://www.si.edu/object/48-star-us-national-flag-used-d-day-utah-beach%3Anmah_1937342

Peter de Klerk, ‘The Alamosa Disaster: The Boldest of Swindles’, Origins 4:1 (1986) 22-26. Online toegankelijk via: https://www.calvin.edu/hh/origins/Spring86.pdf

Peter De Klerk, ‘Dutch Settlement In Crook, Colorado in 1893’, Dutch Chicago Conference of the Advancement of Dutch American Studies (Palos Heights, Illinois, 1987) 1-21. Online toegankelijk via: https://dutchamericans.files.wordpress.com/2017/01/1987_3_deklerk.pdf

Roots and Grafts, ‘Gunst Family in Colorado’ (21-10-2014): https://rootsandgrafts.wordpress.com/2014/10/21/gunst-family-in-alamosa-colorado-part-1/

Giles Milton (podcast), ‘What happened on the eve of D-Day?’ (13-2-2019): https://www.quickanddirtytips.com/education/history/what-happened-on-the-eve-of-d-day?page=1

Frank Blazich en Jennifer Jones, ‘The Shepherd of Utah Beach’, National Museum of American History (18-7-2019): https://americanhistory.si.edu/blog/dday

RTL Nieuws, ‘Kunstverzamelaar Kreuk overhandigt historische D-Day-vlag aan Trump’ (18-7-2019): https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/buitenland/artikel/4785561/kunstverzamelaar-kreuk-overhandigt-d-day-vlag-aan-trump

The Statue of Liberty – Ellis Island Foundation, ‘Ship Manifest and List of Passengers Dubbeldam’ (8-5-2021): https://heritage.statueofliberty.org/ship-details/czo5OiJEdWJiZWxkYW0iOw==/czoxMDoiMTg5Mi0xMS0yNiI7/czo4OiJtYW5pZmVzdCI7/czowOiIiOw==/czozOiIyNzAiOw==

Brittanica, ‘Utah Beach’ (8-5-2021): https://www.britannica.com/place/Utah-Beach

Verwantschap met Herman Abramse van der Beek (~1630-1705) en Howard Vander Beek, zie VIII-y en IX-u (4-8-2023): https://genealogie-van-der-beek.jouwweb.nl/genealogie-herman-abramse-van-der-beek

Correspondentie tussen Gerrit van der Beek en Howard Vander Beek, 1999-2000.