Nederlanders in Theresienstadt en discussies over herinneringen aan deportatie, gevangenschap en vervolging

In het voorjaar van 2019 bezocht ik Theresienstadt op een door Yad Vashem georganiseerde studiereis voor Holocausteducatie. Ik was reeds bekend met de kunst en culturele activiteiten van gevangenen in dit concentratiekamp, maar ik vroeg mij al lopend door dit kleine vestingstadje af hoe het de Nederlanders daar was vergaan. De ervaringen van Nederlandse joden in Theresienstadt zijn vrij onbekend omdat slechts een relatief kleine ‘prominente’ groep van 4.887 joden vanaf april 1943 naar dit zogenaamde ‘modelgetto’ in het toenmalige Duitse protectoraat Bohemen en Moravië (in het huidige Tsjechië) werden gedeporteerd. Het merendeel van de uit Nederland gedeporteerde joden behoorde tot de joodse elite of had zich op een andere wijze (in de ogen van de nazi’s) verdienstelijk gemaakt. Daarnaast waren er nog diverse andere subgroepen van joden, die aanvankelijk van deportatie uitgezonderd waren (zoals de Barneveldgroep en tot het protestantse geloof bekeerde joden). Onder hen bevonden zich ook de nodige vluchtelingen (of emigranten) die na 1933 uit Duitsland, Polen, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije naar Nederland waren gekomen. Een zeer gemêleerde groep joden uit Nederland kwam zodoende in Theresienstadt terecht. Hun ervaringen waren logischerwijs verschillend, maar een gemene deler is dat als één van de laatste gearriveerde groepen aanpassing aan het leven in Theresienstadt verre van eenvoudig was. In dit artikel beschrijf ik hoe Nederlandse overlevenden van Theresienstadt zich het kampleven herinneren en op welke vlakken herinneringen van elkaar verschillen of zelfs botsen. Als casus kijk ik daarbij in het bijzonder naar de naoorlogse ophef over de kamptekeningen van Jo Spier (1900-1978) en zijn vermeende hulp aan de bekende propagandafilm die door Kurt Gerron in opdracht van de nazi’s was gemaakt.

Deportaties van Westerbork naar Theresienstadt

Op voorstel van Adolf Eichmann, hoofd van de Reichssicherheitshauptamt (RSHA) IVB4, zouden ‘joden met verdiensten’ op transport worden gesteld naar Theresienstadt. De Haagse afdeling van IVB4 bepaalde vervolgens de verschillende categorieën, waar eerst alleen Joods-Duitse oorlogsveteranen in aanmerking zouden komen voor deportatie naar het in propagandistische termen genoemde ‘Tsjechische kuuroord’. De valse belofte was dat de ‘uitverkoren’ joden tot het einde van de oorlog daar zouden kunnen verblijven, waar in werkelijkheid Auschwitz het eindstation was voor vele gevangenen. Onder de verdienstelijke joden bevonden zich kunstenaars, wetenschappers en geneeskundigen, maar ook zij die aan de opbouw van Kamp Westerbork hadden bijgedragen of voor de Joodse Raad hadden gewerkt. Op het eerste transport dat op 21 april 1943 uit Westerbork vertrok bevond zich ook de bekende illustrator Jo Spier (1900-1978), die onder speciale bescherming stond van Anton Mussert (die zijn tekenkunsten bewonderde), met zijn gezin. Philip Mechanicus (1889-1944) schreef: “Men moest zich verzetten om niet mee te willen met de expeditie, die op een excursie leek. Men was het laatste jaar zo gewend geraakt aan de deportatie in beestenwagens, dat men een gewone trein met derdeklassewagons bereid was als een Genade van de Hemel te aanvaarden, daarin althans een menselijke gunst te zien, die slechts dankbaarheid kon wakker roepen, en de reis beschouwen als een plezierreis.” Het was hem duidelijk dat sprake was van pure misleiding, maar vermoedelijk zijn velen toch met enige goede hoop op de trein naar Theresienstadt gestapt.

* Deportaties via Bergen-Belsen naar Theresienstadt; ** 1174 mensen op transport XXIV/7 behoorden tot de Barneveldgroep en de protestantse joden. ‘XXIV’ verwijst naar het 24ste gebied buiten het protectoraat Bohemen en Moravië waarvandaan joden naar Theresienstadt werden gedeporteerd. Bron: Hajkova, ‘”Poor devils” of the camps’, pg. 10.

De uit Nederland gedeporteerde joden kwamen vanaf januari 1944 in de Hamburgerkazerne in Theresienstadt terecht, nadat zo’n 3.000 Tsjechische joden tot hun ongenoegen het bevel hadden gekregen deze te verlaten. Het zorgde vrijwel direct voor een kloof tussen de beide groepen en de ontvangst was allesbehalve prettig. Gerhard Leopold Durlacher (1928-1996) schreef in zijn boek Strepen aan de hemel hoe hij na aankomst als vijftienjarige jongen meeschuifelde in een stoet van mannen en vrouwen “met hun grauwe vermoeide gezichten, de vochtige dampende kleiding, gekreugeld, gevlekt, gesleten” naar de voor hen bestemde barakken. De uit Westerbork meegekomen dokter Alex Siegfried Wachtel hield met de toenmalige Judenälteste van Theresienstadt, Paul Maximilian Eppstein, een toespraak voor de nieuwkomers. Ze onderstreepten dat zij dankbaar moesten zijn voor hun komst naar dit Vorzugslager en zich waardig moesten tonen “door een goede houding, ijver, zindelijkheid, discipline. (..) Bij in gebreke blijven zouden eenzame bunkerstraf en deportatie volgen en verder regels, regels, regels.” Deze toespraak was volgens onderzoeker Ria van der Brandt, die tientallen Nederlandse overlevenden van Theresienstadt interviewde, allerminst geruststellend. Men moest maar vertrouwen op de toezegging die Dr. Wachtel van Kommandant-Hauptsturmführer Karl Rahm had gekregen dat bij goed gedrag de Nederlandse joden in Theresienstadt zouden mogen blijven (en dus niet naar de vernietigingskampen in het oosten zouden worden gestuurd).

Plattegrond van Theresienstadt. Buiten het ommmuurde getto bevond zich de Kleine Vestiging dat dienst deed als gevangenis van de Gestapo. De Hamburgerbarakken bevonden zich langs de spoorlijn aan de zuidkant van het getto.

Ab Caransa (1927-2006) arriveerde op zestienjarige leeftijd met zijn ouders in april 1944 in Theresienstadt en zijn eerste indruk was beangstigend. Het getto was overbevolkt en bij aankomst werden mannen en vrouwen gescheiden voor lijfelijke visitatie, bagagestukken in beslag genomen (voor controle) en waardevolle bezittingen afgepakt. Voor Caransa was aanvankelijk geen bed beschikbaar en hij sliep op een matras op de grond totdat de sociaaldemocraat Maurice Mendels (zijn uitvaart was getekend door Jo Spier, zie afbeelding 3) overleed en zijn bed in de slaapzaal vrijkwam. Volgens de regels was onderwijs, geldbezit en het krijgen van kinderen verboden, al was er wel degelijk een rijk aanbod van culturele activiteiten, waar Nederlandse gevangenen overigens maar mondjesmaat aan deelnamen. De taalbarrière speelde daarbij mee, men had een voordeel in het kamp als men Duits en/of Tsjechisch kon spreken; dan bleef je veel beter op de hoogte van alle ontwikkelingen. Caransa merkte hierover op: “In het algemeen gedroegen de Nederlanders in het getto zich timide, door hun over het algemeen slechte kennis van de voertaal, het Duits, maar ook omdat ze door veel van hun Tsjechische, Oostenrijkse en Duitse medegevangenen als tweederangs en als zwakkelingen werden beschouwd, een verwijt dat ons ook in andere kampen en met name na de oorlog is gemaakt. Maar voor de meeste Nederlandse joden was de overgang van het relatief liberale Nederland dat nooit virulent antisemitisme heeft gekend naar appèlplaats en dwangarbeid té groot.” Aanpassing was in die zin makkelijker voor de Duits-Nederlandse joden die vanuit Westerbork naar Theresienstadt waren gedeporteerd. Caransa omschreef Theresienstadt als een ‘schizofrenie in steen’ waarbij hij het contrast schetste tussen het ‘ongeëvenaarde aanbod van toneel, muziek en wetenschap’ en de erbarmelijke leefomstandigheden, waarbij er structureel te weinig voedsel was en ouderen en zieken letterlijk crepeerden of bezweken in het kamp.

Het lot van de Nederlandse joden in Theresienstadt

Verreweg de meeste Nederlandse joden kwamen als gezin naar Theresienstadt en waren in Westerbork reeds aan het kampleven gewend geraakt. De erbarmelijke omstandigheden in het overbevolkte Theresienstadt en het feit dat de Nederlanders als laatste groep arriveerden maakte aanpassing wel degelijk moeilijker. Van der Brandt laat in haar onderzoek niettemin zien dat de ervaringen enorm verschillend waren en dat generalisaties daarom lastig zijn. Anders dan historica Anna Hájková zag zij op basis van getuigenissen dat Nederlanders zich wel degelijk mengden met andere gevangenen en in sommige gevallen een zekere waardering kregen voor het gedwongen werk dat zij moesten verrichten. Hájková betoogde dat de Nederlanders een geïsoleerde groep in Theresienstadt vormden en verklaarde dat vanuit de achtergrond van verzuiling en de eerder genoemde taalbarrière. Beide historici lijken het wel eens te zijn over het feit dat Nederlandse joden veel minder aan het culturele leven deelnamen in het kamp. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat onder de grootschalige herfsttransporten in september-oktober 1944 zich veel kunstenaars en intellectuelen bevonden, zodat het aanbod van activiteiten aanzienlijk terugliep. Vanaf 9 november 1944 kwam bovendien een arbeidsplicht voor gevangenen vanaf 10 jaar, zij moesten werkweken van ca. 70 uur maken en dan bleef er natuurlijk weinig tijd over voor ontspanning, scholing of amusement. Opvallend is ook dat de kleine kinderen uit de Nederlandse gezinnen zelden naar de kinderopvang in het getto gingen. Nederlandse joden waren zodoende minder onderdeel van het ‘grote verhaal’ van Theresienstadt als cultureel oord met vooraanstaande musici, theatermakers en kunstenaars. De continue honger en ziekte, het ongedierte in de Hamburgerkazerne en de vormen van dwangarbeid hebben vele gevangenen wel aan den lijve ondervonden en zijn deel van het collectief geheugen gaan vormen.

Uit onderzoek van Hájková blijkt dat van de tijdens de herfsttransporten van 1944 naar Auschwitz gedeporteerde gevangenen het overlevingspercentage voor Nederlandse joden beduidend lager was dan van andere nationaliteiten in Theresienstadt. Op basis van een steekproef toonde zij zelfs aan dat Duits-Nederlandse joden een grote overlevingskans hadden dan hun autochtone landsgenoten. In haar steekproef nam zij alleen jonge mannen in de leeftijd van 18-30 jaar mee, omdat een onbepaald aantal vrouwen zwanger was of vergezeld was door kinderen (wat hun overlevingskans kon beïnvloeden). Zo’n 3.000 Nederlandse joden werden vanuit Theresienstadt naar Auschwitz gedeporteerd en naar schatting overleefden slechts 300-400 van hen de Holocaust. Meer dan 400 Nederlandse joden, waaronder vijftig kinderen, kwamen voortijdig vrij op voordracht van Reichsführer-SS Heinrich Himmler met oog op de nadere onderhandelingen met de geallieerden. Een transport van 1200 gevangenen bereikte op 5 februari 1945 het neutrale Zwitserland en zij zouden daarna gerepatrieerd worden. Onder hen bevonden zich ook de zussen Liesel (1931-2019) en Nelleke van Cleeff (1933-2018), afkomstig uit Rotterdam. Vlak voor de Zwitserse grens stopte de trein rond middernacht en bleef deze uren stilstaan. Bang dat de passagiers waren dat zij alsnog doodgeschoten zouden worden, zagen Nelleke en Liesel ‘in de verte duizenden twinkelende lichtjes in de bergen van het vrije Zwitserland’. Door een tyfusuitbraak in Montreux, waar zij verbleven in afwachting van repatriatie, raakte Liesel ernstig ziek. Haar ouders – aanvankelijk verblijd door hun vrijlating – zouden haar door de kritieke toestand in augustus 1945 persoonlijk komen opzoeken. Na lange omzwervingen zou het gezin eindelijk weer herenigd worden, al was het lastig voor de meiden om de draad weer op te pakken en konden zij in Hilligersberg allerminst rekenen op een warme ontvangst of veel begrip voor het joodse leed van andere bewoners.

Bron: Hajkova, ‘”Poor devils” of the camps’, pg. 11.

