Verbeelding van kinderen in Theresienstadt

Samen met Marcel Meijers, docent Levensbeschouwing, ben ik vorig jaar een onderwijsproject – genaamd ‘Meer dan overleven alleen’ – gestart over Theresienstadt. We ontwikkelen in dit project lesmateriaal voor Holocausteducatie. Deze bijdrage gaat over het belang van kunst voor (joodse) kinderen die naar dit ‘modelkamp’ van de Nazi’s waren gedeporteerd tijdens de Holocaust.

Inleiding

“If we want to look at children’s drawing with pleasure and profit, we must first silence our wishes and requirements about form and content and gratefully take what they have to offer… The aim is the maximum freedom of the child, their free choice of expression according to their mood… Everything must be left to the child. At most they should be given a subject, an impulse.” – Friedl Dicker-Brandeis, 1943

Friedl Dicker- Brandeis

Als geen ander besefte Friedl Dicker-Brandeis (1898-1944) dat kinderen een grenzeloze verbeelding hebben en zoveel mogelijk vrijheid moeten genieten in hun creaties. Dicker-Brandeis was een buitengewoon getalenteerde avant garde-schilder*, maar ze had als kunstdocent in Theresienstadt zeker niet de pretentie om kinderen tot professionals op te leiden. Haar kracht was juist dat zij haar leerlingen hun eigen fantasie en verbeelding liet volgen. Op die manier konden kinderen voor even ontsnappen aan de dagelijkse realiteit van dood en verderf, honger en onderdrukking. Slechts 10% van de circa 15.000 kinderen in Theresienstadt overleefde de Holocaust.

Waar volwassenen kunstenaars in het geheim nauwkeurig de misère in het getto vastlegden, leerden de jonge leerlingen van Dicker-Brandeis juist hun eigen gedachten, verlangens en angsten op creatieve wijze te verbeelden. Enkele duizenden tekeningen, schilderingen en collages verstopte deze uiterst bevlogen docent in twee koffers in één van de kinderslaapbarakken voordat zij op 6 oktober 1944 naar Auschwitz werd gedeporteerd. Zij zou daar kort na aankomst samen met een groep leerlingen vergast worden. De kunstwerken overleefden de Holocaust en geven ons inzicht in de denkwereld van de kinderen. In deze blog laat ik aan de hand van enkele tekeningen en schilderingen zien hoe kinderen uitdrukking gaven aan hun gevoelens en emoties en welke persoonlijke waarde kunst voor hen had in een tijd van gevangenschap, onzekerheid en vervolging.

Het leven van kinderen in Theresienstadt

Net als volwassen gevangen werden kinderen aan de erbarmelijke omstandigheden in het spoedig overvolle getto blootgesteld. Bij aankomst zagen zij hoe mannen en vrouwen in aparte barakken werden ondergebracht. Kinderen tot 12 jaar mochten bij hun moeder blijven, alleen voor de kleuters was er een apart verblijf. Kinderen van 14 jaar en ouder moesten dezelfde gedwongen arbeid verrichten als volwassenen. Van een onbezorgde jeugd was zo allerminst sprake. Oudere bewoners van Theresienstadt deden desondanks hun best om kinderen zoveel mogelijk te helpen. Ze kregen vaak net iets meer eten toegestopt, al was dit nog steeds onvoldoende om de voortdurende honger te stillen. Ziektes als mazelen, roodvonk, tyfus en diverse huidaandoeningen teisterden de kindertehuizen; “het hele oord was één epidemie,” aldus Tomas Brod. Zowel ouderen als jongeren bezweken aan honger en ziekte, geregeld werden lichamen in kisten afgevoerd naar de begraafplaats (mede vanwege het hoge sterftecijfer kwam er al snel een crematorium). Kinderen waren eveneens getuige (en slachtoffer) van de vele vernederingen, lichamelijke straffen en deportaties – het transport (naar het oosten) vormde veruit hun grootste angst.

