In dienst van de Palestine Police Force

Tijdens de Arabische Opstand (1936-1939) kregen joodse nederzettingen in Brits-Palestina regelmatig te maken met gewelddadige terreuraanvallen. De escalatie van geweld vormde een groot probleem voor de Yishuv en het Britse mandaatbestuur en leidde tot een flinke uitbreiding en militarisering van de politiemacht. Eind 1936 beschikte vrijwel elke joodse nederzetting over eigen gewapende wachters – veelal getraind door de Haganah of de Britse politie – die ’s nachts de wacht konden houden of patrouilleren en indien nodig konden optreden tegen vijandelijk gevaar. De joodse politie-eenheid, bekend onder de Hebreeuwse naam ‘Notrim’ (נוטרים), werd volgens historicus Shlomi Chetrit bewonderd door de joodse bevolking vanwege haar moed, inzet en opoffering. Eliahu David Mizrachi (~1895-1985), de overgrootvader van mijn vrouw, trad toe tot de Notrim in december 1939, aan het einde van de Arabische Opstand en toen de Tweede Wereldoorlog reeds begonnen was. Als migrant uit Mosul (Irak/Koerdistan) woonde Eliahu met zijn gezin in Tiberias, waar hij ook dienst zou doen als Special Police Officer. In dit artikel bespreek ik de rol van de Palestine Police Force (PPF) tijdens het laatste decennium van de Britse mandaatperiode en kijk ik in het bijzonder naar de gebeurtenissen in Tiberias, waar mijn schoonfamilie vandaan komt.

Eliahu David Mizrachi

Een Brits-Palestijns paspoort, daterend uit november 1938, toonde aan dat Eliahu afkomstig was uit Mosul. Toevallig had een nicht van mijn vrouw in Tiberias dit paspoort bewaard als achterkleindochter. Het verhaal ging dat hij op jonge leeftijd uit Koerdistan naar Eretz Israël was gekomen en zijn bijnaam ‘Maslawi’ (letterlijk: uit Mosul) onderschrijft deze aanname. Het paspoort bevat de foto’s van Eliahu en zijn vrouw Tamar Levi (1906-1973) en de namen en geboortedata van hun vier kinderen Miryam, Massouda, David en Shushana. Ik besefte dat het huwelijk tussen Eliahu en Tamar naar alle waarschijnlijkheid een gearrangeerd huwelijk moet zijn geweest, van echte liefde was geen sprake. Eliahu was ruim twintig jaar ouder dan Tamar en zij spraken verschillende talen: Eliahu Arabisch en Tamar Ladino. De communicatie zal onderling dus lastig zijn geweest al zullen zij in de loop der jaren wel enig Hebreeuws hebben geleerd. Een trouwakte of ketoeba heb ik tot dusver nog niet kunnen vinden, maar bekend is wel dat hun eerste kind Miryam in 1922 werd geboren. Tamar was opgegroeid in Monastir en Thessaloniki (zie mijn eerdere artikel) en kwam als tiener naar Eretz Israël. Eliahu nam haar met het huwelijk misschien wel letterlijk onder zijn vleugels.

Volgens zijn paspoort was hij een arbeider voordat hij als politieagent aan de slag zou gaan. De onveilige situatie tijdens de Arabische Opstand, waarbij Tiberias in oktober 1938 werd opgeschrikt door een waar bloedbad, heeft mogelijk meegespeeld in het feit dat hij agent werd. Mogelijk hielp deze baan hem ook om op de sociale ladder te klimmen en een bijdrage te leveren aan het zionistische ideaal om een veilige thuishaven voor joden in het Heilige Land te creëren. Joden in Mosul kenden een eenvoudig en armoedig bestaan. Het viel opperrabbijn Eliyahu Sayegh begin twintigste eeuw op dat de traditioneel joodse gemeenschap in een economisch slechte staat verkeerde. Het gebrek aan goed onderwijs en kennis van vreemde talen, maar ook het feit dat christenen publieke functies van joden overnamen, waren hier debet aan. Gezien deze situatie is het goed mogelijk dat de familie Mizrachi (een typische naam voor uit het oosten afkomstige joden) een betere toekomst in Eretz Israël of de toenmalige Ottomaanse provincie Palestina zocht. Eliahu diende acht jaar in de Jewish Settlement Police (als eenheid binnen de PPF) en kreeg op 10 december 1947 ontslag, kort na het uitbreken van de Arabisch-Israëlische Oorlog. Hij verdiende als constable een redelijk inkomen, zo blijkt uit een payroll sheet uit 1942, met zeveneneenhalve Britse pond per maand.

Politiecertificaat van Eliahu David Mizrachi, in dienst sinds 1 december 1939 (Israel State Archives).
Links: Brits paspoort van Eliahu David Mizrachi, 1938. Rechts: foto van Eliahu als politieagent (Israel State Archives); embleem van Palestine Police Force.

Het bloedbad in Tiberias (1938)

Tiberias is schitterend gelegen aan het Meer van Galilea (ook bekend als de Kineret) en was in de jaren 1930 een kleine gemengde Arabisch-Joodse stad. Volgens de census van 1931 bestond de bevolking voor tweederde uit Joodse en voor een derde uit Arabische inwoners. Arabische moslims en christenen leefden over het algemeen in de oude stad en in de wijk Jub-al-Ban, waar de meeste joden in het hoger gelegen stadsdeel Kiryat Shmuel woonden. Ook waren er enkele gemengde wijken (Mawaris, Ahvah en Maimunia). Joden en Arabieren onderhielden over het algemeen goede relaties en werkten samen in verschillende sectoren, zoals de handel, de visserij, het toerisme en de landbouw. Joden hadden wel de overhand in het bedrijfsleven. De Arabische Opstand verstoorde de vreedzame relaties omdat nationalisme beide groepen beïnvloedde. Zo eiste het Arab Higher Committee een einde aan de joodse immigratie en de verkoop van land en kondigde het een algemene staking in april 1936 af. De zionistische beweging streefde naar een eigen joodse staat en trachtte met hulp van de Britten de zelfverdediging uit te breiden. Het anti-joodse geweld verspreidde zich tijdens de opstand zodanig over Galilea dat Moshe Sharett van de Jewish Agency de Britse autoriteiten tevergeefs verzocht om de veiligheid in Tiberias (dat nauwelijks beschermd was) te garanderen door extra joden te bewapenen en mobiele patrouilles uit te voeren. Enkele dodelijke aanslagen gericht op joodse burgers vonden plaats in aanloop naar het fatale bloedbad op 2 oktober 1938.

Tijdens de beruchte ‘Nacht van Tiberias’ begaven Arabische rebellen zich in de avond vanaf de heuvels van twee kanten richting de joodse wijk Kiryat Shmuel. Ze gebruikten wegversperringen, sneden communicatielijnen door en voerden een afleidingsmanoeuvre uit zodat joodse burgers geen hulp konden inschakelen. Lokale agenten en zelfs een Brits bataljon waren totaal verrast toen de terroristen het vuur openden bij het plaatselijke politiebureau en het Turks fort, waar de Britse soldaten waren, omsingelden. Ze hadden vervolgens vrij spel. Daarna staken zij de centrale synagoge en zes verschillende huizen van joodse inwoners in brand en vermoordden met bruut geweld iedereen die zij binnen aantroffen: 19 joodse burgers, onder wie 11 kinderen, kwamen om het leven. Velen van hen waren met messteken ernstig verwond en vervolgens levend verbrand in hun huizen. Shimon Yonachan Mizrachi, een politieagent (wellicht familie van Eliahu), verloor zijn vrouw Rachel en vijf kinderen. Het bloedbad was misschien zelfs verder uitgebreid als de rebellen niet aan het plunderen waren geslagen.

Tot op heden is onduidelijk wie precies verantwoordelijk waren voor dit bloedbad, maar verschillende historici zoals Mustafa Abbasi wijzen erop dat de terroristen waarschijnlijk van buiten Tiberias kwamen. Arabische leiders in Tiberias veroordeelden het bloedbad, maar de rust keerde allerminst terug in de stad waar joden op wraak zonnen. Special Night Squads (SNS) onder leiding van de Britse officieren Humphrey E.N. ‘Bala’ Bredin en Orde Charles Wingate oefenden enkele vergeldings- en zoekacties uit in en nabij de Arabische dorpen Dabburiyya, Lubya en Kfar Hittin; volgens inlichtingen van de Haganah – zo schrijft Matthew Hughes – zouden daders van het bloedbad uit het laatstgenoemde dorp afkomstig zijn. Volgens biograaf Christopher Sykes zou Wingate met zijn SNS de terroristen reeds kort na het bloedbad met een hinderlaag hebben aangevallen en tientallen hebben uitgeschakeld, maar wist een deel van hen te ontsnappen naar naburige dorpen en de berg Tabor. Eind oktober volgde de moord op de joodse burgemeester van Tiberias, Zaki Al-Khadif, die bij het Tiberias Hotel op straat werd neergeschoten en korte tijd later bezweek aan zijn verwondingen. Al-Khadif was sinds 1923 burgemeester, sprak vloeiend Hebreeuws en Arabisch, en had vele Arabische vrienden. Duidelijk was dat na deze moord een einde kwam aan de vreedzame coëxistentie en het onderling vertrouwen in Tiberias sterk afnam.

Huis in omgeving van Tiberias waarin een joodse familie levend werd verbrand (Het Leven, Nationaal Archief in Den Haag).
Kaart van Tiberias (zie Abbasi, 2008).
Barricades moesten voorkomen dat het Britse leger en de Haganah Tiberias konden binnenkomen na het bloedbad (Ynet).

De Notrim en het lot van Tiberias in oorlogstijd (1939-1948)

Het einde van de Arabische Opstand ging gepaard met Britse concessies in de vorm van de White Paper in mei 1939. Volgens dit beleidsstuk zou de joodse immigratie naar Palestina flink beperkt worden naar maximaal 75.000 joden over een periode van vijf jaar, een maatregel die tijdens de Holocaust verstrekkende gevolgen zou hebben voor joden die naar Palestina wilden vluchten en emigreren. Ook claimde het kabinet-Chamberlain dat het had voldaan aan de Balfourverklaring voor de stichting van een joods nationaal tehuis, waarbij het niet de bedoeling zou zijn geweest een joodse staat in Brits-Palestina te stichten. De White Paper bracht een nieuwe golf van geweld en terrorisme teweeg, maar deze keer voornamelijk van joods-zionistische zijde. Organisaties zoals de Irgun, Stern Gang en de Haganah boden gewapend verzet, pleegden aanslagen en voerden sabotageacties uit waardoor de Brits-Joodse relaties gedurende de jaren 1940 aanzienlijk zouden verslechteren. Het was dus een turbulente periode waarin Eliahu dienst deed in de Notrim en mogelijk ook lid was van de Haganah. Door de nauwe relaties met de Haganah en de ontluikende strijd voor onafhankelijkheid was het sterk de vraag waar de loyaliteit van joodse politieagenten lag: bij de Yishuv en zionistische bewegingen of het Britse mandaatbestuur. De Haganah breidde zich tijdens de Tweede Wereldoorlog met Britse hulp sterk uit van 10.000 tot 75.000 (veelal militair getrainde) leden. De Palmach diende als een soort elite-eenheid in de Haganah met 3000 troepen. Inlichtingen vanuit de joodse politie hielpen de Haganah om tijdig actie te ondernemen als bijvoorbeeld Arabische rebellen gesignaleerd werden of een illegaal schip met joodse vluchtelingen in aantocht was.