Die Verschönerung en de propagandafilm

In voorbereiding op het bezoek van een kleine delegatie van het Internationale Rode Kruis op 23 juni 1944 moest Theresienstadt in opdracht van de SS flink opgeknapt worden. De opschoning (in Duits ‘die Verschönerung‘) van het getto betekende dat in de maanden vooraf alles uit de kast werd gehaald om het Rode Kruis om de tuin te leiden en de illusie te wekken dat de joden het goed hadden in Theresienstadt. De Deense koning had zich fel verzet tegen deportatie van de Deense joden, maar toen dat eenmaal gebeurde moest Eichmann een concessie doen met een inspectie als gevolg. Caransa schreef dat alle Nederlandse mannen moesten komen opdraven in een ruimte van de Hamburgerkazerne waar Spier hen zou toespreken. De strekking van zijn toespraak was dat ieders inzet nodig was om dit project te laten slagen en dat anders erge dingen zouden gebeuren, daarmee implicerend dat tegenwerking bestraft kon worden met deportatie naar de vernietigingskampen. Volgens Caransa had Spier geen ruggegraat en blindelings de Duitse orders opgevolgd, al verklaarde laatstgenoemde kort na de oorlog dat zijn toespraken tot zijn landgenoten onder doodsbedreiging waren geweest. De gevangenen gingen in ieder geval aan de slag met het schoonvegen van de straten, het schilderen van de gevels en de aanleg van nieuwe tuinen. Het probleem bleef echter dat de stad overbevolkt was. Op 12 mei 1944 kondigde kampcommandant Rahm aan dat 7.500 gevangenen (onder wie 559 Nederlanders) in drie transporten naar Auschwitz gedeporteerd zouden worden. Het sinistere plan pakte voor de nazi’s goed uit. Het Rode Kruis bracht een positief rapport uit na haar bezoek en zag af van verdere inspecties in de andere concentratiekampen.

Het opgeruimde kamp zou spoedig op film worden vastgelegd. De Zentralstelle zur Regelung der Judenfrage in Praag trok 35.000 Reichsmark uit voor de inmiddels bekende propagandafilm over Theresienstadt. Cineast Gerron was aangewezen als regisseur. Hoewel hij aarzelde of hij moest meewerken aan deze film, overtuigde Eppstein hem dat zo’n arbeidsintensief karwei vele gevangenen zou kunnen behoeden voor deportatie (het tegendeel zou later blijken). Tijdens de opnamen van 16 augustus tot 11 september was het getto omgetoverd tot één grote filmstudio. Gerron kreeg hulp van Spier, zo bleek bijvoorbeeld uit het door hem getekende story board bestaande uit 332 tekeningen die de verschillende scènes van de film toonden. Historicus Karel Margry ontkrachtte de naoorlogse beschuldiging dat Spier het draaiboek voor de film had gemaakt, omdat zijn tekeningen (in opdracht van Rahm) de volgorde van opnamen lieten zien en niet de volgorde van het oorspronkelijke script. Spier had dus de filmbeelden op papier vastgelegd door steeds mee te kijken door de zoeker van de camera. Zo beschikte de kampcommandant over een visueel verslag van elke scène en shot. De documentaire zou in de volksmond bekend komen te staan onder de titel Der Führer schenkt den Juden ein Stadt en laat in volle glorie een geïdealiseerd beeld zien van het leven in het zogenaamde ‘modelkamp’. Dankzij de in het NIOD bewaarde tekeningen van Spier was het na de oorlog mogelijk om een reconstructie van de complete film te maken, waar ook overlevenden hun herinneringen aan de film hebben gedeeld.

Screenshot uit de propagandafilm met in het publiek Jo Spier (met bril rechts) tijdens een uitvoering van Mendelssohns ‘Elijah’ onder leiding van dirigent Karel Fischer.

Op melancholische wijze beschreef Durlacher de regie van de film, waarvan enkele losse fragmenten bewaard zijn gebleven: “De muziek van joodse componisten, in nazi-Duitsland en de bezette gebieden toen al jaren verboden, gaat verder. De stem volgt met lege propagandafrasen de beelden: kunstnijverheid, een beeldhouwer bij zijn ontwerp voor een fontein, werkplaatsen waar vrouwen en mannen met grauwe gezichten waarop een bevolen glimlach plakt, met jodensterren op de borst, schoenen repareren, tassen snijden en kleding naaien bij de vitale klanken van Mendelsohns ‘Midzomernachtsdroom’. De ‘Feierabend’ en de voetbalwedstrijd met twee zeventallen in plaats van elftallen op de binnenplaats van de Hamburgerkazerne, met duizenden figuranten in slechtzittende kleding, hangend over de balustraden van de booggangen; enthousiasme onder regie. Een badhuis met mannen onder douches waaruit in Theresienstadt alleen water komt. Een bibliotheek waar achter de uitleentafel professor David Cohen met zelfgenoegzame uitdrukking op zijn gezicht met een collega converseert. Een voordracht van professor Utitz, met in zijn gehoor tientallen internationaal befaamde joodse geleerden, nu oude vermagerde mannen met moeizaam gladgetrokken sleetse pakken, verbogen brillen voor droevige ogen en sterren op het angstige hart.”

Pas in april 1945 zou de film aan het Rode Kruis vertoond worden, maar aan het einde van de oorlog was door de bevrijding van concentratiekampen in het oosten inmiddels duidelijk welke gruwelijkheden en massale vernietiging daar hadden plaatsgevonden. De film had volgens Margry dus geen enkele invloed op de publieke opinie. Het meest tragisch is dat veel medewerkers aan de film, waaronder Gerron zelf, figuranten en ook kinderen – die speciaal voor de film hadden opgetreden in de kinderopera Brundibár – op transport moesten en omkwamen in Auschwitz.

De tekeningen en herinneringen van Jo Spier in perspectief

Naast de speculaties over de betrokkenheid van Spier bij de propagandafilm, opende de communistische krant De Waarheid in december 1945 publiekelijk de aanval op de illustrator die met zijn gezin de Holocaust had overleefd en na de bevrijding van Theresienstadt veilig naar Nederland was teruggekeerd. In een anoniem artikel trok de schrijver de conclusie dat Spier in zijn tekeningen voor de Duitsers gelogen had over de realiteit in Theresienstadt. Spier werd neergezet als een vriend van Mussert die dankzij zijn ‘sympathieke contact met de SS in Theresienstadt’ een woning met bad en clubfauteuils had gekregen. Verschillende tekeningen waren afgedrukt om de aantijgingen te onderstrepen. Enkele dagen later maakte de krant het nog bonter door te stellen dat Spier met zijn ‘misselijke tekeningen het leven in de Jodenstad, het voortportaal van de gaskamers in Bergen-Belsen, verheerlijkte.’ De artikelen boden geen enkele ruimte voor nuance of enig inzicht in de omstandigheden waar kunstenaars in Theresienstadt mee te maken hadden gehad. Het staat buiten kijf dat Spier in opdracht van Rahm rooskleurige beelden moest tekenen, zoals ook zijn biograaf Henk van Gelder vaststelde, maar het is onjuist dat de in Zutphen geboren kunstenaar geen kritische beelden tekende in het kamp. Een enkele keer was hij door de kampcommandant zelfs betrapt op een mapje met tekeningen met lijkwagens, lange etensrijen en uitgemergelde gevangenen.

In het archief van Beit Theresienstadt in de Israëlische kibboets Givat Haim Ihud vond ik enkele jaren geleden een verzameling tekeningen van Jo Spier, die hij later ook deels heeft gebruikt voor zijn boek Dat alles heeft mijn oog gezien (1978). Dit boekje kon vlak na publicatie op veel kritiek van Caransa rekenen, die in een uitgebreide brief aan het Joods Historisch Museum zijn ongenoegen uitte over hoe Spier zaken verzweeg over de ware aard van het leven in Theresienstadt, het lot van zijn joodse landgenoten of zijn medewerking aan de film. Zo stelde hij met nadruk: “Spier schrijft en tekent nergens over de “gewone” mensen, die zich ook in Theresienstadt bevonden. Spier heeft het nergens over de stakkers die bij de keukens stonden te bedelen om watersoep die anderen niet wilden. Dat klopt ook met de werkelijkheid: Spier hield zich niet met “gewone” mensen op.” Het is bekend dat Spier had meegewerkt aan een herinneringsalbum Bilder aus Theresienstadt dat tijdens het bezoek van het Rode Kruis als souvenir aan leden van de delegatie, buitenlandse bezoekers en nazi-functionarissen werd meegegeven. Net als andere schilders moest hij het opgeschoonde getto vastleggen van een geïdealiseerde stad – analoog aan de propagandafilm.

Bij nadere bestudering van zijn tekeningen lijkt het erop dat Spier wel degelijk aspecten van het kampleven heeft vastgelegd, maar dat de ernst van ondervoeding, dwangarbeid en deportatie nauwelijks naar voren kwam. Sommige beelden lijken inderdaad rooskleurig, zoals de joodse bank, bakkerij en het poppentheater voor kinderen, en zouden zonder verdere context ook dienst hebben kunnen doen als propaganda. De zolder in de Hannoverkazerne, de geïmproviseerde synagoge en de aardappelenkar (in zijn boek verwijst Spier naar ‘onze kinderen’ die vochten om ‘aardappelschillen’) geven wel iets meer inzicht in het dagelijks leven van de gevangenen. Het meest kritisch zijn de illustraties die vermoedelijk na de bevrijding zijn gemaakt of toen van verdere bijschriften zijn voorzien. Zo is kampcommandant Rahm groot afgebeeld voor een treinwagon met de vermelding dat hij in 1946 na zijn proces is opgehangen. Hij citeerde Rahm met zijn verklaring voor de rechtbank: “Ich habe mich den Herren Israëliten gegenüber immer anständig benommen.” In zijn boek haalde Spier het feit aan dat de president van de rechtbank Rahm vroeg waarom hij dan een aantal kunstschilders naar Auschwitz had gestuurd. Rahm zou volgens Spier hebben geantwoord dat hij zelf een schilder was en deze schilders te modern waren naar zijn smaak. In een andere tekening laat Spier zien hoe gevangenen na de bevrijding door het Rode Leger SS-ers aanvallen en uit het getto verjagen. Het lijkt er zodoende op dat Spier zich meer vrijheid heeft gepermitteerd en kritische boodschappen heeft verwerkt in zijn tekeningen toen het gevaar voor deportatie naar Auschwitz geweken was. Ongetwijfeld moet het feit dat naaste kunstenaars, zoals Ferdinand Bloch, Bedrich Fritta, Otto Ungar, Leo Haas en Leo Strass, vanwege hun expliciete verzetskunst verhoord, opgesloten (in de Kleine Vesting) en/of gedeporteerd werden, angst hebben ingeboezemd. Spier koos in zekere zin zijn manier om Theresienstadt te overleven en dat was natuurlijk zijn goed recht.

Bronvermelding

George E. Berkley, Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de Nazi’s (Baarn en Antwerpen, 1995). Vertaald door Chris Mouwen.

Vojtech Blodig e.a. (red.), Art Against Death. Permanent Exhibitions of the Terezín Memorial in the former Magdeburg Barracks (Praag, 2002).

Ria van den Brandt, ‘Ik was mijn houvast helemaal kwijt’ Getuigen van Theresienstadt (Hilversum, 2021).

Ab Caransa, ‘Theresienstadt, schizofrenie in steen’, Oorlogsdocumentatie 40–45, 9 (1998) pp. 112–139.

Ab Caransa, Brief aan Joods Historisch Museum over boek van Jo Spier, Amsterdam, 20 mei 1978. Afkomstig uit Beit Theresienstadt Archives.

Anne D. Dutlinger et alii (red.), Art, Music and Education as Strategies for Survival: Theresienstadt, 1941-1945 (New York en Londen, 2001).

Henk van Gelder, De tekenaar Jo Spier (1900-1978) (Amsterdam, 1994).

Anna Hájková, ‘”Poor devils” of the Camps. Dutch Jews in Theresienstadt, 1943–1945’, Yad Vashem Studies 43:1 (2015) pp. 77-111. Online toegankelijk via: https://warwick.ac.uk/fac/arts/history/people/staff_index/hajkova/hajkova_poor_devils_yvs_2015.pdf (11-1-2026).

Auke Kok en Dido Michielsen, De redding van de familie Van Cleeff (Amsterdam en Antwerpen, 2015).

Karel Margry, ”Theresienstadt’ (1944-1945): The Nazi Propaganda Film Depicting the Concentration Camp as Paradise’, Historical Journal of Film, Radio and Television 12:2 (1992) 145-163. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/31749585/_Theresienstadt_1944_1945_The_Nazi_propaganda_film_depicting_the_concentration_camp_as_paradise (19-2-2026).

Joost Pollmann, ‘De overlevingskunst van de Joodse tekenaar Jo Spier leidde maar al te vaak tot misverstanden’, Trouw, 8 april 2025. Online toegankelijk via: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/de-overlevingskunst-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier-leidde-maar-al-te-vaak-tot-misverstanden~b3808d6c/ (11-1-2026).

Jo Spier, Dat alles heeft mijn oog gezien. Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt (Amsterdam en Brussel, 1978).

Jo Spier, Kamptekeningen (1943-1945), 1216/53/31, Beit Theresienstadt Archives.

Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt. De laatste overlevenden van het concentratiekamp getuigen (Tielt, 2012).

Martijn Veenhuijsen, ‘Plan-Frederiks: hoe een joodse elite aan de deportatietreinen probeerde te ontkomen’, 10 februari 2026. Online toegankelijk via: https://historiek.net/plan-frederiks-jodenlijsten-bezet-nederland/180238/ (19-2-2026).

‘Theresienstadt, zoals Jo Spier het zag… en zoals het was!’, De Waarheid, 15 december 1945. Online toegankelijk via: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010851059:mpeg21:p004 (11-1-2026).