Niet wetende wat de toekomst zou brengen, zorgde men er in Theresienstadt toch voor dat kinderen konden spelen en onderwijs volgen. Onderwijs was formeel niet toegestaan door de SS in Theresienstadt, maar een breed scala aan culturele activiteiten werd toch gedoogd en soms zelfs gestimuleerd omdat dit paste binnen de Nazi-propaganda.** Dicker-Brandeis verzorgde al kort na haar aankomst in december 1942 haar eerste kunstlessen in de kinderbarakken L410 (meisjes) en L417 (jongens) en gebruikte – gezien de schaarste – elk mogelijk materiaal dat voorhanden was. Meisjes spendeerden hun tijd ook aan japonnen naaien, poppen maken en lezen. Onder de jongens was voetbal in de vrije tijd het meest populair. Het feit dat er verschillende nationaliteiten in het getto aanwezig waren zorgde ook voor enige rivaliteit, zeker tussen de Tsjechische en Duitse jongens. Het lastigste was misschien wel de situatie voor wezen en kinderen van gemengde komaf. Ze waren op zichzelf aangewezen en diegenen die uit protestantse of katholieke gezinnen waren weggehaald wisten soms pas bij aankomst dat ze joods waren. Kinderen die religieus joods waren opgevoed en de tijd vonden om te bidden werden daar niet raar op aangekeken. Van verdraagzaamheid was wel degelijk sprake ondanks de vele onderlinge verschillen.

Voorbeelden van kinderkunst

Helga Pollak-Kinsky (1930-2020) was één van de weinige leerlingen van Dicker-Brandeis die de Holocaust overleefde. Zij had warme herinneringen aan haar kunstlessen en wist nog goed hoe zij in het midden van de kamer een tafel vol potloden, verfkwasten en – kleuren en papier had. Ze bracht kunstboeken, bloemen, ansichtkaarten of andere items mee naar de lessen. Het ging haar niet om de kwaliteit, maar de ontwikkeling en het plezier van het kind. Pollak zei: “There was something about her way of teaching that made us feel, for the moment, free of care. She somehow managed to awaken in us a positive attitude about our situation, about living in Theresienstadt.”

Dicker-Brandeis moedigde leerlingen aan om hun verbeelding te gebruiken en te denken aan de plaats waar ze graag zouden willen zijn of iets waar zij vurig op hoopten. In de kunstwerkjes die bewaard zijn gebleven zien we dan ook terugkerende thema’s, zoals de natuur, familie en thuis, voedsel en vrijheid. Vlinders en vogels staan symbool voor het verlangen naar vrijheid, feestmaaltijden zoals bij Pesach voor het gebrek aan voedsel en de honger in Theresienstadt. Ruth Gutmannová schilderde een rijk onderwaterleven met visjes, kwallen, zeesterren en andere zeediertjes. Links onderin lijkt iemand in donkerzwart geschilderd te zwemmen; misschien beeldde zij in dat ze op vakantie aan het diepzeeduiken was. De donkerzwarte gedaante steekt sterk af bij de lichte en warme kleuren van de zeediertjes. Was dit misschien het contrast tussen de realiteit en haar fantasie?

Even fantasierijk is het maanlandschap van Petr Ginz. Op zijn tekening zien we het uitzicht vanaf de maan op de verlichte Aarde. Het maanlandschap kenmerkt zich door spitse donkere rotsen, die een onheilspellend sfeer weergeven en mogelijk angst uitdrukken. Angst voor wat gaande was in de wereld. Reizen naar de maan was ongetwijfeld een droom van de jonge Petr, maar zou als het ware ook een veilige afstand bieden tot de gevaren en ellende waaraan hij zo jong werd blootgesteld. Als eerbetoon aan hem nam de Israëlische astronaut Ilan Ramon een kopie van deze tekening mee op zijn helaas fatale ruimtetocht met de Columbus in 2003.

Een sterk verlangen naar een betere wereld zien we ook terug in het kasteel dat Dorit Weiserová tekende. Haar tekening valt op door de warme, zachte kleuren. Achter de oranjegekleurde bergen komt de zon op en tussen de bloemen en naast de boom staan een meisje en een vrouw met open armen, misschien moeder en dochter? Positieve gedachten zijn uitgedrukt in dit werk, als ook een sterk verlangen: dromen van vrijheid en een leven zonder zorgen. Het maken van zulk werk kon weer een sprankje hoop bieden of je voor even weer opgewekt laten voelen.