Voor de joodse politie in Tiberias waren de taken uiteenlopend. De kleine stad kende mogelijk vanwege armoede onder de bevolking veel criminaliteit, zoals diefstal, gewelddadige familievetes, illegaal wapenbezit en inbraken. Patrouilles rondom het Meer van Galilea werden uitgevoerd om smokkel tegen te gaan. De noordelijk gelegen oliepijplijn van Kirkuk naar Haifa en spoorlijnen moesten ook bewaakt worden door de Notrim tegen sabotageacties. Op basis van het logboek van de politie van Tiberias in de jaren 1947-1948 was er tot het uitbreken van de Arabisch-Israëlische Oorlog nauwelijks sprake van sektarisch geweld. Wel hield de politie vrij gedetailleerd bij hoe de joodse ondergrondse organisaties met illegale pamfletten de publieke opinie probeerden te beïnvloeden. Onder de naam HaHoma (הַחוֹמָה) verspreidde de Haganah vanaf 1945 ’s nachts allerlei politiek boodschappen. Felle kritiek werd uitgeoefend op het Britse immigratiebeleid, zeker na de tragedie met het schip de Exodus 1947 waarbij duizenden overlevenden van de Holocaust terug naar Europa werden gestuurd en in kampen in Duitsland werden ondergebracht. Ook prees de Haganah openlijk de moed van de jonge joodse vrouw Bracha Fuld die in maart 1946 om het leven kwam toen de Britten een illegaal schip met joodse vluchtelingen overmeesterden. Terrorisme van de Irgun en Stern Gang werd eveneens openlijk bekritiseerd. De Haganah ontkende bijvoorbeeld betrokkenheid bij de aanslag op het King David Hotel in Jeruzalem en de Sergeants Affair (waarbij de Irgun twee Britse sergeanten ophing). Men zag deze terreur als een zorgelijke ontwikkeling die het streven naar een joodse staat serieus in gevaar kon brengen. De propaganda zal ongetwijfeld het anti-Britse sentiment hebben aangewakkerd in de stad, maar ook de rivaliteit tussen de zionistische organisaties zichtbaar hebben gemaakt.

Pamflet waarin de White Paper wordt veroordeeld na de Holocaust en de Haganah het risico neemt om joodse vluchtelingen te helpen (1945).
Oproep om lid te worden van de Haganah om de joodse vluchtelingen uit Europa naar Eretz Israël te smokkelen (1946).
Haganah ontkent in dit pamflet betrokkenheid bij de aanslag op het King David Hotel in Jeruzalem. De Irgun wordt beschuldigd van terrorisme en het doden van onschuldige burgers (1947).

In de nacht van 27-28 juni 1947 vond een gewelddadige overval plaats in het huis van de familie Mizrachi, een heftige gebeurtenis die in de collectieve herinnering van de familie is blijven hangen. Volgens het bewaard gebleven politierapport bonsden twee gewapende Arabische overvallers op de deur en zeiden dat zij van de politie waren. Eliahu deed de deur open en moest onmiddelijk de sleutel van de kast geven waar goud, juwelen en losgeld in werden bewaard, terwijl zijn 16-jarige zoon David werd vastgehouden door een van de overvallers. De overvallers maakten eigendommen ter waarde van £P 500,- buit en maakten duidelijk dat zij niemand direct mochten informeren over de overval. Het moet een zeer beangstigende gebeurtenis zijn geweest voor het gezin. Opvallend is dat Eliahu als handelaar vermeld staat in het politierapport, terwijl hij formeel – wellicht in deeltijd – nog in functie was als agent. Blijkbaar was hij een welvarend man en misschien daarom ook wel beroofd. De politie heeft de daders niet kunnen opsporen en sloot uiteindelijk de zaak.

Politierapport “Armed robbery”, 28 juni 1947 (Israel State Archives)

De situatie in de stad zou na het verdelingsplan van de Verenigde Naties en de uitbraak van de onafhankelijkheidsoorlog spoedig verslechteren. Begin december werd bijvoorbeeld het graf van de vermoorde burgemeester Al-Khadif beschadigd en een bus met joodse kinderen vlakbij Lubya met stenen bekogeld. In de maanden daarna vonden steeds vaker serieuze geweldsincidenten tussen Joden en Arabieren plaats. Op 8 maart 1948 vond een massale schietpartij plaats op de straatmarkt waarbij tien Joden en twaalf Arabieren gewond raakten. Een staakt-het-vuren werd overeengekomen door lokale leiders, al was de Haganah daar allerminst blij mee. Het verdrag druisde volgens Abbasi in tegen het doel van Plan Dalet waarbij Galilea volledig onder joodse controle moest worden gebracht. Tiberias was volgens het verdelingsplan bovendien toegewezen aan de ‘toekomstige’ joodse staat. Sinds februari waren zo’n 800 strijders van Fawzi al Qawugji’s ‘Arab Liberation Army’ in de naburige dorpen Turan en Eilabun gevestigd, in afwachting van het bevel om Tiberias aan te vallen. De Haganah gaf in maart opdracht aan de joodse inwoners om de oude stad te verlaten, zodat zij bij een militaire operatie geen gevaar zouden lopen. In de nacht van 16-17 april 1948 begon de Slag om Tiberias met de militaire inval van de Palmach en Golani Brigade. De Britten stonden op het punt om de stad te verlaten en konden de veiligheid van de circa 5.000 Arabische inwoners niet langer garanderen. Een dag later begeleidden Britse soldaten en agenten de evacuatie vanuit de Arabische wijken. Tiberias kwam volledig in handen van de joodse strijdkrachten. Plunderingen van Arabische huizen braken uit en de Haganah moest een speciale politiemacht instellen om de orde en rust in de stad te herstellen. Een maand later riep David Ben-Gurion in Tel Aviv de joodse staat Israël uit, maar volgde een nieuwe oorlog tegen de Arabische buurlanden. Tiberias is tot op de dag van vandaag een joodse stad gebleven, maar kende dus voor lange tijd een gemengde bevolking en gedeelde geschiedenis.

Met deze video rekruteerde de Palestine Police Force in de jaren 1940 nieuwe agenten in het Verenigd Koninkrijk.

Bronvermelding

Mustafa Abbasi, ‘The End of Arab Tiberias: The Arabs of Tiberias and the Battle for the City in 1948’, Journal of Palestine Studies 33:3 (2008) pg. 6-29. Online toegankelijk via: https://www.palestine-studies.org/en/node/42011 (24-8-2026).

Yoav Alon, ‘Bridging Imperial, National, and Local Historiographies. Britons, Arabs, and Jews in the Mandate Palestine Police’, Jerusalem Quarterly 75 (2018) pg. 62-77. Online toegankelijk via: https://www.palquest.org/sites/default/files/Bridging_Imperial_National_and_Local_Historiographies-Britons_Arabs_and_Jews_in_the_Mandate_Palestine_Police.pdf (24-8-2026).

British Palestine Police Association, Policing the Holy Land. The Palestine Police Force, 1920-1948 (2021): https://britainpalestineproject.org/wp-content/uploads/2021/07/BPPA-CENTENARY-BOOKLET_compressed.pdf (24-8-2026).

Richard Andrew Cahill, ‘”Going Beserk”: “Black and Tans” in Palestine’, Jerusalem Quarterly 38 (2009) pg. 59-68. Online toegankelijk via: https://www.palestine-studies.org/en/node/78290 (24-8-2026).

Shlomi Chetrit, ‘From the Tiberias Massacre to October 7: The Origins of Israel’s Civilian Defense Units’ (2026): From the Tiberias Massacre to October 7: The Origins of Israel’s Civilian Defense Units (24-8-2026).

Martin van Creveld, The Sword and the Olive. A Critical History of the Israel Defense Force (New York, 2002).

Sagie Green, ‘The Safecracker’, Yediot Achronot, 18 april 2006. Online toegankelijk via: https://historama.com/online-resources/articles/israel/moshe_tavor_mossad_safecracker.html (24-8-2026). Interview met Moshe Tavor die naar eigen zeggen deelnam aan represailles van zijn Special Night Squad in Lubya na het bloedbad in Tiberias.

Edward Horne, A Job Well Done. Being a History of the Palestine Police Force, 1920-1948 (Leigh-On-Sea, Essex, 1982).

Matthew Hughes, ‘A British ‘Foreign Legion’? The British Police in Mandate Palestine’, Middle Eastern Studies 49:5 (2013) pg. 696-711. Online toegankelijk via: https://bura.brunel.ac.uk/bitstream/2438/9798/2/Fulltext.pdf (24-8-2026).

Matthew Hughes, ‘Terror in Galilee: British-Jewish Collaboration and the Special Night Squads in Palestine during the Arab Revolt, 1938–39’, The Journal of Imperial and Commonwealth History 43:4 (2015) pg. 590-610. Online toegankelijk via: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/03086534.2015.1083220#d1e90 (24-8-2026).

Moshe Naor, ‘In the city of two springs: Perceptions of Mosul’s Jewish quarter among Zionist and Alliance Israélite Universelle emissaries’, Jewish Culture and History 23:4 (2022) pg. 329-349. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/88536872/In_the_City_of_Two_Springs_Perceptions_of_Mosul_s_Jewish_Quarter_among_Zionist_and_Alliance_Isra%C3%A9lite_Universelle_Emissaries (24-8-2026).

Eugene Rogan, ‘The Palestine Police Oral History Project: The Middle East Centre, St Antony’s College’, Bulletin for the Council for British Research in the Levant 2:1 (2007) pg. 35-40. Online toegankelijk via: https://scispace.com/pdf/the-palestine-police-oral-history-project-the-middle-east-4owoe56hdi.pdf (24-8-2026).

Christopher Sykes, Orde Wingate (Londen, 1959) pg. 178-181. Online toegankelijk via: https://archive.org/details/ordewingatebiogr0000syke/page/178/mode/2up (24-8-2026).

Yitzhak Tessler, ‘The rioters sat down to eat, and no one came to help’ (הפורעים ישבו לאכול, ואיש לא בא לסייע: היום השחור של טבריה), Ynet News, 4-5-2022: https://www.ynet.co.il/judaism/article/b1cfb6jic (24-8-2026).