Kurt Gerron, ‘Nazi propaganda film about Theresienstadt / Terezin’, Collectie USHMM en Bundesarchiv, 1991.260.1, Film ID: 201. Online toegankelijk via: https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn1000172 (11-1-2026).

NOS, ‘Het verhaal van de Joodse tekenaar Jo Spier’, 22 maart 2025: https://nos.nl/nieuwsuur/video/2560782-het-verhaal-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier (11-1-2026).

Een joodse familiegeschiedenis uit Monastir en Thessaloniki

Tijdens mijn huwelijksreis in de zomer van 2022 bracht ik een midweek door in Thessaloniki, de Griekse havenstad waar de overgrootoma (Tamar Levi, 1906-1973) van mijn vrouw vandaan kwam. We brachten die week een bezoek aan het plaatselijke Joods Museum en wetende dat bijna geen familielid de Shoah overleefd heeft, was het confronterend om te zien op de namenlijst dat zoveel Levi’s waren omgekomen in de vernietigingskampen. Van Tamar wisten we dat zij op zeer jonge leeftijd Thessaloniki had verlaten en zich in Brits-Palestina ofwel Eretz Israel had gevestigd. Ze trouwde daar met Eliyahu David Mizrachi (1895-1985). Onbekend was het lot van haar naaste familie, maar het verhaal ging dat zij mogelijk de enige overlevende van de Holocaust was van haar familie. Ze sprak hier vrijwel niet over tijdens haar leven, wat mogelijk duidt op een levenlang trauma. Het bezoek aan het museum maakte mij nieuwsgierig naar het verleden van de Levi-familie. Ik las die zomer het boek Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (2019) van Sarah Abrevaya Stein, een schitterend relaas over de bekende schrijver en uitgever Sa’adi Besalel Ashkenazi a-Levi (1820-1903) en zijn directe nazaten. Sa’adi a-Levi maakte in de Ottomaanse periode naam als publicist in het Ladino, de Judeo-Spaanse taal die de grote joodse gemeenschap in Saloniki sprak. Stein bracht eerder al een Engelse vertaling uit van zijn memoires onder de titel A Jewish Voice from Ottoman Salonica (2012). Beide boeken geven een inkijk in het joods leven in de stad die tot de massadeportaties tijdens de Holocaust wel bekend stond als het ‘Jeruzalem van de Balkan’.

Slachtoffers van de Shoah met de familienaam Levi, afkomstig uit Thessaloniki (bron: Wall of Names in Jewish Museum of Thessaloniki).

Van Monastir naar Thessaloniki

Het was een verrassende ontdekking toen getuigenissen uit de database van Holocaustslachtoffers van Yad Vashem uitwezen dat Moshe en Simcha Levi, de ouders van Tamar, uit Monastir (het huidige Bitula in Noord-Macedonië) afkomstig waren. Monastir kende tot de Eerste Balkanoorlog in 1912 – waarbij Servië de stad veroverde op de Ottomanen – een vrij omvangrijke joodse gemeenschap van 8.900 inwoners. De Slag om Monastir (16-19 november 1912) en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zorgden voor een grote vluchtelingenstroom en een halvering van de bevolking; in 1919 telde Monastir nog slechts 3.000-3.500 joodse inwoners. Vermoedelijk is de familie Levi in deze jaren naar Thessaloniki getrokken (wanneer precies is nog onduidelijk). De reeds door het Griekse leger ingenomen havenstad lag ca. 200km oostwaarts en was middels een spoorlijn met Monastir verbonden. Er bestonden historisch gezien nauwe contacten tussen beide steden, dus de migratie (of vlucht) naar Thessaloniki – met haar sterk joodse karakter – was een logische keuze. Opvallend is dat de enige na de Shoah overgebleven synagoge in Thessaloniki gebouwd was door Monastirlis, ofwel joden afkomstig uit Monastir. De sefardisch-joodse gemeenschap in Monastir gold als zeer traditioneel religieus en zionistisch, moderne vormen van entertainment ontbraken in de stad. Pas met de komst van scholen naar het model van de Alliance Israélite Universelle in de jaren 1880 zou men meer westers georiënteerd raken (daarvoor bestond alleen de joodse Talmud Torahschool).

In 1863, het jaar dat Moshe Levi vermoedelijk ter wereld kwam*, teisterde een grote brand Monastir. Gegeven het feit dat slechts de helft van de joodse gezinnen een adequate woning had, moet de brand zeker op de arme gezinnen veel impact hebben gehad. Tenminste 200 gezinnen waren na de brand afhankelijk van liefdadigheid, zo schrijft Shlomo Alboher. Ze woonden veelal langs de rivier de Dragor en als die buiten haar oevers trad overstroomden geregeld hun primitieve gelijkvloerse woningen. Sir Moshe Montefiore, de joodse bankier uit Londen, werd via de Britse consul Charles Calvert om hulp gevraagd en richtte een speciaal steunfonds op. Door de stadsbranden en de nieuwe bouwprojecten verdwenen in de tweede helft van de 19de eeuw langzamerhand de joodse ‘achterstandswijken’, ook wel ‘cortijos’ geheten. Uit de getuigenis van Yad Vashem kunnen we opmaken dat Moshe Levi een kleermaker van beroep was en waarschijnlijk dus een eenvoudig bestaan leidde. Hij trad in het huwelijk met Simcha Levi (meisjesnaam onbekend) en zij kregen pas op latere leeftijd kinderen. Via het Joods Historisch Archief in Thessaloniki en Yad Vashem kon ik achterhalen wat de namen van de broers en zussen van Tamar waren. Het echtpaar kreeg vijf kinderen en zij werden allemaal in Monastir geboren. Een jaar voordat Rivka en Rachamim geboren werden, brak wederom een grote brand uit die de halve stad verwoestte. Rijke joden moesten vervolgens een extra gemeentelijke belasting betalen voor de huisvesting van de arme joden.

Het moet rond de eeuwwisseling dus een roerige tijd zijn geweest voor de Levi-familie, zeker toen de Balkanoorlog een decennium later tot een ware exodus van de joodse inwoners leidde. De inname van Monastir door het Servische leger ging gepaard met antisemitisch geweld en joodse winkels werden beroofd, geplunderd en in brand gezet. Het zou goed kunnen dat Moshe Levi op deze wijze ook zijn kledingzaak kwijtraakte en sowieso was het niet langer veilig voor joden en zijn nog jonge gezin in de stad. Het einde van de Ottomaanse overheersing over de Balkan en de nationalistische tendensen brachten veel onzekerheid over de positie van de joden, al was de American Jewish Committee in januari 1914 nog voorzichtig positief gestemd: “Will the Jews be able to go on living in this way under the new conditions, as Bulgarian, Servian, and Greek citizens? Conditions have been so radically transformed as to compel the Jews to establish themselves on a new basis. The representatives of the Brussels committee have been assured in audiences with Czar Ferdinand of Bulgaria, and King George of Greece, and many ministers, that the Jews need have no fear of the new regime; their legal and political status will be safeguarded, and they will enjoy full rights of citizenship.

Stamboom van familie Levi, afkomstig uit Monastir (Bitula, Noord-Macedonië). De
gegevens van Rachamim, Rikula en David Levi zijn bevestigd door het Joods Historisch
Archief in Thessaloniki. Van Moshe, Simcha en Rivka Levi zijn de gegevens (deels)
afkomstig uit de getuigenissen van de Holocaust Victims Database van Yad Vashem;
het opgegeven geboortejaar in deze getuigenissen lijkt niet correct.
Getuigenis van Moshe Levi (in 1944 in Auschwitz vermoord) uit 1957. Het
vermelde geboortejaar (*1870) wijkt af van de documentatie van het Joods
Historisch Archief in Thessaloniki (1863). Zijn beroep – een kleermaker (חַיָט) –
staat op deze getuigenis vermeld.
Bron: https://collections.yadvashem.org/en/names/3906633

Het joods leven in Thessaloniki tijdens het Interbellum

Monastir Synagoge in Thessaloniki, geopend in 1927.

In aanloop naar de Eerste Wereldoorlog zouden vele joodse gezinnen uit Monastir naar Thessaloniki vluchten, zo’n vijftig joodse gezinnen kwamen dagelijks te voet of per wagen aan in de stad die zo bekend kwam te staan als de “Moeder van Israël”. Een nieuw leven opbouwen zonder veel middelen en bezittingen was niet eenvoudig, zo ook niet voor de familie Levi. De Monastirlis waren wel een relatief grote groep migranten en zouden in de loop van de jaren twintig zeker respect opbouwen onder hun geloofsgenoten; in 1927 volgde zelfs de inauguratie van een eigen synagoge (zie foto). De joodse gemeenschap ving de vluchtelingen zo goed als het kon op in synagogen en joodse scholen en zamelde geld in voor hun levensonderhoud. De grote toestroom leidde ook tot het ontstaan van sloppenwijken. Op 18 augustus 1917 trof het noodlot Thessaloniki met een grote stadsbrand waar destijds de meeste huizen van hout waren gebouwd. Driekwart van de oude stad ging in vlammen op en trof het hart van de joodse buurten, vooral daar waar de vluchtelingen waren gehuisvest. In één klap raakten 70.000 inwoners, merendeels joden, dakloos. Voor de Griekse overheid was dit volgens de historici Mark Mazower en Minna Rozen een uitgelezen kans om tijdens de wederopbouw het stadscentrum grondig te herzien en moderniseren, maar ook om de joodse midden- en arbeidersklasse meer naar de periferie van de stad te drijven.

Straatbeeld van Thessaloniki na de grote brand van 18-20 augustus 1917.

Het tekort aan huisvesting voor de joodse gezinnen die hun huis waren verloren door de grote brand en de joodse migranten uit de Balkan zou pas in de loop van de jaren 1920 worden opgelost. Dit kwam mede door het vertrek van duizenden moslims, die in 1923 als onderdeel van de bevolkingsruil tussen Griekenland en Turkije Thessaloniki gedwongen moesten verlaten. Daarnaast bouwde de gemeente ook honderden nieuwe woningen, vaak wel van betere kwaliteit dan voor de brand. In hoeverre de brand impact heeft gehad op de familie Levi moet verder onderzocht worden. Opvallend is dat Tamar als jonge tiener als enige familielid naar Brits-Palestina vertrok en samen met Eliyahu een bestaan in Tiberias zou opbouwen; ze was zestien jaar oud toen haar dochter Miryam (de oma van mijn vrouw) geboren werd. Mogelijk was ze gedreven door zionistische idealen, maar het kan ook dat haar aliyah voortkwam uit het feit dat ze geen toekomst zag in Thessaloniki en haar ouders mogelijk hun huis verloren hadden als gevolg van de brand. Haar zus Rikula keerde met haar echtgenoot Meir Levi vermoedelijk weer terug naar Monastir (Bitula), waar hun vijf kinderen geboren zouden worden. Haar broers Rachamim en David traden in de voetsporen van hun vader Moshe en gingen waarschijnlijk in de familiezaak aan de slag als kleermaker.

De joodse gemeenschap in Thessaloniki moest tijdens het Interbellum de eigen autonomie blijven bewaken binnen een context waar het Griekse nationalisme, dat sterk verbonden was met de orthodox-christelijke kerk, de landelijke politiek bepaalde. Het gevoel leefde onder de joden dat zij gemarginaliseerd en gediscrimineerd werden door de overheid. Een voorbeeld was de herziening van een wet uit 1920 waarmee winkels gesloten waren op zaterdag zodat joden de sjabbat konden houden. Voortaan gold de zondag als rustdag, maar dit benadeelde joodse winkeliers, doordat zij dan twee dagen in de week de deuren gesloten moesten houden. Joden kregen ook het verwijt dat zijn niet patriots genoeg waren en dat de Griekse militaire campagne in Klein-Azië door hun toedoen mislukt zou zijn. De joodse gemeenschap raakte gaandeweg verdeeld tussen nationalisten en zionisten. De oprichting van de Vereniging van Joodse Assimilationisten in 1928 laat zien dat een deel de Griekse identiteit, taal en cultuur omarmde. Joods onderwijs kreeg in deze periode ook een steeds sterker hellenistisch karakter, wat (tot ongenoegen van zionistische joden) ten koste ging van de lesuren Hebreeuws, Jodendom en joodse geschiedenis. Na de opening van een nieuwe atletiekhal door de zionistische Maccabi-sportorganisaties in juni 1931 verspreidde de lokale krant Makedonia het valse gerucht dat vertegenwoordigers van deze organisaties in de Bulgaarse hoofdstad Sofia zouden hebben opgeroepen tot een joods autonoom bestuur in Macedonië. De anti-joodse propaganda leidde tot een uitbraak van geweld in de arme joodse wijk Campbell in Kalamaria. Een menigte van zo’n 2.000 orthodox-christelijke relschoppers zette joodse huizen en winkels in brand en gooide stenen naar synagogen. Logischerwijs voelden joden zich na de rellen onveilig in de buitenwijken, ook al streefden de meeste inwoners van Thessaloniki naar vreedzame coëxistentie en interactie.