Dit neemt niet weg dat kinderen zich niet bewust waren van de misstanden en het onrecht dat hen werd aangegaan. Sommigen zagen het ook als hun taak om vast te leggen wat er werkelijk in Theresienstadt gebeurde, als zijnde bewijs voor later. “Teken was je ziet” was de opdracht die Helga Weissová van haar vader kreeg. Ze maakte gedurende haar gevangenschap maar liefst honderd tekeningen. Voorafgaand aan het bezoek van de Rode Kruis Commissie in juni 1944 werd Theresienstadt verfraaid om de indruk te wekken dat alles pais en vree was. Tijdens de ‘Verschönerung’ werden in sneltreinvaart straten schoongemaakt, huizen geschilderd en de barakken opgeknapt. Treffend is hoe Helga in haar tekening laat zien hoe de bovenste etages van de stapelbedden, die gevangenen doorgaans met zijn zessen deelden (goed te zien aan de nummers 23 en 24), worden gezaagd door de gevangenen zelf. Ironisch is dat zij moesten meehelpen aan de illusie van Theresienstadt als stad waarin het voor joden prima vertoeven was. De gevangenen zijn als schimmen zonder echte gezichtskenmerken getekend, waarmee hun identiteit wordt gereduceerd tot een Jodenster en/of een nummer van hun spaarzame bezittingen.

Ruth Gutmannová (1930-1944), Onderwaterwereld (1943-44)
Petr Ginz (1928-1944), Maanlandschap (1942-44)
Dorit Weiserová (1932-1944), Kasteel (3 mei 1944)

Helga Hošková-Weissová (geb. in 1929), Afzagen van de stapelbedden voor het bezoek van het Rode Kruis (1944)

Conclusie

De verscheidenheid in de kinderkunst van Theresienstadt is erg groot en getuigt van een haast ondenkbare creativiteit en verbeeldingskracht te midden van een periode vol wanhoop en onzekerheid. De kunst hielp kinderen om zich voor even weer kind te kunnen voelen, maar zeker ook te leren omgaan met hun emoties. Deze omgang kan je misschien afleiden uit de tekeningen, al moet je met interpretaties op dit vlak ook voorzichtig zijn. Niettemin konden kinderen met hun gedachten even afdwalen en vluchten uit het kampleven en verlangen naar een andere wereld uit hun eigen fantasie of die zij nog kenden van vroeger. Kunst had een therapeutische werking: het hielp kinderen op de been te blijven, ook al was hun lot en dat van hun familie hoogst onzeker, en gaf hun reden om zich trots te voelen op het werk dat zij hadden gemaakt. Door hun creaties behielden zij ook een stukje eigenwaarde en identiteit van wie zij waren, iets wat de Nazi’s juist van hen wilden afpakken.

* De term ‘avant garde’ betekent letterlijk ‘voorhoede’ en verwijst hier naar vernieuwende kunststromingen van eind 19de, begin 20ste eeuw, zoals het impressionisme, het kubisme en het expressionisme. Dicker-Brandeis volgde haar kunstopleiding aan het vooruitstrevende Bauhaus in Weimar en haar schilderwerk (veelal met water-, pastel- en olieverf) en pedagogiek werden daar gevormd.

** Theresienstadt moest de illusie in stand houden dat de joden het goed hadden in de werk- en concentratiekampen. In februari 1944 begon de productie van een propagandafilm over Theresienstadt onder leiding van Kurt Gerron, getiteld The Führer gives the Jews a Town: https://www.youtube.com/watch?v=qEQPjvDXeZY&amp

Bronnen

George E. Berkley, Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de Nazi’s (Baarn en Antwerpen, 1995). Vertaald door Chris Mouwen.

Anne D. Dutlinger et alii (red.), Art, Music and Education as Strategies for Survival: Theresienstadt, 1941-1945 (New York en Londen, 2001).

Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt. De laatste overlevenden van het concentratiekamp getuigen (Tielt, 2012).

Joods Museum in Praag, ‘Children’s Drawings from the Terezín Ghetto’ https://www.jewishmuseum.cz/en/collection-research/collections-funds/visual-arts/children-s-drawings-from-the-terezin-ghetto/

Karlin Lojo, ‘Moon Landscape – Petr Ginz and an Astronauts Legacy’ https://www.czechcenter.org/blog/space/mission/moon-landscape

Museum of Jewish Heritage in New York, ‘Artwork: Child’s Drawing of Terezín Bunks’ https://education.mjhnyc.org/artifacts/helga-weissova-urezavani-kavalcu-pred-prijezd-komise-cerveneho-krize-cutting-down-of-bunkbeds-before-visit-from-the-red-cross-commission-1944/

Yad Vashem, ‘Coping through Art – Friedl Dicker-Brandeis and the children of Theresienstadt’ https://www.yadvashem.org/articles/general/coping-through-art-brandeis-theresienstadt.html

Frances Gaezer Grossman, ‘The Art of the Children of Terezin. A Psychological Study’, Holocaust and Genocide Studies 4:2 (1989) 213-29.