Lior Yohanani, ‘Partners and Adversaries: Jewish and British Relations in the Palestine Police Force, 1936-1945’, Israelis 8 (2017) pg. 188-213. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/35127763/Partners_and_Adversaries_Jewish_and_British_Relations_in_Palestine_Police_Force_1936_1945 (24-8-2026).

Israel Film Archive, ‘Tiberias in the 1930s’: https://jfc.org.il/en/news_journal/65870-2/113999-2/ (24-8-2026).

Jewish Virtual Library, ‘The Forgotten Tiberias Pogrom of 1938’: https://jewishvirtuallibrary.org/the-forgotten-tiberias-pogrom-of-1938#_edn1 (24-8-2026).

‘Massacre in Tiberias Town’, The Palestine Post, 4 oktober 1938. Online toegankelijk via: https://www.nli.org.il/he/newspapers/pls/1938/10/04/01/?e=——-he-20–1–img-txIN%7CtxTI————–1 (24-8-2026).

‘Mayor shot in Tiberias Street’, The Palestine Post, 28 oktober 1938. Online toegankelijk via: https://www.nli.org.il/he/newspapers/pls/1938/10/28/01/article/1/?e=——-he-20–1–img-txIN%7CtxTI————–1 (24-8-2026).

‘”Home Front” Men with “Front-line” jobs. Palestine Police at Work’, The Palestine Post, 31 mei 1944. Online toegankelijk via: https://www.nli.org.il/he/newspapers/pls/1944/05/31/01/article/22/?e=——-he-20–1–img-txIN%7CtxTI————–2 (24-8-2026).

‘Tiberias 1938’: https://www.youtube.com/watch?v=CrkdvfjfK8c (24-8-2026). In deze video komen verschillende ooggetuigen van het bloedbad aan het woord.

Archiefmateriaal (Israel State Archives)

Armed robbery (27-28/6/1947), inv.nr. מ-4214/78

Tiberias Police – Payroll Sheets (6/1942 – 6/1943), inv.nr. 5010/7-מ

Tiberias Police – Daily Reports on the Situation (4/1947 – 19/4/1948), inv.nr. 4212/32-מ

Tiberias Police – Diary (8/2/1947 – 27/4/1948), inv.nr. 4212/33-מ

Jewish Police Certificates, Tiberias (1944-1948), inv.nr. מ-1334/10

Nominal Roll – Special Constables (zie pg. 11: 24656), inv.nr. מ-1335/14

Tiberias Police – Resume of Crime (31/3/1947 – 31/3/1948), inv.nr. 4212/25-מ

Nederlanders in Theresienstadt en discussies over herinneringen aan deportatie, gevangenschap en vervolging

In het voorjaar van 2019 bezocht ik Theresienstadt op een door Yad Vashem georganiseerde studiereis voor Holocausteducatie. Ik was reeds bekend met de kunst en culturele activiteiten van gevangenen in dit concentratiekamp, maar ik vroeg mij al lopend door dit kleine vestingstadje af hoe het de Nederlanders daar was vergaan. De ervaringen van Nederlandse joden in Theresienstadt zijn vrij onbekend omdat slechts een relatief kleine ‘prominente’ groep van 4.887 joden vanaf april 1943 naar dit zogenaamde ‘modelgetto’ in het toenmalige Duitse protectoraat Bohemen en Moravië (in het huidige Tsjechië) werden gedeporteerd. Het merendeel van de uit Nederland gedeporteerde joden behoorde tot de joodse elite of had zich op een andere wijze (in de ogen van de nazi’s) verdienstelijk gemaakt. Daarnaast waren er nog diverse andere subgroepen van joden, die aanvankelijk van deportatie uitgezonderd waren (zoals de Barneveldgroep en tot het protestantse geloof bekeerde joden). Onder hen bevonden zich ook de nodige vluchtelingen (of emigranten) die na 1933 uit Duitsland, Polen, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije naar Nederland waren gekomen. Een zeer gemêleerde groep joden uit Nederland kwam zodoende in Theresienstadt terecht. Hun ervaringen waren logischerwijs verschillend, maar een gemene deler is dat als één van de laatste gearriveerde groepen aanpassing aan het leven in Theresienstadt verre van eenvoudig was. In dit artikel beschrijf ik hoe Nederlandse overlevenden van Theresienstadt zich het kampleven herinneren en op welke vlakken herinneringen van elkaar verschillen of zelfs botsen. Als casus kijk ik daarbij in het bijzonder naar de naoorlogse ophef over de kamptekeningen van Jo Spier (1900-1978) en zijn vermeende hulp aan de bekende propagandafilm die door Kurt Gerron in opdracht van de nazi’s was gemaakt.

Deportaties van Westerbork naar Theresienstadt

Op voorstel van Adolf Eichmann, hoofd van de Reichssicherheitshauptamt (RSHA) IVB4, zouden ‘joden met verdiensten’ op transport worden gesteld naar Theresienstadt. De Haagse afdeling van IVB4 bepaalde vervolgens de verschillende categorieën, waar eerst alleen Joods-Duitse oorlogsveteranen in aanmerking zouden komen voor deportatie naar het in propagandistische termen genoemde ‘Tsjechische kuuroord’. De valse belofte was dat de ‘uitverkoren’ joden tot het einde van de oorlog daar zouden kunnen verblijven, waar in werkelijkheid Auschwitz het eindstation was voor vele gevangenen. Onder de verdienstelijke joden bevonden zich kunstenaars, wetenschappers en geneeskundigen, maar ook zij die aan de opbouw van Kamp Westerbork hadden bijgedragen of voor de Joodse Raad hadden gewerkt. Op het eerste transport dat op 21 april 1943 uit Westerbork vertrok bevond zich ook de bekende illustrator Jo Spier (1900-1978), die onder speciale bescherming stond van Anton Mussert (die zijn tekenkunsten bewonderde), met zijn gezin. Philip Mechanicus (1889-1944) schreef: “Men moest zich verzetten om niet mee te willen met de expeditie, die op een excursie leek. Men was het laatste jaar zo gewend geraakt aan de deportatie in beestenwagens, dat men een gewone trein met derdeklassewagons bereid was als een Genade van de Hemel te aanvaarden, daarin althans een menselijke gunst te zien, die slechts dankbaarheid kon wakker roepen, en de reis beschouwen als een plezierreis.” Het was hem duidelijk dat sprake was van pure misleiding, maar vermoedelijk zijn velen toch met enige goede hoop op de trein naar Theresienstadt gestapt.

* Deportaties via Bergen-Belsen naar Theresienstadt; ** 1174 mensen op transport XXIV/7 behoorden tot de Barneveldgroep en de protestantse joden. ‘XXIV’ verwijst naar het 24ste gebied buiten het protectoraat Bohemen en Moravië waarvandaan joden naar Theresienstadt werden gedeporteerd. Bron: Hajkova, ‘”Poor devils” of the camps’, pg. 10.

De uit Nederland gedeporteerde joden kwamen vanaf januari 1944 in de Hamburgerkazerne in Theresienstadt terecht, nadat zo’n 3.000 Tsjechische joden tot hun ongenoegen het bevel hadden gekregen deze te verlaten. Het zorgde vrijwel direct voor een kloof tussen de beide groepen en de ontvangst was allesbehalve prettig. Gerhard Leopold Durlacher (1928-1996) schreef in zijn boek Strepen aan de hemel hoe hij na aankomst als vijftienjarige jongen meeschuifelde in een stoet van mannen en vrouwen “met hun grauwe vermoeide gezichten, de vochtige dampende kleiding, gekreugeld, gevlekt, gesleten” naar de voor hen bestemde barakken. De uit Westerbork meegekomen dokter Alex Siegfried Wachtel hield met de toenmalige Judenälteste van Theresienstadt, Paul Maximilian Eppstein, een toespraak voor de nieuwkomers. Ze onderstreepten dat zij dankbaar moesten zijn voor hun komst naar dit Vorzugslager en zich waardig moesten tonen “door een goede houding, ijver, zindelijkheid, discipline. (..) Bij in gebreke blijven zouden eenzame bunkerstraf en deportatie volgen en verder regels, regels, regels.” Deze toespraak was volgens onderzoeker Ria van der Brandt, die tientallen Nederlandse overlevenden van Theresienstadt interviewde, allerminst geruststellend. Men moest maar vertrouwen op de toezegging die Dr. Wachtel van Kommandant-Hauptsturmführer Karl Rahm had gekregen dat bij goed gedrag de Nederlandse joden in Theresienstadt zouden mogen blijven (en dus niet naar de vernietigingskampen in het oosten zouden worden gestuurd).

Plattegrond van Theresienstadt. Buiten het ommmuurde getto bevond zich de Kleine Vestiging dat dienst deed als gevangenis van de Gestapo. De Hamburgerbarakken bevonden zich langs de spoorlijn aan de zuidkant van het getto.

Ab Caransa (1927-2006) arriveerde op zestienjarige leeftijd met zijn ouders in april 1944 in Theresienstadt en zijn eerste indruk was beangstigend. Het getto was overbevolkt en bij aankomst werden mannen en vrouwen gescheiden voor lijfelijke visitatie, bagagestukken in beslag genomen (voor controle) en waardevolle bezittingen afgepakt. Voor Caransa was aanvankelijk geen bed beschikbaar en hij sliep op een matras op de grond totdat de sociaaldemocraat Maurice Mendels (zijn uitvaart was getekend door Jo Spier, zie afbeelding 3) overleed en zijn bed in de slaapzaal vrijkwam. Volgens de regels was onderwijs, geldbezit en het krijgen van kinderen verboden, al was er wel degelijk een rijk aanbod van culturele activiteiten, waar Nederlandse gevangenen overigens maar mondjesmaat aan deelnamen. De taalbarrière speelde daarbij mee, men had een voordeel in het kamp als men Duits en/of Tsjechisch kon spreken; dan bleef je veel beter op de hoogte van alle ontwikkelingen. Caransa merkte hierover op: “In het algemeen gedroegen de Nederlanders in het getto zich timide, door hun over het algemeen slechte kennis van de voertaal, het Duits, maar ook omdat ze door veel van hun Tsjechische, Oostenrijkse en Duitse medegevangenen als tweederangs en als zwakkelingen werden beschouwd, een verwijt dat ons ook in andere kampen en met name na de oorlog is gemaakt. Maar voor de meeste Nederlandse joden was de overgang van het relatief liberale Nederland dat nooit virulent antisemitisme heeft gekend naar appèlplaats en dwangarbeid té groot.” Aanpassing was in die zin makkelijker voor de Duits-Nederlandse joden die vanuit Westerbork naar Theresienstadt waren gedeporteerd. Caransa omschreef Theresienstadt als een ‘schizofrenie in steen’ waarbij hij het contrast schetste tussen het ‘ongeëvenaarde aanbod van toneel, muziek en wetenschap’ en de erbarmelijke leefomstandigheden, waarbij er structureel te weinig voedsel was en ouderen en zieken letterlijk crepeerden of bezweken in het kamp.