De impact van de Shoah op de familie Levi

Waar de periode tussen 1931 en 1941 relatief rustig verliep, veranderde dat met de Duitse bezetting van Thessaloniki in april 1941. De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe toestroom van vluchtelingen in een stad die nog herstellende was van de economische crisis begin jaren dertig en de recente bombardementen van de Italiaanse luchtmacht. In het najaar van 1941 was sprake van een enorme voedselschaarste, naar schatting waren 100.000 inwoners afhankelijk van de soepkeukens. Simcha Levi overleed op 16 oktober en zou de deportatie naar Auschwitz zoals haar meeste familieleden niet meemaken. Maar liefst 5.000 inwoners kwamen in de maanden daarop om van de honger en in de zomer van 1942 volgde een uitbraak van malaria. De anti-joodse maatregelen deden spoedig hun intrede en leidden tot een boycot van joodse ondernemingen en tal van restricties. Het Sonderkommando van Alfred Rosenberg plunderde joodse bibliotheken, clubs en synagogen en nam duizenden boeken, archieven en manuscripten mee naar Nazi-Duitsland. Op 11 juli 1942, bekend als ‘Zwarte Sjabbat’, moesten 9.000 joodse mannen tussen de 18 en 45 jaar zich verzamelen op het Plateia Eleftherias (Vrijheidsplein) en onder toeziend oog van een grote menigte allerlei vernederingen ondergaan. Vanaf februari 1943 moesten joden in Thessaloniki zich houden aan de Neurenbergerwetten en een gele ster in het openbaar dragen. Op 6 maart 1943 waren de joodse getto’s in de stad afgesloten met checkpoints en op 15 maart 1943 volgde het eerste transport van 2.800 joden naar Auschwitz.

In enkele maanden tijd deporteerden de Nazi’s bijna 50.000 joden uit Thessaloniki naar de vernietigingskampen. Van de vooroorlogse joodse bevolking overleefde minder dan vijf procent de Shoah. Voor de familie Levi was de Holocaust eveneens desastreus. Tamar was inderdaad de enige overlevende uit het gezin van Moshe en Simcha; achteraf bezien had haar migratie naar Palestina haar het leven gered. Haar vader, broers en zussen, en hun kinderen kwamen vrijwel allemaal om in Auschwitz. Een jongere neef van haar, David Levi (geb. in 1913), was op 13 april 1943 op transport gesteld maar overleefde als dwangarbeider Auschwitz. Hij keerde in 1945 terug naar Thessaloniki. Van de verwante familie moet ook een groot deel zijn omgekomen als de slachtoffers met de achternaam Levi in Monastir en Thessaloniki bekeken worden. Het opvallend hoge percentage slachtoffers in Thessaloniki kende verschillende oorzaken. Anders dan in bijvoorbeeld Athene (dat een kleine joodse gemeenschap had) was het lastig om onderduikplaatsen te vinden (zeker voor ouderen die de Griekse taal niet machtig waren) en was ook het ondergrondse verzet nog zeer klein in omvang. Opperrabijn Zvi Koretz liet het na om zich tegen de deportaties uit te spreken en gaf zelfs aan dat joden hun lot moesten ondergaan en er geen alternatief was. Joodse gezinnen wilden bovendien liever niet gescheiden van elkaar worden. Het lijkt er tot slot op dat de christelijke bevolking in Thessaloniki weinig solidariteit met haar joodse stadsgenoten toonde en de deportaties met lede ogen aanschouwde. Antisemitische sentimenten, maar ook angst voor represailles van de Nazi’s hebben hier ongetwijfeld aan bijgedragen. Behalve de vernietiging van de joodse gemeenschap in Thessaloniki, zorgde de Duitse bezetting ook voor de verwoesting van de eeuwenoude joodse begraafplaats en bijna alle synagogen in de stad. Zo kwam een definitief einde aan het Jeruzalem van de Balkan.

V.l.n.r.: Tamar Levi, Miryam Mizrachi en Nechama Sabach (drie generaties), ca. 1961.

Verder genealogisch onderzoek

Voor verder genealogisch onderzoek naar de familie Levi in Thessaloniki staat dit voorjaar een bezoek gepland aan het plaatselijke Joods Historisch Archief (JHA). Ook het gemeentelijke bevolkingsregister kan nieuwe feiten over de familieleden van Tamar Levi aan het licht brengen. Tot dusver heb ik mij gebaseerd op het vooronderzoek van het JHA en data van de volgende websites:

https://www.jewishgen.org/databases/all/

https://genealogy.org.il/AID/

https://collections.yadvashem.org/en/names

https://research.jmth.gr/

Bronvermelding

Aron Rodrique en Sarah Abrevaya Stein (red.), A Jewish Voice from Ottoman Salonica. The Ladino Memoir of Sa’adi Besalel a-Levi (Stanford, California, 2012). Vertaald uit het Ladino door Isaac Jerusalmi.

Sarah Abrevaya Stein, Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (New York, 2019).

Devin E. Naar, Jewish Salonica. Between the Ottoman Empire and Modern Greece (Stanford, California, 2016).

Devin E. Naar, ‘The “Mother of Israel” or the “Sephardi Metropolis”? Sephardim, Ashkenazim, and Romaniotes in Salonica’, Jewish Social Studies 22:1 (2016) pp. 81-129. Zie online: https://www.academia.edu/29799629/The_Mother_of_Israel_or_the_Sephardi_Metropolis_Sephardim_Ashkenazim_and_Romaniotes_in_Salonica (22-12-2025).

Devin E. Naar, ‘Jerusalem of the Balkans’, Jewish Review of Books 4:1 (2013) pp. 8-11. Zie online: https://jewishreviewofbooks.com/articles/134/jerusalem-of-the-balkans/# (22-12-2025).

Devin E. Naar, ‘Bushkando Muestros Nonos i Nonas: Family History Research on Sephardic Jewry Through the Ladino Language Archives of the Jewish Community of Salonika’, Avotaynu. The International Review of Jewish Genealogy 13:1 (2007) pp. 40-49. Zie online: https://avotaynuonline.com/2007/04/bushkando-muestros-nonos-i-nonas-family-history-research-on-sephardic-jewry-through-the-ladino-language-archives-of-the-jewish-community-of-salonika-by-devin-e-naar/ (22-12-2025).

Mark Mazower, Salonica, City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950 (Londen, New York, Toronto en Sydney, 2005).

Minna Rozen, ‘Money, Power, Politics, and the Great Salonika Fire of 1917’, Jewish Social Studies 22:2 (2017) pp. 74-115. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/project_muse_649093%20MONEY%20POWER%20POLITICS.pdf (22-12-2025).

Minna Rozen, ‘For the Sake of My Brothers. The Great Fire of Salonika and the Mobilisation of the Diaspora Jewry on Behalf of the Victims’, Αρχείων Ανάλεκτα:Περιοδική έκδοση μελέτης και έρευνας αρχείων (δεύτερη περίοδος) 2 (Thessaloniki, 2017), pp. 183-258. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/For%20the%20Sake%20of%20my%20Brothers.pdf (22-12-2025).

Minna Rozen, ‘Educating the Jewish Children of Salonika: Political and Socioeconomic Aspects, 1912–1941’, in: Dina Moustani (red.), Jewish Education in Southeastern Europe (Mid 19th-Mid 20th Century) (Volos, 2021) pp. 9-32. Zie online: https://www.academia.edu/59480289/Educating_the_Jewish_Children_of_Salonika_Political_and_Socioeconomic_Aspects_1912_1941 (22-12-2025).

Shlomo Alboher, The Jews of Monastir Macedonia. The Life and Times of the Departed Jewish Community of Bitola (Skopje, 2010). Vertaald uit het Hebreeuws door Eliezer E. Cohen. Zie online: https://monastir.org.il/wp-content/uploads/2022/11/40034999-The-Jews-of-Monastir-Macedonia.pdf (22-12-2025).

Zoran Gjorgiev, Remnants. Jewish Heritage in Monastir – Bitola (2023).

American Jewish Committee, ‘The Balkan Wars and the Jews’, American Jewish Year Book (1914) pp. 188-206. Zie online: https://exhibits.stanford.edu/bermanarchive/catalog/cj631fc5498 (22-12-2025).

Alliance Israelite Universelle, ‘City 2. Jewish demography and heritage’: https://www.bibliotheque-numerique-aiu.org/en/exhibitions-us/exhibitions/69-i-city-2-jewish-demography-and-heritage (22-12-2025).

Zeljka Oparnica, Sephardi politics in the Balkans, 1900–1940 (University of London, 2022). Zie online: https://jevrejskadigitalnabiblioteka.rs/bitstream/handle/123456789/2227/SephardiPoliticsInBalkans1900i1940OparicaOCR.pdf?sequence=1&isAllowed=y (22-12-2025).

Yad Vashem, ‘Transport from Thessaloniki to Auschwitz on 13/04/1943’: Transport from Thessaloniki,Thessaloniki,Macedonia,Greece to Auschwitz Birkenau,Extermination Camp,Poland on 13/04/1943 (22-12-2025).

Een verzwegen geschiedenis: dwangarbeid in Bremen

Tachtig jaar geleden eindigde de Tweede Wereldoorlog en daarmee kwam ook een einde aan de zeer omvangrijke dwangarbeid in Nazi-Duitsland. Ruim een half miljoen Nederlandse mannen in de leeftijd van 17 tot 40 jaar waren gedwongen om voor de Arbeitseinsatz in het Derde Rijk te werken. Waar de werving van arbeiders eerst nog een vrijwillig karakter had of beperkt was tot werklozen, veranderde dit vanaf 23 maart 1942 met de verandering van het Landoorlogreglement. Niet langer was het bij wet verboden om (gedwongen) arbeid te verrichten voor een vijandige mogendheid. Met de Holland Aktion I begon de Duitse bezetter in april 1942 met de werving van ca. 30.000 arbeiders voor de Duitse metaalindustrie. Mijn opa Adriaan Volgers (1922-1994) – die ik alleen als klein kind heb gekend – was als metaalarbeider vermoedelijk één van hen. Hij was slechts 19 jaar oud toen hij op 25 juni 1942 als dwangarbeider aan de slag ging voor het scheepsbouwbedrijf Aktien-Gesellschaft Weser (sinds 1926 onderdeel van de Deutschen Schiff- und Machinenbau, Deschimag) in Bremen. Er is slechts zeer weinig bekend over zijn tijd in Duitsland, zoals veel voormalige dwangarbeiders zweeg mijn opa over dit verleden. Niet alleen moest hij een oorlogstrauma verwerken, maar daarnaast werd in het naoorlogse Nederland de arbeidsinzet lang als vorm van collaboratie of zelfs landverraad gezien. Dit artikel schetst dan vooral ook de context van zijn tijd als dwangarbeider in Bremen maar roept ook nieuwe vragen op met betrekking tot zijn ervaringen, repatriatie naar Nederland en verwerking van de oorlog.

Registratiekaart Adriaan Volgers, Staatsarchiv Bremen.

Arbeitslager in Bremen

Bremen was vanwege de haven en de wapenindustrie een belangrijke bestemming voor dwangarbeiders uit verschillende bezette landen. Volgens het standaardwerk van Ben Sijes waren in augustus 1944 ruim 7200 Nederlanders tewerkgesteld in deze Noord-Duitse havenstad. In de Gemeinschaftslager der Deschimag/AG Weser bevonden zich tot 1945 meer dan 1200 dwangarbeiders. Uit de registratiekaart van mijn opa uit het Staatsarchief Bremen blijkt dat hij in Lager Tirpitz verbleef. ‘Tirpitz’ was een kazernecomplex gelegen aan de Schwarzer Weg 92 met een capaciteit van 660 mensen, waaronder 382 Nederlandse dwangarbeiders. Het complex was in drie blokken verdeeld voor Nederlanders en Belgen, Duitse vakmensen en de ziekenboeg, en de Hitlerjugend en Bund Deutsche Mädel (BDM). De eerste lichting van 140 Nederlanders was in juni en juli 1942 via Den Helder naar Tirpitz in Bremen gekomen. Omdat een deel van deze groep na het verlof met Kerst niet meer terugkeerde, werd het verlof voor nieuwe arbeiders afgeschaft, aldus Cees Ruijter (geb. in 1923). Ruijter was net als mijn opa werkzaam voor AG Weser en van zijn hand is een uitgebreid verslag opgetekend. Mijn opa raakte goed bevriend met andere Nederlanders in Tirpitz, zo hield hij met Johannes Jeths (1922-2010) zelfs na de oorlog nog contact.

Kaart met werkkampen rondom scheepsbouwbedrijf AG Weser in Bremen.

De overstap van het ouderlijk huis in het pittoreske Enkhuizen naar een werkkamp in een grote havenstad als Bremen (eind 1940 telde de stad 441.800 inwoners) moet groot geweest zijn voor mijn opa. Zo moesten de jonge arbeiders op eigen benen staan en deelden zij een slaapkamer met andere jongens. Ruijter schreef hierover: “Het was een hele omslag, vanuit een beschermde omgeving, uit het dorp en uit het gezin, opeens met twaalf jongens op een kamer. Vreemde taal, andere gewoontes. Geen radio, geen kranten. Jezelf verzorgen, zelf je was doen. Geen contact met ouders en familie. Alles was anders, zelfs het brood eten. Dat deed men daar vanaf een plankje, dat kenden we niet. Je broek persen gebeurde door deze onder het matras te leggen, maar het was een hele kunst dit goed te doen. Kleding wassen moesten we ook zelf doen, in het washok, maar zeep was altijd schaars. Scheermesjes ook; maar door de losse mesjes langs de binnenzijde van een glas te wrijven konden we ze enigszins slijpen en langer gebruiken.” Om 6:00u ’s ochtends werd men gewekt met een bons op de deur en een half uur later vertrok men al lopend naar de scheepswerf. Om 7:00u begon het werk. Werkdagen waren zo tot 17:00u en om 18:00u werd het avondeten geserveerd in de kantine van het kamp. De rest van de avond was vrij qua indeling en bewoners speelden dan spellen of er was muziek, zang of toneel. Voetbal was ook populair in Bremen. Er was een competitie van Nederlandse elftallen bestaande uit tewerkgestelden van de grote bedrijven.

Lager Tirpitz, werkkamp vlakbij de haven in Bremen.

Hoewel er dus ruimte was voor vertier, maakten veel dwangarbeiders een zware periode door met lange werkdagen, een strakke discipline en op de achtergrond het oorlogsgeweld dat Bremen ook in toenemende mate zou teisteren door geallieerde bombardementen. De langdurige afzondering van familie en vrienden moet tevens zeer moeilijk zijn geweest. Onbekend is of mijn opa tussentijds verlof heeft gekregen. Van mijn oma Roelina Buiten (1924-1965), met wie opa een jaar na de oorlog zou trouwen, is één brief bewaard gebleven. Roelina verbleef tijdens de oorlog tijdelijk bij haar aanstaande schoonfamilie op Terschelling. Gerrit Volgers (1910-1974), de broer van mijn opa Adriaan, was in 1933 naar dit mooie Waddeneiland verhuisd en zijn vrouw Bartje Boer (1906-1978) was erg ziek, ze had een nierbekontsteking. Roelina hielp waarschijnlijk in het huishouden en met de verzorging van haar. Op 30 mei 1943 schreef Roelina aan mijn overgrootoma Johanna van Sluijs (1884-1986) in Enkhuizen dat ze hoopte om Adriaan die vrijdag in Leeuwarden te ontmoeten, maar dat ze de kans klein achtte. Ook vroeg ze of zij nog brieven van Adriaan had ontvangen. Het lijkt erop dat in de jaren 1942-1944 die Adriaan in Bremen werkte het contact tussen mijn grootouders en hun familie waarschijnlijk vooral beperkt is gebleven tot enig briefverkeer. Roelina schreef in dezelfde brief aan Johanna dat er donderdag- en vrijdagnacht vreselijk was geschoten maar de rust was teruggekeerd. Terschelling lag op de route voor geallieerde vliegtuigen van o.a. de Britse Royal Air Force (RAF) die onderweg waren naar Nazi-Duitsland en herhaaldelijk vonden dan ook beschietingen plaats. Het luchtafweergeschut en de Duitse jagers vormden een geducht gevaar voor geallieerde vliegtuigen boven de Noordzee en Waddenzee. Twaalf geallieerde vliegtuigen stortten zelfs op Terschelling neer.

Brief van Roelina Buiten aan familie Volgers in Enkhuizen, 30 mei 1943.

Dwangarbeid voor AG Weser

Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog behoorde de scheepswerf van AG Weser al tot het grootste bedrijf in Bremen met meer dan 12.000 werknemers in dienst. Gedurende de oorlog breidde het scheepsbouwbedrijf verder uit, in 1943 was een vijfde van de 20.000 werknemers ingezet als dwangarbeider of krijgsgevangene. De voornaamste taak van AG Weser was de productie van onderzeeboten of de zogeheten U-Boote. In de Eerste Wereldoorlog had AG Weser al 77 onderzeeboten voor de Reichsmarine gebouwd, maar na het Verdrag van Versailles was de productie verboden voor de Weimarrepubliek. Na de machtsovername van Adolf Hitler begon het Nazi-regime met het zogeheten ‘Z-Plan’ met een grootschalige uitbreiding van de Kriegsmarine en werd de productie van onderzeeboten hervat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceerde AG Weser 146 onderzeeboten, hoofdzakelijk van het type IX en XXI. Type IX was sinds 1935 in productie en geschikt voor lange afstandsoperaties, bijvoorbeeld voor patrouille langs de Amerikaanse oostkust. De eerste onderzeeboot van type XXI was pas op 19 april 1944 gereed, een dag voor de verjaardag van Hitler. Met meerdere batterijen aan boord was type XXI in staat om voor langere tijd onderwater te varen vergeleken met haar voorgangers. Veel invloed op het verloop van de oorlog had deze moderne onderzeeboot echter niet. Slechts twee van de tachtig XXI U-Boote, die eind 1944 gebouwd waren, konden daadwerkelijk in gebruik genomen worden voor patrouille (zij hebben overigens geen enkel vijandelijk schip tot zinken gebracht). Dit kwam door de haast waarmee dit nieuwe type werd geproduceerd, wat leidde tot vele mankementen met bijvoorbeeld de dieselmotoren en het torpedosysteem. Ook de vele geallieerde luchtbombardementen verwoestten de onderzeeboten op de scheepshellingen. De Amerikaanse maritiem historicus Marcus O. Jones stelt dat het project van type XXI gezien de enorme hoeveelheid investeringen, mankracht en staal (die ook voor de productie van duizenden tanks had kunnen worden gebruikt) de Duitse nederlaag aan het Oostfront mogelijk heeft bespoedigd. Dat laatste is wellicht een schrale troost voor de dwangarbeiders die meehielpen aan de constructie van deze onderzeeboten. Maar waar bestond het werk bij AG Weser uit en hoe was de behandeling van de dwangarbeiders?

Constructie van Duitse onderzeeboten op scheepswerf van AG Weser, 1945.

In opdracht van Albert Speer nam ingenieur Otto Merker de leiding over de scheepsbouw. Met zijn ervaring in de auto-industrie introduceerde Merker het plan van sectiebouw voor onderzeeboten. Zo konden veel werknemers tegelijkertijd werken aan verschillende secties, waarvan de ruwbouw elders plaatsvond, en daar de benodigde apparatuur en onderdelen plaatsen. De rivier de Weser was de aanvoerroute voor de verschillende secties van de onderzeeboten en de assemblage vond vervolgens op de scheepswerf van AG Weser plaats. Om bestand te zijn tegen mogelijke luchtbombardementen werden voor de reparatie en assemblage van onderzeeboten enkele bunkerwerven gebouwd. Zo vond onder leiding van het bedrijf Bremer Vulkan de montage van nieuwe onderzeeërs in de gigantische ‘Valentin’-bunker in Bremen-Farge plaats met afmetingen van ca. 450 bij 100m en een betonnen dak van zeven meter dik. Acht sectiedelen werden daar op een soort lopende band in elkaar gezet. Een aparte bunker met de codenaam ‘Hornisse’ op dok Kap Horn (360 bij 60m) was in aanbouw waar drie secties van het type XXI gebouwd zouden worden, de overige secties zouden worden gemaakt in Wilhelmshaven en Hamburg. Volgens de plannen van augustus 1944 moesten elke maand 14 exemplaren van de secties 3, 5 en 6 van het type XXI worden geproduceerd. De sectiedelen werden met speciale aanvoerwerken met kranen naar de bunker getransporteerd.

Voor vaklieden als mijn opa was er genoeg werk voor handen op de scheepswerf, vaak in natte en koude omstandigheden en niet zonder gevaar daar veel werk aanvankelijk gewoon in de openlucht plaatsvond en de persoonlijke bescherming beperkt was. Werkzaamheden bestonden bijvoorbeeld uit het lassen en controleren van lasnaden, werk in de gieterij of zinkerij, en het plaatsen of rondbrengen van bepaalde halffabrikaten, apparatuur en andere onderdelen. Bij aankomst op de werf van AG Weser moesten dwangarbeiders een penning afgeven met het vaklettertype en de kleur van hun nationaliteit en kreeg men een stempelkaart om deze bij de tijdsklok te laten stempelen. Werk vond in bepaalde ploegendiensten plaats en waarschijnlijk werkten Nederlandse dwangarbeiders zij aan zij met Russische, Poolse, Tsjechische, Belgische en Franse dwangarbeiders. Communicatie zal best lastig zijn geweest al zal in veel gevallen Duits zijn gesproken op de werkvloer.

Volgens een decreet van 14 januari 1941 zou onderscheid gemaakt worden tussen ‘Germaanse’ arbeiders (bv. uit Nederland en Vlaanderen) en fremdvölkische arbeiders (uit Oost-Europa, Frankrijk, Italië en Wallonië) wat idealiter leidde tot aparte huisvesting en zwaardere straffen voor ‘niet-Germaanse’ arbeiders voor vergelijkbare vergrijpen. In de praktijk moesten Nederlandse arbeiders zich net zo goed aan de strakke regels houden. Van mijn opa is bekend dat hij en vrienden van hem ondervraagd zijn door de Gestapo, de reden daarvan is niet duidelijk en evenmin de gevolgen. Een zeer tragisch geval betrof de executie van Homme Hoekstra, ook een bewoner in Tirpitz en als arbeider verantwoordelijk voor de verwijdering van metaalspanen. Een collega beschuldigde Hoekstra bij de Sicherheitsbeauftragte op de werf ervan dat hij had gezegd dat Duitsland de oorlog niet kon winnen. Op 10 januari 1944 werd hij op de werf gearresteerd en na een strafproces vijf maanden later op 26 juni 1944 met de guillotine vermoord. Dit incident illustreert dat een beschuldiging of misdraging in de ogen van de Nazi’s fataal kon zijn. Tegenwoordig bevindt zich een monument ter herinnering aan Hoekstra op de locatie van het voormalige kamp Tirpitz. Mijn opa moet vast erg geschrokken zijn van dit incident dat bij de dwangarbeiders vast veel heeft losgemaakt en de nodige angst heeft ingeboezemd.

Bombardementen op Bremen en terugkeer naar Nederland

Luchtbombardement op Bremen, 25 juni 1942. In het midden is een enorme bunker aan de Zwinglistraße zichtbaar, waar 5.000 tot 10.000 mensen konden schuilen.

Gezien het belang van Bremen voor de Duitse oorlogsindustrie was de stad een frequent doelwit van luchtaanvallen van de geallieerden tijdens de oorlog. Op de dag van aanmelding van mijn opa bij AG Weser was het stadscentrum en de haven van Bremen getroffen door een thousand bomber-raid van de RAF. Bijna 700 Britse bommenwerpers wierpen hun lading af boven de stad, waarbij 20 Blenheims het ook op de scheepswerf van AG Weser hadden gemunt. De ravage in de stad was enorm. Gedurende de oorlog kwamen door luchtaanvallen in totaal 3850 burgers om, inclusief dwangarbeiders. Ook Nederlandse arbeiders kwamen om bij bombardementen, zoals op 8 oktober 1943 toen een dok werd getroffen. Twee Nederlanders, genaamd Joop de Werker en Jan Nieuwenhuizen (allebei uit Den Helder afkomstig), sneuvelden en werden een week later begraven. Al aan het begin van de oorlog lagen plannen op tafel voor de bouw van schuilkelders, maar de uitvoering daarvan verliep traag (mede door de voorrang die werd verleend aan de constructie van de scheepswerfbunkers). Eind 1944 telde de stad 131 schuilkelders die bestand waren tegen luchtbombardementen. Autoriteiten in Bremen besteedden geen aandacht aan camouflage van de bovengrondse schuilkelders (zogenoemde Hochbunker), die door dwangarbeiders werden gebouwd. Tegen het einde van de oorlog maakten zo’n 200.000 inwoners gebruik van de schuilkelders, destijds was dat tweederde van de bevolking. Voor dwangarbeiders was het werk in de haven allerminst veilig. Mijn opa heeft de bombardementen als traumatisch ervaren en ook enkele vrienden verloren. Werk op de scheepswerven ging bij een luchtalarm in de stad dikwijls door en als het alarm op de werf afging was het voor arbeiders vaak te laat om naar de bunker te gaan.

Repatriatiekaart van Adriaan Volgers, Archief Nederlandse Rode Kruis (NRK).

Op 29 juli 1944 vond een langverwachte luchtaanval van de RAF plaats op de scheepswerf van AG Weser. Bij deze aanval werden verschillende torpedo- en onderzeeboten ernstig beschadigd en een in aanbouw zijnde Zerstörer Z44 tot zinken gebracht. Erger was dat 160 mensen in een bunker omkwamen tijdens het bombardement. De schade en chaos moeten groot zijn geweest. De volgende dag was het puinruimen voor de dwangarbeiders. Mijn inmiddels overleden oom Bert Volgers (1947-2022) vertelde enkele jaren geleden dat mijn opa (en zijn vader) na een groot bombardement op de scheepswerf in 1944 was gevlucht. Mogelijk was dat na dit bombardement. Met hulp van communisten uit een naburig dorp zou hij uiteindelijk zijn teruggekeerd naar Nederland en enige tijd bij een familie op een boerderij in het Brabantse Hooge Mierde zijn verbleven. Als dit verhaal klopt moet dat een helse tocht voor hem zijn geweest dwars door Nazi-Duitsland dat na D-Day en Operatie Market Garden in rap tempo terrein verloor in de bezette landen. Delen van Noord-Brabant en Gelderland waren in september 1944 bevrijd door de geallieerden, maar de rest van Nederland nog niet. Volgens de repatriatiekaart van het Nederlandse Rode Kruis is mijn opa in 1945 (wellicht na de bevrijding) in Workum geregistreerd. Vermoedelijk heeft hij daar de boot naar Enkhuizen gepakt en is toen na twee jaar dwangarbeid in Duitsland (en mogelijk een verblijf van enige maanden in Hooge Mierde) eindelijk teruggekeerd bij zijn familie in Enkhuizen. Zijn terugkeer betekende ook een hereniging met zijn geliefde Roelina, met wie hij op 23-jarige leeftijd op 28 januari 1946 trouwde.