Het lot van de Nederlandse joden in Theresienstadt

Verreweg de meeste Nederlandse joden kwamen als gezin naar Theresienstadt en waren in Westerbork reeds aan het kampleven gewend geraakt. De erbarmelijke omstandigheden in het overbevolkte Theresienstadt en het feit dat de Nederlanders als laatste groep arriveerden maakte aanpassing wel degelijk moeilijker. Van der Brandt laat in haar onderzoek niettemin zien dat de ervaringen enorm verschillend waren en dat generalisaties daarom lastig zijn. Anders dan historica Anna Hájková zag zij op basis van getuigenissen dat Nederlanders zich wel degelijk mengden met andere gevangenen en in sommige gevallen een zekere waardering kregen voor het gedwongen werk dat zij moesten verrichten. Hájková betoogde dat de Nederlanders een geïsoleerde groep in Theresienstadt vormden en verklaarde dat vanuit de achtergrond van verzuiling en de eerder genoemde taalbarrière. Beide historici lijken het wel eens te zijn over het feit dat Nederlandse joden veel minder aan het culturele leven deelnamen in het kamp. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat onder de grootschalige herfsttransporten in september-oktober 1944 zich veel kunstenaars en intellectuelen bevonden, zodat het aanbod van activiteiten aanzienlijk terugliep. Vanaf 9 november 1944 kwam bovendien een arbeidsplicht voor gevangenen vanaf 10 jaar, zij moesten werkweken van ca. 70 uur maken en dan bleef er natuurlijk weinig tijd over voor ontspanning, scholing of amusement. Opvallend is ook dat de kleine kinderen uit de Nederlandse gezinnen zelden naar de kinderopvang in het getto gingen. Nederlandse joden waren zodoende minder onderdeel van het ‘grote verhaal’ van Theresienstadt als cultureel oord met vooraanstaande musici, theatermakers en kunstenaars. De continue honger en ziekte, het ongedierte in de Hamburgerkazerne en de vormen van dwangarbeid hebben vele gevangenen wel aan den lijve ondervonden en zijn deel van het collectief geheugen gaan vormen.

Uit onderzoek van Hájková blijkt dat van de tijdens de herfsttransporten van 1944 naar Auschwitz gedeporteerde gevangenen het overlevingspercentage voor Nederlandse joden beduidend lager was dan van andere nationaliteiten in Theresienstadt. Op basis van een steekproef toonde zij zelfs aan dat Duits-Nederlandse joden een grote overlevingskans hadden dan hun autochtone landsgenoten. In haar steekproef nam zij alleen jonge mannen in de leeftijd van 18-30 jaar mee, omdat een onbepaald aantal vrouwen zwanger was of vergezeld was door kinderen (wat hun overlevingskans kon beïnvloeden). Zo’n 3.000 Nederlandse joden werden vanuit Theresienstadt naar Auschwitz gedeporteerd en naar schatting overleefden slechts 300-400 van hen de Holocaust. Meer dan 400 Nederlandse joden, waaronder vijftig kinderen, kwamen voortijdig vrij op voordracht van Reichsführer-SS Heinrich Himmler met oog op de nadere onderhandelingen met de geallieerden. Een transport van 1200 gevangenen bereikte op 5 februari 1945 het neutrale Zwitserland en zij zouden daarna gerepatrieerd worden. Onder hen bevonden zich ook de zussen Liesel (1931-2019) en Nelleke van Cleeff (1933-2018), afkomstig uit Rotterdam. Vlak voor de Zwitserse grens stopte de trein rond middernacht en bleef deze uren stilstaan. Bang dat de passagiers waren dat zij alsnog doodgeschoten zouden worden, zagen Nelleke en Liesel ‘in de verte duizenden twinkelende lichtjes in de bergen van het vrije Zwitserland’. Door een tyfusuitbraak in Montreux, waar zij verbleven in afwachting van repatriatie, raakte Liesel ernstig ziek. Haar ouders – aanvankelijk verblijd door hun vrijlating – zouden haar door de kritieke toestand in augustus 1945 persoonlijk komen opzoeken. Na lange omzwervingen zou het gezin eindelijk weer herenigd worden, al was het lastig voor de meiden om de draad weer op te pakken en konden zij in Hilligersberg allerminst rekenen op een warme ontvangst of veel begrip voor het joodse leed van andere bewoners.

Bron: Hajkova, ‘”Poor devils” of the camps’, pg. 11.

Die Verschönerung en de propagandafilm

In voorbereiding op het bezoek van een kleine delegatie van het Internationale Rode Kruis op 23 juni 1944 moest Theresienstadt in opdracht van de SS flink opgeknapt worden. De opschoning (in Duits ‘die Verschönerung‘) van het getto betekende dat in de maanden vooraf alles uit de kast werd gehaald om het Rode Kruis om de tuin te leiden en de illusie te wekken dat de joden het goed hadden in Theresienstadt. De Deense koning had zich fel verzet tegen deportatie van de Deense joden, maar toen dat eenmaal gebeurde moest Eichmann een concessie doen met een inspectie als gevolg. Caransa schreef dat alle Nederlandse mannen moesten komen opdraven in een ruimte van de Hamburgerkazerne waar Spier hen zou toespreken. De strekking van zijn toespraak was dat ieders inzet nodig was om dit project te laten slagen en dat anders erge dingen zouden gebeuren, daarmee implicerend dat tegenwerking bestraft kon worden met deportatie naar de vernietigingskampen. Volgens Caransa had Spier geen ruggegraat en blindelings de Duitse orders opgevolgd, al verklaarde laatstgenoemde kort na de oorlog dat zijn toespraken tot zijn landgenoten onder doodsbedreiging waren geweest. De gevangenen gingen in ieder geval aan de slag met het schoonvegen van de straten, het schilderen van de gevels en de aanleg van nieuwe tuinen. Het probleem bleef echter dat de stad overbevolkt was. Op 12 mei 1944 kondigde kampcommandant Rahm aan dat 7.500 gevangenen (onder wie 559 Nederlanders) in drie transporten naar Auschwitz gedeporteerd zouden worden. Het sinistere plan pakte voor de nazi’s goed uit. Het Rode Kruis bracht een positief rapport uit na haar bezoek en zag af van verdere inspecties in de andere concentratiekampen.

Het opgeruimde kamp zou spoedig op film worden vastgelegd. De Zentralstelle zur Regelung der Judenfrage in Praag trok 35.000 Reichsmark uit voor de inmiddels bekende propagandafilm over Theresienstadt. Cineast Gerron was aangewezen als regisseur. Hoewel hij aarzelde of hij moest meewerken aan deze film, overtuigde Eppstein hem dat zo’n arbeidsintensief karwei vele gevangenen zou kunnen behoeden voor deportatie (het tegendeel zou later blijken). Tijdens de opnamen van 16 augustus tot 11 september was het getto omgetoverd tot één grote filmstudio. Gerron kreeg hulp van Spier, zo bleek bijvoorbeeld uit het door hem getekende story board bestaande uit 332 tekeningen die de verschillende scènes van de film toonden. Historicus Karel Margry ontkrachtte de naoorlogse beschuldiging dat Spier het draaiboek voor de film had gemaakt, omdat zijn tekeningen (in opdracht van Rahm) de volgorde van opnamen lieten zien en niet de volgorde van het oorspronkelijke script. Spier had dus de filmbeelden op papier vastgelegd door steeds mee te kijken door de zoeker van de camera. Zo beschikte de kampcommandant over een visueel verslag van elke scène en shot. De documentaire zou in de volksmond bekend komen te staan onder de titel Der Führer schenkt den Juden ein Stadt en laat in volle glorie een geïdealiseerd beeld zien van het leven in het zogenaamde ‘modelkamp’. Dankzij de in het NIOD bewaarde tekeningen van Spier was het na de oorlog mogelijk om een reconstructie van de complete film te maken, waar ook overlevenden hun herinneringen aan de film hebben gedeeld.

Screenshot uit de propagandafilm met in het publiek Jo Spier (met bril rechts) tijdens een uitvoering van Mendelssohns ‘Elijah’ onder leiding van dirigent Karel Fischer.

Op melancholische wijze beschreef Durlacher de regie van de film, waarvan enkele losse fragmenten bewaard zijn gebleven: “De muziek van joodse componisten, in nazi-Duitsland en de bezette gebieden toen al jaren verboden, gaat verder. De stem volgt met lege propagandafrasen de beelden: kunstnijverheid, een beeldhouwer bij zijn ontwerp voor een fontein, werkplaatsen waar vrouwen en mannen met grauwe gezichten waarop een bevolen glimlach plakt, met jodensterren op de borst, schoenen repareren, tassen snijden en kleding naaien bij de vitale klanken van Mendelsohns ‘Midzomernachtsdroom’. De ‘Feierabend’ en de voetbalwedstrijd met twee zeventallen in plaats van elftallen op de binnenplaats van de Hamburgerkazerne, met duizenden figuranten in slechtzittende kleding, hangend over de balustraden van de booggangen; enthousiasme onder regie. Een badhuis met mannen onder douches waaruit in Theresienstadt alleen water komt. Een bibliotheek waar achter de uitleentafel professor David Cohen met zelfgenoegzame uitdrukking op zijn gezicht met een collega converseert. Een voordracht van professor Utitz, met in zijn gehoor tientallen internationaal befaamde joodse geleerden, nu oude vermagerde mannen met moeizaam gladgetrokken sleetse pakken, verbogen brillen voor droevige ogen en sterren op het angstige hart.”

Pas in april 1945 zou de film aan het Rode Kruis vertoond worden, maar aan het einde van de oorlog was door de bevrijding van concentratiekampen in het oosten inmiddels duidelijk welke gruwelijkheden en massale vernietiging daar hadden plaatsgevonden. De film had volgens Margry dus geen enkele invloed op de publieke opinie. Het meest tragisch is dat veel medewerkers aan de film, waaronder Gerron zelf, figuranten en ook kinderen – die speciaal voor de film hadden opgetreden in de kinderopera Brundibár – op transport moesten en omkwamen in Auschwitz.

De tekeningen en herinneringen van Jo Spier in perspectief

Naast de speculaties over de betrokkenheid van Spier bij de propagandafilm, opende de communistische krant De Waarheid in december 1945 publiekelijk de aanval op de illustrator die met zijn gezin de Holocaust had overleefd en na de bevrijding van Theresienstadt veilig naar Nederland was teruggekeerd. In een anoniem artikel trok de schrijver de conclusie dat Spier in zijn tekeningen voor de Duitsers gelogen had over de realiteit in Theresienstadt. Spier werd neergezet als een vriend van Mussert die dankzij zijn ‘sympathieke contact met de SS in Theresienstadt’ een woning met bad en clubfauteuils had gekregen. Verschillende tekeningen waren afgedrukt om de aantijgingen te onderstrepen. Enkele dagen later maakte de krant het nog bonter door te stellen dat Spier met zijn ‘misselijke tekeningen het leven in de Jodenstad, het voortportaal van de gaskamers in Bergen-Belsen, verheerlijkte.’ De artikelen boden geen enkele ruimte voor nuance of enig inzicht in de omstandigheden waar kunstenaars in Theresienstadt mee te maken hadden gehad. Het staat buiten kijf dat Spier in opdracht van Rahm rooskleurige beelden moest tekenen, zoals ook zijn biograaf Henk van Gelder vaststelde, maar het is onjuist dat de in Zutphen geboren kunstenaar geen kritische beelden tekende in het kamp. Een enkele keer was hij door de kampcommandant zelfs betrapt op een mapje met tekeningen met lijkwagens, lange etensrijen en uitgemergelde gevangenen.