Trouwfoto Adriaan Volgers en Roelina Buiten, 28-1-1946

Bronvermelding

Archiefmateriaal

Brief Roelina Buiten aan Johanna van Sluijs, 30 mei 1943, familiearchief Volgers.

Repatriatiekaart Adriaan Volgers, Archief Nederlandse Rode Kruis (2.19.323), Nationaal Archief in Den Haag.

Archiefstukken m.b.t. dwangarbeid van Nederlanders in Bremen, Archief Nederlandse Rode Kruis (2.19.323, inv. nr. 857), Nationaal Archief in Den Haag. Toegankelijk via: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.19.323/invnr/857/file/NL-HaNA_2.19.323_857_0001 (30-4-2025).

Civil Registration Card Adriaan Volgers, Staatsarchief Bremen (EMK StAB 4,82/1 – 1-2234-321). Via de Arolsen Archives zijn archiefstukken van dwangarbeiders ook vindbaar: https://collections.arolsen-archives.org/en/archive/7-5-18_10000338 (30-4-2025).

Helaas heb ik tot op heden geen egodocumenten van Adriaan Volgers gevonden die meer inzicht geven in zijn tijd in Duitsland tijdens de oorlog. De meeste gegevens in dit artikel zijn dan ook ontleend aan herinneringen van mijn moeder en oom. Tijdens hun jeugd hebben ze de familie in Hooge Mierde, die mijn opa onderdak bood, nog verschillende keren opgezocht.

Boeken en artikelen

Marloes van Westrienen, Arbeiders. Nederlandse jongens tewerkgesteld in het Derde Rijk (Amsterdam/Antwerpen, 2008).

Eike Hemmer en Robert Milbradt, Bunker “Hornisse”. KZ-Häftlinge in Bremen und die U-Boot-Werft der “AG Weser” 1944/45 (Bremen, 2005).

Karel Volder, Werken in Duitsland, 1940-1945 (Amsterdam, 1995).

Diethelm Knauf en Helga Schröder (red.), Fremde in Bremen. Auswanderer, Zuwanderer, Zwangsarbeiter (Bremen, 1993).

Benjamin Aäron Sijes, Arbeidsinzet. De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945 (Den Haag, 1990).

Marcus Meyer, ‘When Fascination Obscures Faith. Narratives of Technology vs. Forced Labor at the Bunker “Valentin”’, Journal of Educational Media, Memory, and Society 14:1 (2022) 128-49.

Marc Buggeln en Inge Marszolek, ‘Concrete Memory. The Struggle over Air-Raid and Submarine Shelters in Bremen after 1945’, in: Gavriel D. Rosenfeld en Paul B. Jaskot (red.), Beyond Berlin: Twelve German Cities Confront the Nazi Past (Ann Arbor, 2008) 185-208.

Websites

Stamboom familie Volgers: https://genealogie-van-der-beek.jouwweb.nl/kwartierstaat-adriana-jenny-volgers (30-4-2025).

Ooggetuigenverslag Cees Ruijter (2013): https://www.tracesofwar.nl/articles/6371/Cees-Ruijter-tewerkgesteld-op-de-AG-Weser-werf.htm (30-4-2025).

U-Boot Bunker Hornisse: U-Boot Bunker Hornisse – Bremen – TracesOfWar.nl (30-4-2025).

Audiowalk Ein KZ für die Werft. Die Geschichte des KZ-Außenlagers „Schützenhof“ (2018): https://einkzfuerdiewerft.wordpress.com/audiowalk/ (30-4-2025).

Homme Hoekstra (2011): https://www.spurensuche-bremen.de/spur/homme-hoekstra/ (30-4-2025).

Bunker Hornisse, Die Arbeitslager: https://bunker-hornisse.jimdofree.com/die-arbeitslager/ (30-4-2025).

Peter Müller, Die A.G. “Weser” in Bremen (2008): A.G. Weser Bremen 1843-1983 (archive.org) (30-4-2025).

Wikipedia, Deutsche Schiff- und Maschinenbau AG: https://nl.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Schiff-_und_Maschinenbau_AG (30-4-2025).

Wikipedia, AG Weser: https://de.wikipedia.org/wiki/AG_Weser (30-4-2025).

Wikipedia, Type XXI submarine: https://en.wikipedia.org/wiki/Type_XXI_submarine (30-4-2025).

Podcast ‘Gedwongen tewerkgesteld’ (2021): https://podcastluisteren.nl/pod/Gedwongen-tewerkgesteld-in-Duitsland (30-4-2025).

Terschelling in de oorlogsjaren: https://www.atlantikwall-wadden.nl/nl/bezoek/terschelling/terschelling-in-de-oorlogsjaren#:~:text=In%20de%20ochtend%20van%2011,Duitsers%20op%20het%20ge%C3%AFsoleerde%20Waddeneiland. (30-4-2025).

Neergeschoten vliegtuigen: http://atlantikwall-wadden.nl/nl/verhalen/de-luchtoorlog/neergeschoten-vliegtuigen (30-4-2025).

Het verhaal achter de D-Day-vlag

Twee jaar geleden was het groot nieuws: de terugkeer van de D-Day-vlag naar de Verenigde Staten. Tijdens een speciale ceremonie in het Witte Huis overhandigde Bert Kreuk deze Amerikaanse vlag op 18 juli 2019 aan toenmalig president Donald Trump uit dank voor de bevrijding van Nederland. De vlag wapperde op de achtersteven van de LCC 60, de Landing Craft Control, die als taak had om tijdens de invasie van Normandië de eerste duizenden soldaten en militaire voertuigen veilig aan wal van Utah Beach te brengen. Howard Vander Beek (1917-2014), een ver familielid en zoon van Nederlandse migranten, had de leiding over de LCC 60 en slaagde met zijn bemanning in deze uiterst gevaarlijke doch zo belangrijke missie. In deze blog vertel ik het verhaal achter de D-Day-vlag.

Correspondentie met een ver familielid

In augustus 1999 zocht mijn vader Gerrit contact met Howard. Uit zijn genealogisch onderzoek bleek dat wij een gemeenschappelijke voorvader, Herman Abramse van der Beek (omstreeks 1630 geboren in Babyloniënbroek in Brabant), hebben. Bijna anderhalf jaar schreven Gerrit en Howard geregeld e-mails naar elkaar en Howard stuurde ons destijds ook een exemplaar van zijn boek Aboard the LCC 60. Normandy and Southern France, 1944. In dit boek schreef hij over zijn ervaringen in de Amerikaanse marine en deelname aan de amfibische operaties in Sicilië, Normandië en Zuid-Frankrijk tijdens de Tweede Wereldoorlog. Na de oorlog pakte hij zijn werk als docent Engels weer op; “VeeBees seem to become teachers” zo schreef hij treffend. En inderdaad, Howard en zijn beide zoons en mijn vader, mijn oudste zus en ik zijn of waren allemaal docent. Howard ging in 1983 met pensioen. De oorlog kwam niet echt aan bod in de correspondentie. Wel noemde Howard dat zijn hoogtepunten in het millennium een reünie met veteranen van de LCC in Las Vegas en de opening van het National D-Day Museum in New Orleans waren. Pas jaren later toen ik de D-Day-vlag met eigen ogen kon aanschouwen in de Kunsthal in Rotterdam leerde ik het verhaal achter dit unieke linnen doek met 48 sterren en 13 rood-witte strepen kennen.

Brochure van de Dutch-American Land and Immigration Company, uitgegeven in Utrecht
Voorzieningen in Alamosa, 1882

Emigratie naar de Verenigde Staten

Hoe raakt een Van der Beek verzeild in Amerika? De grootvader van Howard, Jan van der Beek emigreerde in 1892 samen met zijn vrouw Helena de Pender en negen kinderen naar het land der onbegrensde mogelijkheden. Ondanks de romantische vooruitzichten in de brochure van de Immigration Company die zij ongetwijfeld gelezen hadden, zou dit jonge echtpaar een ongewisse toekomst tegemoet gaan aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. De brochure maakte reclame voor emigratie van boeren en arbeiders naar de San Luis Valley in Colorado, beschreven als het “Italië van Noord-Amerika”. Jan had geen ervaring als boer maar waagde zich toch aan deze oversteek. Maar liefst 28 gezinnen, waaronder Jan, Helena en hun kinderen, stapten op 12 november 1892 in Amsterdam aan boord van het stoomschip de S.S. Dubbeldam van de welbekende Holland-Amerikalijn. Ze waren vrijwel allemaal gereformeerd christelijk en traden vermoedelijk met de Statenbijbel op zak in de voetsporen van de Pilgrim Fathers.

Precies twee weken later arriveerde de familie Van der Beek op Ellis Island, de Amerikaanse grenspost voor immigranten, voor de kust van New York. In Hoboken stapten zij samen met de andere gezinnen op de trein naar Alamosa, een lange reis die nog eens vijf dagen duurde. Ze konden rekenen op een hartelijk welkom van de burgemeester en lokale bevolking van het plaatsje dat slechts 1000 inwoners telde. Uitgerust op klompen zongen de Nederlanders het Wilhelmus, maar de feestelijke stemming was van korte duur. Al snel bleek dat de Immigration Company haar beloftes niet kon waarmaken en nauwelijks voorbereidingen had getroffen voor de gezinnen. Zo had het bedrijf officieel nog geen landbouwgrond in bezit voor verkoop en was er geen goede huisvesting beschikbaar. In de heuvelachtige vallei was veel gebied onontgonnen of nauwelijks bruikbaar en met het korte oogstseizoen en de ijskoude nachten en winters waren de omstandigheden voor landbouw allesbehalve gunstig.

De migranten voelden zich misleid door de Immigration Company en The Denver Republican schreef in december 1892 over de Alamosa-affaire als “The Boldest of Swindles”. Nog rampzaliger was de spoedige uitbraak van besmettelijke ziektes, zoals roodvonk en difterie, onder de kinderen. Het drie jaar oude zoontje van Jan en Helena bezweek vermoedelijk aan één van deze ziektes. De familie Van der Beek zou uiteindelijk met hulp van de plaatselijke gereformeerde kerk naar Pella in Iowa verhuizen, bijna 1000 mijl oostwaarts, en daar een nieuw boerenbestaan opbouwen. Howard schreef dat zijn vader Teunis zijn leven lang een hardwerkende boer in Iowa was geweest. Tijdens de Grote Depressie raakte hij alles kwijt, toen Howard nog een jonge tiener was.

Landing Craft Control (LCC)

Howard Vander Beek kiest voor de U.S. Navy

Howard werd geboren op 8 juni 1917 op een boerderij in Oskaloosa, Iowa. Zijn moeder overleed toen hij slechts vier jaar oud was. Het gezin had het mede door de economische crisis niet breed. Na zijn eindexamen ging Howard Engels studeren aan de University of Iowa; dit was enkel mogelijk voor hem door elke beschikbare bijbaan te accepteren. Na de afronding van zijn bachelor begon hij als docent Engels in Lexington, Nebraska, en later in Galesburg, Illinois. Na de aanval op Pearl Harbor op 8 december 1941 stond Howard voor de keus om te wachten op een oproep voor het leger of zichzelf aan te melden als vrijwilliger. Hij koos voor het laatste zodat hij zelf kon besluiten om in de US Navy te dienen.

Als marinier in spe onderging hij een pittige opleiding om zoals hij schreef een “ninety-day wonder” te worden. Hij herinnerde zich de zware fysieke trainingen ’s nachts op de oceaan en man-tegen-mangevechten. Op 16 mei 1943 was Howard klaar om uitgezonden te worden. Aan boord van de U.S.S. Neville kwam hij erachter dat de bestemming Algerije was, waar de Amerikaanse marine zich voorbereidde op de invasie van Sicilië die op 10 juli begon. Sicilië was zijn eerste amfibische operatie. Twaalf dagen later keerde Howard met de Neville veilig terug naar Amerika, met aan boord POW’s van het Afrika Korps van Generaal Rommel. De Duitse oorlogsgevangenen zouden bij aankomst verbaasd zijn geweest dat New York met al haar wolkenkrabbers nog intact was, omdat de Nazipropaganda hen had wijs gemaakt dat de stad door de Luftwaffe en Duitse marine verwoest was.

Bemanning van de LCC 60. Staand (v.l.n.r.): Howard Vander Beek, Thomas Williams, Wilford Yokum, Ralph Crosden, Joseph St. Germaine, Sims Gauthier en James Hopfensberger. Zittend: Joseph Tarnowski, Sophos Lolos, Joseph Rafaniello en Robert Spencer.

De LCC 60 en haar bemanning

Na een maand verlof verliet Howard zijn familie en vrienden in Iowa voor een nieuwe grote missie. Erg blij was hij niet met het nieuws dat zijn “amphibious duty” een vervolg kreeg. In Florida, waar de Naval Amphibious Base in Fort Pierce was gevestigd, ontmoette Howard zijn grote liefde en toekomstige vrouw Grace Alena Taylor tijdens de eerste kerkdienst die hij daar bijwoonde. Ondanks het grote verlangen naar een normaal burgerlijk leven, werd de jonge Howard klaargestoomd als commandant van de Landing Craft Control. In aanloop naar de grootste amfibische operatie uit de geschiedenis kreeg de US Navy de beschikking over dit kleine maritieme voertuig. De LCC’s waren stalen boten, slechts 17 meter lang, met alle benodigde apparatuur aan boord. Op die manier zouden zij tijdens de invasie zeemijnen en andere versperringen en obstakels voor de Normandische kusten tijdig kunnen detecteren en de honderden militaire schepen in hun kielzog kunnen instrueren over de meest veilige route naar de aangewezen landingsplaatsen. Tijdens de vele oefeningen en simulaties voor de kust van Engeland in de weken voorafgaand aan D-Day leerde Howard alles over de LCC.

Maar weinig mensen wisten destijds af van het bestaan van de LCC, haar functies en doeleinden moesten natuurlijk geheim blijven voor de buitenwereld. Alleen dat zou niet lukken. Op een zaterdagavond in mei 1944 toen Howard en zijn kameraden in de Zuid-Engelse havenstad Plymouth naar de radio luisterden, schrokken zij zich letterlijk een hoedje. Ze luisterden toen graag naar Axis Sally, de bijnaam van een controversiële Amerikaanse radiopresentatrice, die zij amusant vonden vanwege haar sterk overdreven Nazipropaganda. Vrij plotseling richtte ze zich na een liedje tot Howard en zijn secundant Sims Gauthier met woorden als “You are sitting there thinking that you will soon be in on an invasion of this mighty continent. Your stupid leaders are making plans to sacrifice your lives to do it. They really know that no one can invade Europe. (..) Dear boys, don’t be foolish. Go back to your loved ones in the United States while you still can. Otherwise, you will never see them again.” Vervolgens beschreef ze in detail waar de LCC voor diende en wat hun laatste activiteiten waren geweest. Howard vroeg zich af hoe zij dit allemaal kon weten. Wat bleek, enkele bemanningsleden hadden die middag een vriendelijk oud Brits echtpaar gesproken, die als Nazispionnen de informatie hadden doorgespeeld voor Sally’s radio-uitzending. Voor even zonk Howard de moed in zijn schoenen (wellicht net Sally’s bedoeling), maar opgeven was geen optie. De toekomst van Europa en de wereld stond op het spel.

Landing op Utah Beach, 6 juni 1944

De herder van Utah Beach

De spanning nam logischerwijs toe naarmate D-Day dichterbij kwam. Howard en zijn bemanning probeerden zoveel mogelijk te weten te komen over de aanstaande invasie en bestudeerden luchtverkenningsfoto’s van Green Tare Sector, de beoogde landingsplaats op Utah Beach, de codenaam voor het meest westelijk gelegen strand in Normandië. Alles wees erop dat de LCC 60 hier de leiding zou nemen. De precieze datum voor D-Day bleef volstrekt geheim. De Amerikaanse en Britse soldaten en mariniers werden ondergebracht in afgesloten kazernes en barakken, alleen voor de hoge pieten ging de deur nog open. Op 3 juni mocht Howard zijn kwartier in Dartmouth verlaten en werd hij met zijn compagnons direct naar de LCC 60 meegenomen. Om 16:00 uur kreeg de LCC 60 het teken om te vertrekken. De tocht over het Kanaal bedroeg ruim honderd zeemijl en om de volgende ochtend vooraan de grote armada van 865 schepen de kust van Normandië te naderen vertrok de LCC 60 als één van de eersten. Twaalf konvooien van schepen zouden uit Belfast en havensteden in Zuid-Engeland vertrekken. De weersomstandigheden waren in twintig jaar echter niet zo slecht geweest en zorgden voor grote golven en zeer beperkt zicht. Generaal Eisenhower besloot daarom dat de invasie met 24 uur moest worden uitgesteld. Met tegenzin keerde Howard terug naar Engeland, wachtend op beter weer.

Veel beter zou het weer op het Kanaal niet worden, maar voor het behoud van het verrassingseffect besloot Eisenhower dat H-Hour op 6 juni 1944 om 6:30 uur bij laag getijde zou zijn. Van de uren voorafgaand aan H-Hour kon Howard zich weinig herinneren, er gebeurde simpelweg teveel zo snel om goed te kunnen bevatten. Rond half vier ’s ochtends bereikte de LCC 60 de Utah Transport Area, niet ver van de Franse kust. Gevreesd was Rommels ‘Death Zone‘ vol zeemijnen en versperringen voor de kust. Vanuit de bunkers van de Atlantik Wall zou de artillerie van de Duitse Wehrmacht bovendien het vuur openen zodra de geallieerde schepen in zicht kwamen. Howard had door de dichte mist geen zicht op de P.C. 1176 en LCC 80 links van hem, de controleboten voor Uncle Red Beach. Waar de P.C. 1176 als primary control vessel op een zeemijn liep, was de LCC 80 een korte tijd later onbestuurbaar geworden door een boeilijn in de schroef. Voor de LCC 60 zat er niks anders op dan de taken voor Red Beach, naast de verantwoordelijkheid voor Green Tare Sector, over te nemen. Vlak na zonsopkomst, even voor 6:00 uur, keek Howard achterom en zag daar naar eigen zeggen “the greatest armada the world had ever known, the greatest it would ever know.”

Het landingsplan leek niettemin gedoemd om te mislukken. Door de uitschakeling van de controleboten en het gebrek aan zicht door het opgetrokken rookgordijn was navigeren buitengewoon lastig. Wonderbaarlijk genoeg slaagde de LCC 60 erin om deze enorme vloot van schepen vol dappere soldaten veilig naar het strand te loodsen. De landing vond uiteindelijk plaats op Victor Sector, zo’n 1800 meter ten oosten van de geplande landingsplaats, maar dat was gunstig omdat zich daar minder versperringen en bunkers met Duits kanonvuur bevonden. De landing op Utah Beach tijdens D-Day was gezien het relatief kleine aantal slachtoffers uiteindelijk het meest succesvol in vergelijking met de andere Normandische stranden. Ruim 20.000 soldaten en 1700 voertuigen waren klaar om met de bevrijding van bezet Europa te beginnen. Saint-Mère-Eglise was het eerste Franse dorpje dat werd bevrijd door de Amerikaanse paratroepers, die achter de Duitse verdedigingslinie waren gedropt. Howard nam met zijn makkers een kijkje in het dorp dat uitzinnig van vreugde was. De Franse inwoners verwelkomden de Amerikanen met knuffels, kussen en bloemen. Een lange weg naar de bevrijding zou nog volgen, maar dit was het verhaal van de D-Day-vlag.

Statistieken van de landing op Utah Beach

Bronnen

Howard Vander Beek, Aboard the LCC 60. Normandy and Southern France, 1944 (Cedar Falls, Iowa, 1995).

Bernard Krikke en Anton Slotboom, ‘Voor de ogen van de wereld. De terugkeer van de D-Day-vlag’, Kleio 2 (maart 2021) 38-41.

Smithsonian Institute, ’48 star US National Flag, used at D-Day, Utah Beach’ (8-5-2021): https://www.si.edu/object/48-star-us-national-flag-used-d-day-utah-beach%3Anmah_1937342

Peter de Klerk, ‘The Alamosa Disaster: The Boldest of Swindles’, Origins 4:1 (1986) 22-26. Online toegankelijk via: https://www.calvin.edu/hh/origins/Spring86.pdf

Peter De Klerk, ‘Dutch Settlement In Crook, Colorado in 1893’, Dutch Chicago Conference of the Advancement of Dutch American Studies (Palos Heights, Illinois, 1987) 1-21. Online toegankelijk via: https://dutchamericans.files.wordpress.com/2017/01/1987_3_deklerk.pdf

Roots and Grafts, ‘Gunst Family in Colorado’ (21-10-2014): https://rootsandgrafts.wordpress.com/2014/10/21/gunst-family-in-alamosa-colorado-part-1/

Giles Milton (podcast), ‘What happened on the eve of D-Day?’ (13-2-2019): https://www.quickanddirtytips.com/education/history/what-happened-on-the-eve-of-d-day?page=1

Frank Blazich en Jennifer Jones, ‘The Shepherd of Utah Beach’, National Museum of American History (18-7-2019): https://americanhistory.si.edu/blog/dday

RTL Nieuws, ‘Kunstverzamelaar Kreuk overhandigt historische D-Day-vlag aan Trump’ (18-7-2019): https://www.rtlnieuws.nl/nieuws/buitenland/artikel/4785561/kunstverzamelaar-kreuk-overhandigt-d-day-vlag-aan-trump

The Statue of Liberty – Ellis Island Foundation, ‘Ship Manifest and List of Passengers Dubbeldam’ (8-5-2021): https://heritage.statueofliberty.org/ship-details/czo5OiJEdWJiZWxkYW0iOw==/czoxMDoiMTg5Mi0xMS0yNiI7/czo4OiJtYW5pZmVzdCI7/czowOiIiOw==/czozOiIyNzAiOw==

Brittanica, ‘Utah Beach’ (8-5-2021): https://www.britannica.com/place/Utah-Beach

Verwantschap met Herman Abramse van der Beek (~1630-1705) en Howard Vander Beek, zie VIII-y en IX-u (4-8-2023): https://genealogie-van-der-beek.jouwweb.nl/genealogie-herman-abramse-van-der-beek

Correspondentie tussen Gerrit van der Beek en Howard Vander Beek, 1999-2000.

In gesprek met ooggetuigen van de oorlog

2020 was het jaar van 75 jaar vrijheid, maar helaas ook van de uitbraak van de COVID-19-pandemie. Nog onwetend dat de Coronacrisis ook Nederland voor langere tijd in de greep zou houden, begon ik in januari vorig jaar met een project mondelinge geschiedenis over de Tweede Wereldoorlog. Leerlingen moesten een ooggetuige uit de omgeving Gouda interviewen en daar een essay over schrijven. In deze bijdrage vertel ik over de opbrengsten van dit project en over het nut van mondelinge geschiedenis als onderzoeksmethode in het onderwijs.

Opzet van het project

Eind 2019 ontmoette ik Margreet Hendrikse, een vrijwilliger van Libertum, het voormalige Verzetsmuseum van Zuid-Holland. Al enkele jaren helpt zij middelbare scholen in Gouda met het regelen van gastsprekers en interviews met ooggetuigen die de Tweede Wereldoorlog hebben meegemaakt. Ik leerde Margreet kennen als een zeer bevlogen persoon en gezien onze gedeelde interesse voor het oorlogsverleden klikte het al snel. Als docent Geschiedenis had ik wel oren naar een project mondelinge geschiedenis (ofwel oral history) met mijn derde klassen tweetalig onderwijs op het Antoniuscollege Gouda. Waar schoolboeken zich vaak richten op de grote historische gebeurtenissen, kan mondelinge geschiedenis juist de persoonlijke verhalen de klas in brengen. De ooggetuigen – veelal tachtigers – zouden hen een inkijkje kunnen geven in hun dagelijkse leven tijdens de oorlog die zij als kind hadden meegemaakt. Samen met Margreet organiseerde ik na de Kerstvakantie een kick-off voor mijn derde klassen waarin we vertelden over de Tweede Wereldoorlog in Gouda en de bedoeling van het project. Leerlingen verdeelden zich in groepjes en zouden in twee- of drietallen iemand interviewen. Als tips gaf ik hen mee om vooraf gespreksonderwerpen en vragen te bedenken, een afspraak te maken bij hun ooggetuige thuis en het interview op te nemen zodat zij dit voor het schrijven van hun essay konden terugluisteren.

Bombardementen op Rotterdam en Gouda

Verschillende ooggetuigen spraken over hun angsten voor mogelijke bombardementen, hoewel slechts enkelen deze ook daadwerkelijk meemaakten. Het bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940, dat het stadscentrum bijna volledig in de as legde en honderden slachtoffers veroorzaakte, was tot in de wijde omtrek hoorbaar, zelfs in steden als Gouda en Leiden. Joop de Graaf was zes jaar oud en woonde in Leiden toen in de vroege ochtend de sirenes afgingen. Wakker geschrokken ging het gezin De Graaf de trap af naar beneden en zag daar door het pakhuisraam hoe een eskader vliegtuigen met een rotherrie overvloog. Of dit ook de bommenwerpers waren die Rotterdam zouden treffen is twijfelachtig, omdat het bombardement pas om half twee ’s middags begon. Ria van Rhijn, dan vier jaar oud, ziet in Gouda hoe een regen van zwarte as en verbrande stukken papier uit de lucht neerdaalt. Het is dan echt duidelijk dat de oorlog is begonnen. Een opmerkelijk detail is dat Generaal Winkelman de volgende dag de overgave tekende op de lagere Bijbelschool van Truus Faber, dan zeven jaar oud, in Rijsoord. Tegenwoordig dient de school als oorlogsmuseum ter herinnering aan de capitulatie.