In het archief van Beit Theresienstadt in de Israëlische kibboets Givat Haim Ihud vond ik enkele jaren geleden een verzameling tekeningen van Jo Spier, die hij later ook deels heeft gebruikt voor zijn boek Dat alles heeft mijn oog gezien (1978). Dit boekje kon vlak na publicatie op veel kritiek van Caransa rekenen, die in een uitgebreide brief aan het Joods Historisch Museum zijn ongenoegen uitte over hoe Spier zaken verzweeg over de ware aard van het leven in Theresienstadt, het lot van zijn joodse landgenoten of zijn medewerking aan de film. Zo stelde hij met nadruk: “Spier schrijft en tekent nergens over de “gewone” mensen, die zich ook in Theresienstadt bevonden. Spier heeft het nergens over de stakkers die bij de keukens stonden te bedelen om watersoep die anderen niet wilden. Dat klopt ook met de werkelijkheid: Spier hield zich niet met “gewone” mensen op.” Het is bekend dat Spier had meegewerkt aan een herinneringsalbum Bilder aus Theresienstadt dat tijdens het bezoek van het Rode Kruis als souvenir aan leden van de delegatie, buitenlandse bezoekers en nazi-functionarissen werd meegegeven. Net als andere schilders moest hij het opgeschoonde getto vastleggen van een geïdealiseerde stad – analoog aan de propagandafilm.

Bij nadere bestudering van zijn tekeningen lijkt het erop dat Spier wel degelijk aspecten van het kampleven heeft vastgelegd, maar dat de ernst van ondervoeding, dwangarbeid en deportatie nauwelijks naar voren kwam. Sommige beelden lijken inderdaad rooskleurig, zoals de joodse bank, bakkerij en het poppentheater voor kinderen, en zouden zonder verdere context ook dienst hebben kunnen doen als propaganda. De zolder in de Hannoverkazerne, de geïmproviseerde synagoge en de aardappelenkar (in zijn boek verwijst Spier naar ‘onze kinderen’ die vochten om ‘aardappelschillen’) geven wel iets meer inzicht in het dagelijks leven van de gevangenen. Het meest kritisch zijn de illustraties die vermoedelijk na de bevrijding zijn gemaakt of toen van verdere bijschriften zijn voorzien. Zo is kampcommandant Rahm groot afgebeeld voor een treinwagon met de vermelding dat hij in 1946 na zijn proces is opgehangen. Hij citeerde Rahm met zijn verklaring voor de rechtbank: “Ich habe mich den Herren Israëliten gegenüber immer anständig benommen.” In zijn boek haalde Spier het feit aan dat de president van de rechtbank Rahm vroeg waarom hij dan een aantal kunstschilders naar Auschwitz had gestuurd. Rahm zou volgens Spier hebben geantwoord dat hij zelf een schilder was en deze schilders te modern waren naar zijn smaak. In een andere tekening laat Spier zien hoe gevangenen na de bevrijding door het Rode Leger SS-ers aanvallen en uit het getto verjagen. Het lijkt er zodoende op dat Spier zich meer vrijheid heeft gepermitteerd en kritische boodschappen heeft verwerkt in zijn tekeningen toen het gevaar voor deportatie naar Auschwitz geweken was. Ongetwijfeld moet het feit dat naaste kunstenaars, zoals Ferdinand Bloch, Bedrich Fritta, Otto Ungar, Leo Haas en Leo Strass, vanwege hun expliciete verzetskunst verhoord, opgesloten (in de Kleine Vesting) en/of gedeporteerd werden, angst hebben ingeboezemd. Spier koos in zekere zin zijn manier om Theresienstadt te overleven en dat was natuurlijk zijn goed recht.

Bronvermelding

George E. Berkley, Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de Nazi’s (Baarn en Antwerpen, 1995). Vertaald door Chris Mouwen.

Vojtech Blodig e.a. (red.), Art Against Death. Permanent Exhibitions of the Terezín Memorial in the former Magdeburg Barracks (Praag, 2002).

Ria van den Brandt, ‘Ik was mijn houvast helemaal kwijt’ Getuigen van Theresienstadt (Hilversum, 2021).

Ab Caransa, ‘Theresienstadt, schizofrenie in steen’, Oorlogsdocumentatie 40–45, 9 (1998) pp. 112–139.

Ab Caransa, Brief aan Joods Historisch Museum over boek van Jo Spier, Amsterdam, 20 mei 1978. Afkomstig uit Beit Theresienstadt Archives.

Anne D. Dutlinger et alii (red.), Art, Music and Education as Strategies for Survival: Theresienstadt, 1941-1945 (New York en Londen, 2001).

Henk van Gelder, De tekenaar Jo Spier (1900-1978) (Amsterdam, 1994).

Anna Hájková, ‘”Poor devils” of the Camps. Dutch Jews in Theresienstadt, 1943–1945’, Yad Vashem Studies 43:1 (2015) pp. 77-111. Online toegankelijk via: https://warwick.ac.uk/fac/arts/history/people/staff_index/hajkova/hajkova_poor_devils_yvs_2015.pdf (11-1-2026).

Auke Kok en Dido Michielsen, De redding van de familie Van Cleeff (Amsterdam en Antwerpen, 2015).

Karel Margry, ”Theresienstadt’ (1944-1945): The Nazi Propaganda Film Depicting the Concentration Camp as Paradise’, Historical Journal of Film, Radio and Television 12:2 (1992) 145-163. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/31749585/_Theresienstadt_1944_1945_The_Nazi_propaganda_film_depicting_the_concentration_camp_as_paradise (19-2-2026).

Joost Pollmann, ‘De overlevingskunst van de Joodse tekenaar Jo Spier leidde maar al te vaak tot misverstanden’, Trouw, 8 april 2025. Online toegankelijk via: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/de-overlevingskunst-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier-leidde-maar-al-te-vaak-tot-misverstanden~b3808d6c/ (11-1-2026).

Jo Spier, Dat alles heeft mijn oog gezien. Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt (Amsterdam en Brussel, 1978).

Jo Spier, Kamptekeningen (1943-1945), 1216/53/31, Beit Theresienstadt Archives.

Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt. De laatste overlevenden van het concentratiekamp getuigen (Tielt, 2012).

Martijn Veenhuijsen, ‘Plan-Frederiks: hoe een joodse elite aan de deportatietreinen probeerde te ontkomen’, 10 februari 2026. Online toegankelijk via: https://historiek.net/plan-frederiks-jodenlijsten-bezet-nederland/180238/ (19-2-2026).

‘Theresienstadt, zoals Jo Spier het zag… en zoals het was!’, De Waarheid, 15 december 1945. Online toegankelijk via: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010851059:mpeg21:p004 (11-1-2026).

Kurt Gerron, ‘Nazi propaganda film about Theresienstadt / Terezin’, Collectie USHMM en Bundesarchiv, 1991.260.1, Film ID: 201. Online toegankelijk via: https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn1000172 (11-1-2026).

NOS, ‘Het verhaal van de Joodse tekenaar Jo Spier’, 22 maart 2025: https://nos.nl/nieuwsuur/video/2560782-het-verhaal-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier (11-1-2026).

Een joodse familiegeschiedenis uit Monastir en Thessaloniki

Tijdens mijn huwelijksreis in de zomer van 2022 bracht ik een midweek door in Thessaloniki, de Griekse havenstad waar de overgrootoma (Tamar Levi, 1906-1973) van mijn vrouw vandaan kwam. We brachten die week een bezoek aan het plaatselijke Joods Museum en wetende dat bijna geen familielid de Shoah overleefd heeft, was het confronterend om te zien op de namenlijst dat zoveel Levi’s waren omgekomen in de vernietigingskampen. Van Tamar wisten we dat zij op zeer jonge leeftijd Thessaloniki had verlaten en zich in Brits-Palestina ofwel Eretz Israel had gevestigd. Ze trouwde daar met Eliyahu David Mizrachi (1895-1985). Onbekend was het lot van haar naaste familie, maar het verhaal ging dat zij mogelijk de enige overlevende van de Holocaust was van haar familie. Ze sprak hier vrijwel niet over tijdens haar leven, wat mogelijk duidt op een levenlang trauma. Het bezoek aan het museum maakte mij nieuwsgierig naar het verleden van de Levi-familie. Ik las die zomer het boek Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (2019) van Sarah Abrevaya Stein, een schitterend relaas over de bekende schrijver en uitgever Sa’adi Besalel Ashkenazi a-Levi (1820-1903) en zijn directe nazaten. Sa’adi a-Levi maakte in de Ottomaanse periode naam als publicist in het Ladino, de Judeo-Spaanse taal die de grote joodse gemeenschap in Saloniki sprak. Stein bracht eerder al een Engelse vertaling uit van zijn memoires onder de titel A Jewish Voice from Ottoman Salonica (2012). Beide boeken geven een inkijk in het joods leven in de stad die tot de massadeportaties tijdens de Holocaust wel bekend stond als het ‘Jeruzalem van de Balkan’.

Slachtoffers van de Shoah met de familienaam Levi, afkomstig uit Thessaloniki (bron: Wall of Names in Jewish Museum of Thessaloniki).

Van Monastir naar Thessaloniki

Het was een verrassende ontdekking toen getuigenissen uit de database van Holocaustslachtoffers van Yad Vashem uitwezen dat Moshe en Simcha Levi, de ouders van Tamar, uit Monastir (het huidige Bitula in Noord-Macedonië) afkomstig waren. Monastir kende tot de Eerste Balkanoorlog in 1912 – waarbij Servië de stad veroverde op de Ottomanen – een vrij omvangrijke joodse gemeenschap van 8.900 inwoners. De Slag om Monastir (16-19 november 1912) en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zorgden voor een grote vluchtelingenstroom en een halvering van de bevolking; in 1919 telde Monastir nog slechts 3.000-3.500 joodse inwoners. Vermoedelijk is de familie Levi in deze jaren naar Thessaloniki getrokken (wanneer precies is nog onduidelijk). De reeds door het Griekse leger ingenomen havenstad lag ca. 200km oostwaarts en was middels een spoorlijn met Monastir verbonden. Er bestonden historisch gezien nauwe contacten tussen beide steden, dus de migratie (of vlucht) naar Thessaloniki – met haar sterk joodse karakter – was een logische keuze. Opvallend is dat de enige na de Shoah overgebleven synagoge in Thessaloniki gebouwd was door Monastirlis, ofwel joden afkomstig uit Monastir. De sefardisch-joodse gemeenschap in Monastir gold als zeer traditioneel religieus en zionistisch, moderne vormen van entertainment ontbraken in de stad. Pas met de komst van scholen naar het model van de Alliance Israélite Universelle in de jaren 1880 zou men meer westers georiënteerd raken (daarvoor bestond alleen de joodse Talmud Torahschool).

In 1863, het jaar dat Moshe Levi vermoedelijk ter wereld kwam*, teisterde een grote brand Monastir. Gegeven het feit dat slechts de helft van de joodse gezinnen een adequate woning had, moet de brand zeker op de arme gezinnen veel impact hebben gehad. Tenminste 200 gezinnen waren na de brand afhankelijk van liefdadigheid, zo schrijft Shlomo Alboher. Ze woonden veelal langs de rivier de Dragor en als die buiten haar oevers trad overstroomden geregeld hun primitieve gelijkvloerse woningen. Sir Moshe Montefiore, de joodse bankier uit Londen, werd via de Britse consul Charles Calvert om hulp gevraagd en richtte een speciaal steunfonds op. Door de stadsbranden en de nieuwe bouwprojecten verdwenen in de tweede helft van de 19de eeuw langzamerhand de joodse ‘achterstandswijken’, ook wel ‘cortijos’ geheten. Uit de getuigenis van Yad Vashem kunnen we opmaken dat Moshe Levi een kleermaker van beroep was en waarschijnlijk dus een eenvoudig bestaan leidde. Hij trad in het huwelijk met Simcha Levi (meisjesnaam onbekend) en zij kregen pas op latere leeftijd kinderen. Via het Joods Historisch Archief in Thessaloniki en Yad Vashem kon ik achterhalen wat de namen van de broers en zussen van Tamar waren. Het echtpaar kreeg vijf kinderen en zij werden allemaal in Monastir geboren. Een jaar voordat Rivka en Rachamim geboren werden, brak wederom een grote brand uit die de halve stad verwoestte. Rijke joden moesten vervolgens een extra gemeentelijke belasting betalen voor de huisvesting van de arme joden.

Het moet rond de eeuwwisseling dus een roerige tijd zijn geweest voor de Levi-familie, zeker toen de Balkanoorlog een decennium later tot een ware exodus van de joodse inwoners leidde. De inname van Monastir door het Servische leger ging gepaard met antisemitisch geweld en joodse winkels werden beroofd, geplunderd en in brand gezet. Het zou goed kunnen dat Moshe Levi op deze wijze ook zijn kledingzaak kwijtraakte en sowieso was het niet langer veilig voor joden en zijn nog jonge gezin in de stad. Het einde van de Ottomaanse overheersing over de Balkan en de nationalistische tendensen brachten veel onzekerheid over de positie van de joden, al was de American Jewish Committee in januari 1914 nog voorzichtig positief gestemd: “Will the Jews be able to go on living in this way under the new conditions, as Bulgarian, Servian, and Greek citizens? Conditions have been so radically transformed as to compel the Jews to establish themselves on a new basis. The representatives of the Brussels committee have been assured in audiences with Czar Ferdinand of Bulgaria, and King George of Greece, and many ministers, that the Jews need have no fear of the new regime; their legal and political status will be safeguarded, and they will enjoy full rights of citizenship.

Stamboom van familie Levi, afkomstig uit Monastir (Bitula, Noord-Macedonië). De
gegevens van Rachamim, Rikula en David Levi zijn bevestigd door het Joods Historisch
Archief in Thessaloniki. Van Moshe, Simcha en Rivka Levi zijn de gegevens (deels)
afkomstig uit de getuigenissen van de Holocaust Victims Database van Yad Vashem;
het opgegeven geboortejaar in deze getuigenissen lijkt niet correct.
Getuigenis van Moshe Levi (in 1944 in Auschwitz vermoord) uit 1957. Het
vermelde geboortejaar (*1870) wijkt af van de documentatie van het Joods
Historisch Archief in Thessaloniki (1863). Zijn beroep – een kleermaker (חַיָט) –
staat op deze getuigenis vermeld.
Bron: https://collections.yadvashem.org/en/names/3906633

Het joods leven in Thessaloniki tijdens het Interbellum

Monastir Synagoge in Thessaloniki, geopend in 1927.

In aanloop naar de Eerste Wereldoorlog zouden vele joodse gezinnen uit Monastir naar Thessaloniki vluchten, zo’n vijftig joodse gezinnen kwamen dagelijks te voet of per wagen aan in de stad die zo bekend kwam te staan als de “Moeder van Israël”. Een nieuw leven opbouwen zonder veel middelen en bezittingen was niet eenvoudig, zo ook niet voor de familie Levi. De Monastirlis waren wel een relatief grote groep migranten en zouden in de loop van de jaren twintig zeker respect opbouwen onder hun geloofsgenoten; in 1927 volgde zelfs de inauguratie van een eigen synagoge (zie foto). De joodse gemeenschap ving de vluchtelingen zo goed als het kon op in synagogen en joodse scholen en zamelde geld in voor hun levensonderhoud. De grote toestroom leidde ook tot het ontstaan van sloppenwijken. Op 18 augustus 1917 trof het noodlot Thessaloniki met een grote stadsbrand waar destijds de meeste huizen van hout waren gebouwd. Driekwart van de oude stad ging in vlammen op en trof het hart van de joodse buurten, vooral daar waar de vluchtelingen waren gehuisvest. In één klap raakten 70.000 inwoners, merendeels joden, dakloos. Voor de Griekse overheid was dit volgens de historici Mark Mazower en Minna Rozen een uitgelezen kans om tijdens de wederopbouw het stadscentrum grondig te herzien en moderniseren, maar ook om de joodse midden- en arbeidersklasse meer naar de periferie van de stad te drijven.

Straatbeeld van Thessaloniki na de grote brand van 18-20 augustus 1917.

Het tekort aan huisvesting voor de joodse gezinnen die hun huis waren verloren door de grote brand en de joodse migranten uit de Balkan zou pas in de loop van de jaren 1920 worden opgelost. Dit kwam mede door het vertrek van duizenden moslims, die in 1923 als onderdeel van de bevolkingsruil tussen Griekenland en Turkije Thessaloniki gedwongen moesten verlaten. Daarnaast bouwde de gemeente ook honderden nieuwe woningen, vaak wel van betere kwaliteit dan voor de brand. In hoeverre de brand impact heeft gehad op de familie Levi moet verder onderzocht worden. Opvallend is dat Tamar als jonge tiener als enige familielid naar Brits-Palestina vertrok en samen met Eliyahu een bestaan in Tiberias zou opbouwen; ze was zestien jaar oud toen haar dochter Miryam (de oma van mijn vrouw) geboren werd. Mogelijk was ze gedreven door zionistische idealen, maar het kan ook dat haar aliyah voortkwam uit het feit dat ze geen toekomst zag in Thessaloniki en haar ouders mogelijk hun huis verloren hadden als gevolg van de brand. Haar zus Rikula keerde met haar echtgenoot Meir Levi vermoedelijk weer terug naar Monastir (Bitula), waar hun vijf kinderen geboren zouden worden. Haar broers Rachamim en David traden in de voetsporen van hun vader Moshe en gingen waarschijnlijk in de familiezaak aan de slag als kleermaker.

De joodse gemeenschap in Thessaloniki moest tijdens het Interbellum de eigen autonomie blijven bewaken binnen een context waar het Griekse nationalisme, dat sterk verbonden was met de orthodox-christelijke kerk, de landelijke politiek bepaalde. Het gevoel leefde onder de joden dat zij gemarginaliseerd en gediscrimineerd werden door de overheid. Een voorbeeld was de herziening van een wet uit 1920 waarmee winkels gesloten waren op zaterdag zodat joden de sjabbat konden houden. Voortaan gold de zondag als rustdag, maar dit benadeelde joodse winkeliers, doordat zij dan twee dagen in de week de deuren gesloten moesten houden. Joden kregen ook het verwijt dat zijn niet patriots genoeg waren en dat de Griekse militaire campagne in Klein-Azië door hun toedoen mislukt zou zijn. De joodse gemeenschap raakte gaandeweg verdeeld tussen nationalisten en zionisten. De oprichting van de Vereniging van Joodse Assimilationisten in 1928 laat zien dat een deel de Griekse identiteit, taal en cultuur omarmde. Joods onderwijs kreeg in deze periode ook een steeds sterker hellenistisch karakter, wat (tot ongenoegen van zionistische joden) ten koste ging van de lesuren Hebreeuws, Jodendom en joodse geschiedenis. Na de opening van een nieuwe atletiekhal door de zionistische Maccabi-sportorganisaties in juni 1931 verspreidde de lokale krant Makedonia het valse gerucht dat vertegenwoordigers van deze organisaties in de Bulgaarse hoofdstad Sofia zouden hebben opgeroepen tot een joods autonoom bestuur in Macedonië. De anti-joodse propaganda leidde tot een uitbraak van geweld in de arme joodse wijk Campbell in Kalamaria. Een menigte van zo’n 2.000 orthodox-christelijke relschoppers zette joodse huizen en winkels in brand en gooide stenen naar synagogen. Logischerwijs voelden joden zich na de rellen onveilig in de buitenwijken, ook al streefden de meeste inwoners van Thessaloniki naar vreedzame coëxistentie en interactie.

De impact van de Shoah op de familie Levi

Waar de periode tussen 1931 en 1941 relatief rustig verliep, veranderde dat met de Duitse bezetting van Thessaloniki in april 1941. De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe toestroom van vluchtelingen in een stad die nog herstellende was van de economische crisis begin jaren dertig en de recente bombardementen van de Italiaanse luchtmacht. In het najaar van 1941 was sprake van een enorme voedselschaarste, naar schatting waren 100.000 inwoners afhankelijk van de soepkeukens. Simcha Levi overleed op 16 oktober aan een hartstilstand en zou de deportatie naar Auschwitz zoals haar meeste familieleden niet meemaken. Maar liefst 5.000 inwoners kwamen in de maanden daarop om van de honger en in de zomer van 1942 volgde een uitbraak van malaria. De anti-joodse maatregelen deden spoedig hun intrede en leidden tot een boycot van joodse ondernemingen en tal van restricties. Het Sonderkommando van Alfred Rosenberg plunderde joodse bibliotheken, clubs en synagogen en nam duizenden boeken, archieven en manuscripten mee naar Nazi-Duitsland. Op 11 juli 1942, bekend als ‘Zwarte Sjabbat’, moesten 9.000 joodse mannen tussen de 18 en 45 jaar zich verzamelen op het Plateia Eleftherias (Vrijheidsplein) en onder toeziend oog van een grote menigte allerlei vernederingen ondergaan. Vanaf februari 1943 moesten joden in Thessaloniki zich houden aan de Neurenbergerwetten en een gele ster in het openbaar dragen. Op 6 maart 1943 waren de joodse getto’s in de stad afgesloten met checkpoints en op 15 maart 1943 volgde het eerste transport van 2.800 joden naar Auschwitz.