Bombardement op Gouda, 6 november 1944. Foto: SAMH

Gedurende de Duitse bezetting blijft de angst voor vliegtuigen en bombardementen aanwezig, zeker bij de jonge kinderen. Cocky Galjaard uit Pernis herinnert zich nog dat buurtbewoners een schuilkelder bouwden en afdekten met aarde, zodat deze voor de Duitsers onvindbaar was. Als er een luchtalarm was haastten zij zich naar de schuilkelder, waar de kinderen snoepjes kregen toegestopt om hen tot rust te manen. Cor Ket woonde in Den Haag vanwaar de Duitse Wehrmacht in 1944 V1-wapens met pulserende straalmotoren lanceerden om Engeland aan te vallen. Enkele jaren geleden kreeg Cor een flashback toen een vliegtuig met veel lawaai overvloog. Naast Rotterdam werden ook andere steden en dorpen getroffen door bombardementen. Op 6 november 1944 werd het Goudse treinstation door de Geallieerden gebombardeerd. Wil de Rooij woonde met haar familie pal naast het station in de P.C. Bothstraat. De ruiten lagen aan diggelen en de inboedel stond schots en scheef. Drie weken lang verblijft Wil met haar ouders bij haar opa en oma. Als dan op 26 november een nieuw bombardement plaatsvindt op het station en het Sint-Josephpaviljoen, waar de Duitse staf was ingekwartierd, komt een blindganger naast hun huis terecht. Voor langere tijd kan het gezin zijn huis niet in. Wil weet nog goed dat ze met pijn in haar hart het ouderlijk huis verliet en dat ze steevast een brok in haar keel voelde als vliegtuigen overvlogen.

De Arbeidsinzet en Jodenvervolging

Opvallend was dat in verschillende interviews van de leerlingen de onderduik ter sprake kwam. Behalve joodse mensen doken ook verzetslieden en mannen die voor de Arbeitseinsatz (Arbeidsinzet) in Duitse fabrieken zouden moeten werken onder. De oudere broers van Joop de Graaf willen ook ontkomen aan de dwangarbeid en duiken op verschillende plaatsen onder. De vader van Joop is aardappelboer en besluit om een dubbele bodem in zijn schuur te bouwen, waaronder zijn kinderen zich in het geheim kunnen verstoppen. Joop is nog erg jong en mag van niks weten, dus moet hij tijdelijk elders verblijven. Als hij weer thuiskomt wordt hem op het hart gedrukt niemand te vertellen over zijn ondergedoken broers. Hij herinnert nog goed dat hij met trots maar ook vol spanning zijn ‘geheimhoudingsplicht’ vervulde. Nog opmerkelijker is het verhaal van Ben van Bommel. Zijn vader wordt opgepakt door de NSB om als arbeider naar het Ruhrgebied te worden uitgezonden. Zijn vrouw heeft een speciaal pak voor hem genaaid met een zakje erin waarin hij brieven kan verstoppen zodat hij kan blijven corresponderen met zijn gezin. Op weg naar Duitsland springt Bens vader uit de trein, wordt beschoten door Duitse soldaten maar weet veilig binnen twee dagen thuis te komen. Zijn gezin is natuurlijk stomverbaasd en ook doodsbang dat ze in moeilijkheden zullen komen. In vijf jaar tijd komt het gezin maar driemaal buiten.

Corry Brand (geb. in 1930) met Meinke en Manar uit 3vta, 1 februari 2020

Geen van de ooggetuigen die meewerkten aan dit project was zelf joods, maar de Jodenvervolging ging zeker niet ongemerkt aan hen voorbij. Ria de Koning groeide tijdens de oorlog als tiener op in een klein dorpje vlakbij Alkmaar en weet nog dat op een gegeven moment haar neef en twee joodse meisjes bij haar thuis verbleven. De joodse meisjes hadden hun haar geverfd en konden tijdens de oorlog gewoon naar school blijven gaan. Janny Dercksen uit Gouda herinnert zich nog dat een Duitse soldaat zich liet inkwartieren bij een gezin waarvan het vermoeden bestond dat ze een joodse man onderduik boden. Tijdens de razzia’s hield hij zich schuil onder de vloer, maar met de aanwezigheid van de Duitse soldaat kon hij voor langere tijd niet eten of drinken. Het gezin besloot alles netjes op te biechten en de Duitser schrok zo erg dat hij ervoor zorg dat de verzwakte joodse man er weer bovenop kwam. Dit resulteerde in een vriendschap voor het leven. Velen wisten echter niet aan deportatie te ontkomen. Bij Corry Brand in Gouda woonde een joods gezin met een baby in de straat. Dit gezin vertelde dat zij naar Polen moesten en Corry herinnert dat zij en haar ouders daar gek van opkeken. Ze zag met eigen ogen hoe de familie werd weggevoerd. Pas tegen het eind van de oorlog las zij in een verzetskrant dat de joden naar concentratiekampen werden gedeporteerd en in gaskamers vermoord werden. Dit was een grote schok, ze kon nauwelijks geloven dat Nazi-Duitsland – een geciviliseerd land – zoiets gruwelijks en onmenselijks kon doen.

De Hongerwinter

In bijna alle interviews kwam de Hongerwinter ter sprake, wat niet heel vreemd is gezien het feit dat Zuid-Holland zwaar getroffen werd in de periode 1944-1945. An Langeveld bevestigde dit beeld en vertelde dat in Rotterdam zoveel honger was dat ouders en kinderen vaak uren moesten lopen naar boeren voor een klein beetje eten. Door de enorme voedselschaarste gingen allerlei voedsel- en levensmiddelen op de bon. De voedselprijzen waren ondertussen zo hoog, dat de zwarte handel zich rap uitbreidde; voedsel werd als het ware ‘onder de toonbank’ verkocht. Kleine diefstallen kwamen ook voor. De moeder van An nam bijvoorbeeld stiekem kolen uit de kachel mee van een rijke familie in het appartementencomplex waar zij eens per week gekookte aardappelen mocht komen eten. Al was stelen natuurlijk heel fout, het was nodig om te kunnen overleven. In Pernis waren de omstandigheden wel beter, er kwamen regelmatig Rotterdamse vrouwen langs bij de boeren om voedsel te kopen. Ze verstopten het voedsel onder de jurk uit angst voor Duitse militairen die hen langs de Maas opwachtten. Cocky Galjaard zag een enkele keer hoe deze ‘smokkelaars’ gesnapt werden en het voedsel door de soldaten in de rivier werd gegooid. Sindsdien gooit ze nooit meer eten zomaar weg.

Wil de Rooij vatte de Hongerwinter als volgt samen: “Er was helemaal niks. Om eten te krijgen gebruikten we bonkaarten. Ook textiel ging op punten, dus als we kleding nodig hadden moest mijn moeder punten sparen. Elke dag stond er in de krant welk eten er was, maar vooralsnog was er bijna niets. Het eten dat we wel hadden was heel karig, ik had niet iedere morgen een boterham. Geen vlees en geen fruit, we aten heel veel suikerbieten, ook was het koud, er was geen gas en geen water. We moesten overal maar een beetje eten bij elkaar scharrelen, ik liep langs de boerderijen om te vragen of ze een beetje melk over hadden. Hier maakte mijn moeder dan boter van. Dat was een hele nare tijd!”

Vanwege de penibele situatie in het westen des lands trokken honderden tot wel duizenden kinderen naar het hoge noorden, waar meer dan voldoende voedsel voorradig was en zelfs geen gebruik werd gemaakt van voedselbonnen. De broer van Cor Ket kwam in Groningen bij een onbekende familie terecht. Als stadsjongen was het moeilijk aarden tussen de jongens van het platteland die hem pestten. Dit leidde nog al eens tot vechtpartijtjes en het viel Cor op dat zijn broer een stuk agressiever maar ook volwassener was geworden toen hij aan het eind van de oorlog weer thuiskwam. Betere herinneringen hebben de ooggetuigen aan de voedseldroppings, bekend als Operation Manna (zie coverfoto), door de Britse luchtmacht in april-mei 1945. Voor Cor was het duidelijk dat de oorlog bijna over was, anders kon deze hulpactie niet met succes worden uitgevoerd. Ben van Bommel weet nog goed hoe de beschuiten uit de mannablikken smaakte. Angst voor nieuwe bombardementen van geallieerde zijde maakten zo langzaamaan plaats voor een gevoel van opluchting.

De Bevrijding en de nasleep van de oorlog

De Bevrijding bracht Nederland in een euforische stemming. Overal vierden mensen feest op straat en trakteerden Amerikaanse en Canadese soldaten op een warm welkom in hun stad of dorp. Geheel rustig of zonder gevaar waren de bevrijdingsfeesten niet. Gerda Bergman weet dat zij in de vroege ochtend van 5 mei nog schoten hoorde in Papendrecht, waar zich nog een hoop leden van het ondergrondse verzet bevonden. Pas toen de Duitse soldaten Papendrecht verlieten kon het feest losbarsten en zong men gebroederlijk het Wilhelmus met elkaar. Ria de Koning ging speciaal naar Alkmaar om de bevrijding te vieren en reed nog met Canadese soldaten mee. Cocky Galjaard kon het bevrijdingsfeest helaas niet meemaken. Zij moest in quarantaine omdat in Spijkenisse een tyfusepidemie was uitgebroken. Ze was doodziek en raakte zelfs in coma. Toen Cocky uit haar coma kwam en wonder boven wonder goed herstelde was de oorlog voorbij.

Van een directe terugkeer naar het normale leven was niet altijd sprake. Jenny Gouka keerde als klein meisje terug uit Groningen in Gouda na haar evacuatie, maar het voedseltekort zorgde ervoor dat de belangrijkste levensmiddelen nog vijf jaar op de bon gingen. Ze heeft thuis een boekenkast vol met boeken over de oorlog, waaronder de bekende reeks van Loe de Jong. Haar favoriete boek is het Geuzenliedboek dat volstaat met gedichten over de oorlog. Het mooist vindt zij het gedicht ‘Uit het diepst van mijn hart’ dat als volgt begint: “Ik snak naar een dag, vol van rood, wit en blauw, / Met den zwier van Oranje er boven, / Ik snak naar ’t Wilhelmus, zijn hou en zijn trouw / Waarin HOLLANDERS kunnen gelooven.”

Sommige ooggetuigen probeerden de oorlog juist uit hun gedachten te verdringen. Ria van Rhijn uit Gouda wilde eigenlijk niks weten of leren over de oorlog en vermeed juist het lezen van boeken zoals Jenny deed. Pas recentelijk is zij zich in de oorlog gaan verdiepen en heeft zij zelfs een bezoek aan Auschwitz gebracht. Corry Brand was vijftien toen de oorlog eindigde maar geeft aan dat de oorlog niet als een kindertijd heeft gevoeld. Volgens haar zou er nooit meer oorlog moeten komen omdat niemand het verdient om in zo’n situatie te verkeren.

Het nut van mondelinge geschiedenis

Uit de interviews van mijn leerlingen bleek dat zij enorm veel geleerd hadden over de Tweede Wereldoorlog en de Duitse bezetting in Nederland. In hun reflecties gaven zij aan dat de persoonlijke verhalen een diepe indruk hadden gemaakt en zij beter begrepen hoe het was voor kinderen om zonder vrijheid en met allerlei angsten en ontberingen op te groeien. De impact van de oorlog op het sociale welzijn, het gezinsleven en de samenleving als geheel wordt duidelijker dankzij deze verhalen. Standaard lesmethodes bieden dat inzicht vaak niet. Bovendien vinden ooggetuigen het belangrijk dat zij gehoord worden en komen zij graag in contact met jongeren die zoveel van hun verhalen kunnen opsteken. Persoonlijk was ik zeer onder de indruk van de interviews die leerlingen hadden afgenomen en verwerkt in uitgebreide verslagen, vaak voorzien van allerlei anekdotes en foto’s, maar ook heldere analyses. Mondelinge geschiedenis is wat mij betreft echt een aanrader voor geschiedenisdocenten om toe te passen. Leerlingen leren aandachtig luisteren, vragen bedenken en stellen (op het juiste moment) en horen verhalen vaak tot in de kleinste details verteld, iets wat met andere bronnen of lesmethodes vaak niet mogelijk is. Tot slot, konden leerlingen het nut van mondelinge geschiedenis uitstekend verwoorden: “het doorgeven van dit soort verhalen van generatie op generatie is ook erg belangrijk want als niemand deze verhalen meer doorvertelt stopt het ergens en zullen de mensen in de toekomst nooit weten hoe het echt was tijdens de Tweede Wereldoorlog. Daarom moeten meer mensen aandacht hebben voor deze verhalen.”

Bronnen

Handige websites over mondelinge geschiedenis (in het Engels) zijn:

https://nzhistory.govt.nz/hands/a-guide-to-recording-oral-history

https://www.ohs.org.uk/advice/getting-started/

https://writingcenter.unc.edu/tips-and-tools/oral-history/

Publicaties:

M.J. van Dam (red.), Gouda in de Tweede Wereldoorlog (Delft, 2011).

H.M. Mos en M.G. Schenk, ‘Uit het diepst van mijn hart’ (1975) in het Geuzenliedboek: https://www.dbnl.org/tekst/sche123geuz01_01/sche123geuz01_01_0157.php

Cor Ket, Overleven. Aangrijpende verhalen van een schoolkind in de Tweede Wereldoorlog (2020).

Eindopdrachten over mondelinge geschiedenis in de Tweede Wereldoorlog door leerlingen van het Antoniuscollege Gouda.

Dankwoord

Mijn dank gaat uit naar alle ooggetuigen en leerlingen die aan dit project hebben meegewerkt. Ik ben Margreet Hendrikse speciaal dankbaar voor haar inzet om alle ooggetuigen persoonlijk te benaderen, waardoor leerlingen zonder problemen gelijk aan de slag konden met hun interviews.