Overlijdensakte van Simcha Levi (1861-1941), Gemeentelijk Archief van Thessaloniki. Volgens deze akte was zij door een hartstilstand overleden (συγκοπη καρδίας).

In enkele maanden tijd deporteerden de Nazi’s bijna 50.000 joden uit Thessaloniki naar de vernietigingskampen. Van de vooroorlogse joodse bevolking overleefde minder dan vijf procent de Shoah. Voor de familie Levi was de Holocaust eveneens desastreus. Tamar was inderdaad de enige overlevende uit het gezin van Moshe en Simcha; achteraf bezien had haar migratie naar Palestina haar het leven gered. Haar vader, broers en zussen, en hun kinderen kwamen vrijwel allemaal om in Auschwitz. Een jongere neef van haar, David Levi (geb. in 1913), was op 13 april 1943 op transport gesteld maar overleefde als dwangarbeider Auschwitz. Hij keerde in 1945 terug naar Thessaloniki. Van de verwante familie moet ook een groot deel zijn omgekomen als de slachtoffers met de achternaam Levi in Monastir en Thessaloniki bekeken worden. Het opvallend hoge percentage slachtoffers in Thessaloniki kende verschillende oorzaken. Anders dan in bijvoorbeeld Athene (dat een kleine joodse gemeenschap had) was het lastig om onderduikplaatsen te vinden (zeker voor ouderen die de Griekse taal niet machtig waren) en was ook het ondergrondse verzet nog zeer klein in omvang. Opperrabijn Zvi Koretz liet het na om zich tegen de deportaties uit te spreken en gaf zelfs aan dat joden hun lot moesten ondergaan en er geen alternatief was. Joodse gezinnen wilden bovendien liever niet gescheiden van elkaar worden. Het lijkt er tot slot op dat de christelijke bevolking in Thessaloniki weinig solidariteit met haar joodse stadsgenoten toonde en de deportaties met lede ogen aanschouwde. Antisemitische sentimenten, maar ook angst voor represailles van de Nazi’s hebben hier ongetwijfeld aan bijgedragen. Behalve de vernietiging van de joodse gemeenschap in Thessaloniki, zorgde de Duitse bezetting ook voor de verwoesting van de eeuwenoude joodse begraafplaats en bijna alle synagogen in de stad. Zo kwam een definitief einde aan het Jeruzalem van de Balkan.

V.l.n.r.: Tamar Levi, Miryam Mizrachi en Nechama Sabach (drie generaties), ca. 1961.

Verder genealogisch onderzoek

Voor verder genealogisch onderzoek naar de familie Levi in Thessaloniki staat dit voorjaar een bezoek gepland aan het plaatselijke Joods Historisch Archief (JHA). Ook het gemeentelijke bevolkingsregister kan nieuwe feiten over de familieleden van Tamar Levi aan het licht brengen. Tot dusver heb ik mij gebaseerd op het vooronderzoek van het JHA en data van de volgende websites:

https://www.jewishgen.org/databases/all/

https://genealogy.org.il/AID/

https://collections.yadvashem.org/en/names

https://research.jmth.gr/

Bronvermelding

Aron Rodrique en Sarah Abrevaya Stein (red.), A Jewish Voice from Ottoman Salonica. The Ladino Memoir of Sa’adi Besalel a-Levi (Stanford, California, 2012). Vertaald uit het Ladino door Isaac Jerusalmi.

Sarah Abrevaya Stein, Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (New York, 2019).

Devin E. Naar, Jewish Salonica. Between the Ottoman Empire and Modern Greece (Stanford, California, 2016).

Devin E. Naar, ‘The “Mother of Israel” or the “Sephardi Metropolis”? Sephardim, Ashkenazim, and Romaniotes in Salonica’, Jewish Social Studies 22:1 (2016) pp. 81-129. Zie online: https://www.academia.edu/29799629/The_Mother_of_Israel_or_the_Sephardi_Metropolis_Sephardim_Ashkenazim_and_Romaniotes_in_Salonica (22-12-2025).

Devin E. Naar, ‘Jerusalem of the Balkans’, Jewish Review of Books 4:1 (2013) pp. 8-11. Zie online: https://jewishreviewofbooks.com/articles/134/jerusalem-of-the-balkans/# (22-12-2025).

Devin E. Naar, ‘Bushkando Muestros Nonos i Nonas: Family History Research on Sephardic Jewry Through the Ladino Language Archives of the Jewish Community of Salonika’, Avotaynu. The International Review of Jewish Genealogy 13:1 (2007) pp. 40-49. Zie online: https://avotaynuonline.com/2007/04/bushkando-muestros-nonos-i-nonas-family-history-research-on-sephardic-jewry-through-the-ladino-language-archives-of-the-jewish-community-of-salonika-by-devin-e-naar/ (22-12-2025).

Leon Saltiel, ‘Dehumanizing the Dead. The Destruction of Thessaloniki’s Jewish Cemetery in the Light of New Sources’, Yad Vashem Studies 42:1 (2014) 1-35. Zie online: https://www.academia.edu/8343279/Dehumanizing_the_Dead_The_Destruction_of_Thessaloniki_s_Jewish_Cemetery_in_the_Light_of_New_Sources (24-5-2026).

Mark Mazower, Salonica, City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950 (Londen, New York, Toronto en Sydney, 2005).

Minna Rozen, ‘Money, Power, Politics, and the Great Salonika Fire of 1917’, Jewish Social Studies 22:2 (2017) pp. 74-115. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/project_muse_649093%20MONEY%20POWER%20POLITICS.pdf (22-12-2025).

Minna Rozen, ‘For the Sake of My Brothers. The Great Fire of Salonika and the Mobilisation of the Diaspora Jewry on Behalf of the Victims’, Αρχείων Ανάλεκτα:Περιοδική έκδοση μελέτης και έρευνας αρχείων (δεύτερη περίοδος) 2 (Thessaloniki, 2017), pp. 183-258. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/For%20the%20Sake%20of%20my%20Brothers.pdf (22-12-2025).

Minna Rozen, ‘Educating the Jewish Children of Salonika: Political and Socioeconomic Aspects, 1912–1941’, in: Dina Moustani (red.), Jewish Education in Southeastern Europe (Mid 19th-Mid 20th Century) (Volos, 2021) pp. 9-32. Zie online: https://www.academia.edu/59480289/Educating_the_Jewish_Children_of_Salonika_Political_and_Socioeconomic_Aspects_1912_1941 (22-12-2025).

Shlomo Alboher, The Jews of Monastir Macedonia. The Life and Times of the Departed Jewish Community of Bitola (Skopje, 2010). Vertaald uit het Hebreeuws door Eliezer E. Cohen. Zie online: https://monastir.org.il/wp-content/uploads/2022/11/40034999-The-Jews-of-Monastir-Macedonia.pdf (22-12-2025).

Zoran Gjorgiev, Remnants. Jewish Heritage in Monastir – Bitola (2023).

American Jewish Committee, ‘The Balkan Wars and the Jews’, American Jewish Year Book (1914) pp. 188-206. Zie online: https://exhibits.stanford.edu/bermanarchive/catalog/cj631fc5498 (22-12-2025).

Alliance Israelite Universelle, ‘City 2. Jewish demography and heritage’: https://www.bibliotheque-numerique-aiu.org/en/exhibitions-us/exhibitions/69-i-city-2-jewish-demography-and-heritage (22-12-2025).

Zeljka Oparnica, Sephardi politics in the Balkans, 1900–1940 (University of London, 2022). Zie online: https://jevrejskadigitalnabiblioteka.rs/bitstream/handle/123456789/2227/SephardiPoliticsInBalkans1900i1940OparicaOCR.pdf?sequence=1&isAllowed=y (22-12-2025).

Yad Vashem, ‘Transport from Thessaloniki to Auschwitz on 13/04/1943’: Transport from Thessaloniki,Thessaloniki,Macedonia,Greece to Auschwitz Birkenau,Extermination Camp,Poland on 13/04/1943 (22-12-2025).

Verbeelding van kinderen in Theresienstadt

Samen met Marcel Meijers, docent Levensbeschouwing, ben ik vorig jaar een onderwijsproject – genaamd ‘Meer dan overleven alleen’ – gestart over Theresienstadt. We ontwikkelen in dit project lesmateriaal voor Holocausteducatie. Deze bijdrage gaat over het belang van kunst voor (joodse) kinderen die naar dit ‘modelkamp’ van de Nazi’s waren gedeporteerd tijdens de Holocaust.

Inleiding

“If we want to look at children’s drawing with pleasure and profit, we must first silence our wishes and requirements about form and content and gratefully take what they have to offer… The aim is the maximum freedom of the child, their free choice of expression according to their mood… Everything must be left to the child. At most they should be given a subject, an impulse.” – Friedl Dicker-Brandeis, 1943

Friedl Dicker- Brandeis

Als geen ander besefte Friedl Dicker-Brandeis (1898-1944) dat kinderen een grenzeloze verbeelding hebben en zoveel mogelijk vrijheid moeten genieten in hun creaties. Dicker-Brandeis was een buitengewoon getalenteerde avant garde-schilder*, maar ze had als kunstdocent in Theresienstadt zeker niet de pretentie om kinderen tot professionals op te leiden. Haar kracht was juist dat zij haar leerlingen hun eigen fantasie en verbeelding liet volgen. Op die manier konden kinderen voor even ontsnappen aan de dagelijkse realiteit van dood en verderf, honger en onderdrukking. Slechts 10% van de circa 15.000 kinderen in Theresienstadt overleefde de Holocaust.

Waar volwassenen kunstenaars in het geheim nauwkeurig de misère in het getto vastlegden, leerden de jonge leerlingen van Dicker-Brandeis juist hun eigen gedachten, verlangens en angsten op creatieve wijze te verbeelden. Enkele duizenden tekeningen, schilderingen en collages verstopte deze uiterst bevlogen docent in twee koffers in één van de kinderslaapbarakken voordat zij op 6 oktober 1944 naar Auschwitz werd gedeporteerd. Zij zou daar kort na aankomst samen met een groep leerlingen vergast worden. De kunstwerken overleefden de Holocaust en geven ons inzicht in de denkwereld van de kinderen. In deze blog laat ik aan de hand van enkele tekeningen en schilderingen zien hoe kinderen uitdrukking gaven aan hun gevoelens en emoties en welke persoonlijke waarde kunst voor hen had in een tijd van gevangenschap, onzekerheid en vervolging.

Het leven van kinderen in Theresienstadt

Net als volwassen gevangen werden kinderen aan de erbarmelijke omstandigheden in het spoedig overvolle getto blootgesteld. Bij aankomst zagen zij hoe mannen en vrouwen in aparte barakken werden ondergebracht. Kinderen tot 12 jaar mochten bij hun moeder blijven, alleen voor de kleuters was er een apart verblijf. Kinderen van 14 jaar en ouder moesten dezelfde gedwongen arbeid verrichten als volwassenen. Van een onbezorgde jeugd was zo allerminst sprake. Oudere bewoners van Theresienstadt deden desondanks hun best om kinderen zoveel mogelijk te helpen. Ze kregen vaak net iets meer eten toegestopt, al was dit nog steeds onvoldoende om de voortdurende honger te stillen. Ziektes als mazelen, roodvonk, tyfus en diverse huidaandoeningen teisterden de kindertehuizen; “het hele oord was één epidemie,” aldus Tomas Brod. Zowel ouderen als jongeren bezweken aan honger en ziekte, geregeld werden lichamen in kisten afgevoerd naar de begraafplaats (mede vanwege het hoge sterftecijfer kwam er al snel een crematorium). Kinderen waren eveneens getuige (en slachtoffer) van de vele vernederingen, lichamelijke straffen en deportaties – het transport (naar het oosten) vormde veruit hun grootste angst.

Niet wetende wat de toekomst zou brengen, zorgde men er in Theresienstadt toch voor dat kinderen konden spelen en onderwijs volgen. Onderwijs was formeel niet toegestaan door de SS in Theresienstadt, maar een breed scala aan culturele activiteiten werd toch gedoogd en soms zelfs gestimuleerd omdat dit paste binnen de Nazi-propaganda.** Dicker-Brandeis verzorgde al kort na haar aankomst in december 1942 haar eerste kunstlessen in de kinderbarakken L410 (meisjes) en L417 (jongens) en gebruikte – gezien de schaarste – elk mogelijk materiaal dat voorhanden was. Meisjes spendeerden hun tijd ook aan japonnen naaien, poppen maken en lezen. Onder de jongens was voetbal in de vrije tijd het meest populair. Het feit dat er verschillende nationaliteiten in het getto aanwezig waren zorgde ook voor enige rivaliteit, zeker tussen de Tsjechische en Duitse jongens. Het lastigste was misschien wel de situatie voor wezen en kinderen van gemengde komaf. Ze waren op zichzelf aangewezen en diegenen die uit protestantse of katholieke gezinnen waren weggehaald wisten soms pas bij aankomst dat ze joods waren. Kinderen die religieus joods waren opgevoed en de tijd vonden om te bidden werden daar niet raar op aangekeken. Van verdraagzaamheid was wel degelijk sprake ondanks de vele onderlinge verschillen.

Voorbeelden van kinderkunst

Helga Pollak-Kinsky (1930-2020) was één van de weinige leerlingen van Dicker-Brandeis die de Holocaust overleefde. Zij had warme herinneringen aan haar kunstlessen en wist nog goed hoe zij in het midden van de kamer een tafel vol potloden, verfkwasten en – kleuren en papier had. Ze bracht kunstboeken, bloemen, ansichtkaarten of andere items mee naar de lessen. Het ging haar niet om de kwaliteit, maar de ontwikkeling en het plezier van het kind. Pollak zei: “There was something about her way of teaching that made us feel, for the moment, free of care. She somehow managed to awaken in us a positive attitude about our situation, about living in Theresienstadt.”

Dicker-Brandeis moedigde leerlingen aan om hun verbeelding te gebruiken en te denken aan de plaats waar ze graag zouden willen zijn of iets waar zij vurig op hoopten. In de kunstwerkjes die bewaard zijn gebleven zien we dan ook terugkerende thema’s, zoals de natuur, familie en thuis, voedsel en vrijheid. Vlinders en vogels staan symbool voor het verlangen naar vrijheid, feestmaaltijden zoals bij Pesach voor het gebrek aan voedsel en de honger in Theresienstadt. Ruth Gutmannová schilderde een rijk onderwaterleven met visjes, kwallen, zeesterren en andere zeediertjes. Links onderin lijkt iemand in donkerzwart geschilderd te zwemmen; misschien beeldde zij in dat ze op vakantie aan het diepzeeduiken was. De donkerzwarte gedaante steekt sterk af bij de lichte en warme kleuren van de zeediertjes. Was dit misschien het contrast tussen de realiteit en haar fantasie?

Even fantasierijk is het maanlandschap van Petr Ginz. Op zijn tekening zien we het uitzicht vanaf de maan op de verlichte Aarde. Het maanlandschap kenmerkt zich door spitse donkere rotsen, die een onheilspellend sfeer weergeven en mogelijk angst uitdrukken. Angst voor wat gaande was in de wereld. Reizen naar de maan was ongetwijfeld een droom van de jonge Petr, maar zou als het ware ook een veilige afstand bieden tot de gevaren en ellende waaraan hij zo jong werd blootgesteld. Als eerbetoon aan hem nam de Israëlische astronaut Ilan Ramon een kopie van deze tekening mee op zijn helaas fatale ruimtetocht met de Columbus in 2003.

Een sterk verlangen naar een betere wereld zien we ook terug in het kasteel dat Dorit Weiserová tekende. Haar tekening valt op door de warme, zachte kleuren. Achter de oranjegekleurde bergen komt de zon op en tussen de bloemen en naast de boom staan een meisje en een vrouw met open armen, misschien moeder en dochter? Positieve gedachten zijn uitgedrukt in dit werk, als ook een sterk verlangen: dromen van vrijheid en een leven zonder zorgen. Het maken van zulk werk kon weer een sprankje hoop bieden of je voor even weer opgewekt laten voelen.

Dit neemt niet weg dat kinderen zich niet bewust waren van de misstanden en het onrecht dat hen werd aangegaan. Sommigen zagen het ook als hun taak om vast te leggen wat er werkelijk in Theresienstadt gebeurde, als zijnde bewijs voor later. “Teken was je ziet” was de opdracht die Helga Weissová van haar vader kreeg. Ze maakte gedurende haar gevangenschap maar liefst honderd tekeningen. Voorafgaand aan het bezoek van de Rode Kruis Commissie in juni 1944 werd Theresienstadt verfraaid om de indruk te wekken dat alles pais en vree was. Tijdens de ‘Verschönerung’ werden in sneltreinvaart straten schoongemaakt, huizen geschilderd en de barakken opgeknapt. Treffend is hoe Helga in haar tekening laat zien hoe de bovenste etages van de stapelbedden, die gevangenen doorgaans met zijn zessen deelden (goed te zien aan de nummers 23 en 24), worden gezaagd door de gevangenen zelf. Ironisch is dat zij moesten meehelpen aan de illusie van Theresienstadt als stad waarin het voor joden prima vertoeven was. De gevangenen zijn als schimmen zonder echte gezichtskenmerken getekend, waarmee hun identiteit wordt gereduceerd tot een Jodenster en/of een nummer van hun spaarzame bezittingen.

Ruth Gutmannová (1930-1944), Onderwaterwereld (1943-44)
Petr Ginz (1928-1944), Maanlandschap (1942-44)
Dorit Weiserová (1932-1944), Kasteel (3 mei 1944)

Helga Hošková-Weissová (geb. in 1929), Afzagen van de stapelbedden voor het bezoek van het Rode Kruis (1944)

Conclusie

De verscheidenheid in de kinderkunst van Theresienstadt is erg groot en getuigt van een haast ondenkbare creativiteit en verbeeldingskracht te midden van een periode vol wanhoop en onzekerheid. De kunst hielp kinderen om zich voor even weer kind te kunnen voelen, maar zeker ook te leren omgaan met hun emoties. Deze omgang kan je misschien afleiden uit de tekeningen, al moet je met interpretaties op dit vlak ook voorzichtig zijn. Niettemin konden kinderen met hun gedachten even afdwalen en vluchten uit het kampleven en verlangen naar een andere wereld uit hun eigen fantasie of die zij nog kenden van vroeger. Kunst had een therapeutische werking: het hielp kinderen op de been te blijven, ook al was hun lot en dat van hun familie hoogst onzeker, en gaf hun reden om zich trots te voelen op het werk dat zij hadden gemaakt. Door hun creaties behielden zij ook een stukje eigenwaarde en identiteit van wie zij waren, iets wat de Nazi’s juist van hen wilden afpakken.

* De term ‘avant garde’ betekent letterlijk ‘voorhoede’ en verwijst hier naar vernieuwende kunststromingen van eind 19de, begin 20ste eeuw, zoals het impressionisme, het kubisme en het expressionisme. Dicker-Brandeis volgde haar kunstopleiding aan het vooruitstrevende Bauhaus in Weimar en haar schilderwerk (veelal met water-, pastel- en olieverf) en pedagogiek werden daar gevormd.

** Theresienstadt moest de illusie in stand houden dat de joden het goed hadden in de werk- en concentratiekampen. In februari 1944 begon de productie van een propagandafilm over Theresienstadt onder leiding van Kurt Gerron, getiteld The Führer gives the Jews a Town: https://www.youtube.com/watch?v=qEQPjvDXeZY&amp

Bronnen

George E. Berkley, Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de Nazi’s (Baarn en Antwerpen, 1995). Vertaald door Chris Mouwen.

Anne D. Dutlinger et alii (red.), Art, Music and Education as Strategies for Survival: Theresienstadt, 1941-1945 (New York en Londen, 2001).

Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt. De laatste overlevenden van het concentratiekamp getuigen (Tielt, 2012).

Joods Museum in Praag, ‘Children’s Drawings from the Terezín Ghetto’ https://www.jewishmuseum.cz/en/collection-research/collections-funds/visual-arts/children-s-drawings-from-the-terezin-ghetto/

Karlin Lojo, ‘Moon Landscape – Petr Ginz and an Astronauts Legacy’ https://www.czechcenter.org/blog/space/mission/moon-landscape

Museum of Jewish Heritage in New York, ‘Artwork: Child’s Drawing of Terezín Bunks’ https://education.mjhnyc.org/artifacts/helga-weissova-urezavani-kavalcu-pred-prijezd-komise-cerveneho-krize-cutting-down-of-bunkbeds-before-visit-from-the-red-cross-commission-1944/

Yad Vashem, ‘Coping through Art – Friedl Dicker-Brandeis and the children of Theresienstadt’ https://www.yadvashem.org/articles/general/coping-through-art-brandeis-theresienstadt.html

Frances Gaezer Grossman, ‘The Art of the Children of Terezin. A Psychological Study’, Holocaust and Genocide Studies 4:2 (1989) 213-29.

Ellen Handler Spitz, ‘Friedl Dicker-Brandeis and Her Work in Terezín: Children, Art, and Hope’, The Journal of Aesthetic Education 46:2 (2012) 1-13.