Ellen Handler Spitz, ‘Friedl Dicker-Brandeis and Her Work in Terezín: Children, Art, and Hope’, The Journal of Aesthetic Education 46:2 (2012) 1-13.

In de voetsporen van een kruisvaarder

Een kruisvaarder in de stamboom

Elk jaar maken mijn brugklassers bij het vak Geschiedenis een stamboom en doen zij onderzoek naar hun eigen familiegeschiedenis. Mijn vader, Gerrit van der Beek, heeft hier een levensproject van gemaakt en nam mij al op jonge leeftijd mee naar archieven om gegevens te verzamelen over onze voorouders. Op een dag had mijn vader ontdekt dat we van Karel de Grote afstamden. Wel bekend is dat hij op 25 december 800 door Paus Leo III tot keizer van het Frankische Rijk werd gekroond en het christendom heeft verspreid over West-Europa. Zelden heb ik de lijn naar Karel de Grote in detail bestudeerd, maar toen ik onlangs de vele generaties eens nauwkeurig langsliep viel mijn oog op een voorouder genaamd Jacob, Heer van Avesnes, Condé en Leuze (~1150-1191). Het opvallende aan Jacques d’Avesnes (zijn Franse naam) was dat hij in Palestina was gestorven in de Slag bij Arsoef tijdens de Derde Kruistocht. Dit maakte mij nieuwsgierig om uit te zoeken wie hij was en hoe hij in deze kruistocht verzeild was geraakt.

Wie was Jacques d’Avesnes?

Kaart van graafschap Henegouwen

Het is onbekend wanneer Jacques d’Avesnes precies geboren is, het moet zo omstreeks 1150 geweest zijn. Als zoon van Nikolaas en Mathilde van Laroche groeide hij op in een adellijke familie uit het graafschap Henegouwen. Toen zijn vader Nikolaas in 1170 stierf erfde de jonge Jacques zijn Henegouwse bezittingen, te weten gebieden rondom Avesnes (plaatsje in Noord-Frankrijk), Condé en Leuzen. Op ongeveer 30-jarige leeftijd trad hij in het huwelijk met Adela van Guise. Jacques en Adela kregen samen acht kinderen, onder wie Buchard (1182-1244), de stamvader van de Henegouwse graven van het huis van Avesnes.

Jacques stond in tegenstelling tot zijn rustige en bedachtzame vader bekend als temperamentvol en kwam voortdurend in conflict met zijn leenheren Boudewijn V en Filips van de Elzas. Eén van de conflicten bereikte zijn hoogtepunt tijdens een volkoproer in Condé in 1174. Wat was er aan de hand? Robertus van Dover, bisschop van Kamerijk en Atrecht, was op weg naar de burcht van Jacques, heer van Avesnes, toen hij door handlangers van de vazal werd overvallen en vermoord. De bisschop had weliswaar een vrijgeleide gekregen van de Henegouwse graaf Boudewijn V om naar Condé af te reizen omdat hij een einde wilde maken aan de toe-eigening van kerkelijk bezit door Jacques. Als straf stak Boudewijn, in wiens rechtsgebied de misdaad had plaatsgevonden, het dorp Condé in brand en nam het plaatselijke kasteel in. Daarnaast raakte Jacques Guise en al zijn Vermandese gebieden kwijt aan de Vlaamse graaf Filips van Elzas. Het was dat Jacques gelukkig op de steun van Hendrik, aartsbisschop van Reims, kon rekenen, zodat hij zich met Kerstmis onder ede van de moord kon zuiveren aan de hoven van Boudewijn en Filips. Daarop kreeg hij zijn ingenomen burchten ook weer in bezit.

Op weg naar het Heilige Land

Terwijl de conflicten over betwiste gebieden in Henegouwen geregeld bleven oplaaien, bereikte West-Europa het nieuws dat Jeruzalem in 1187 door Saladin was veroverd. Latijnse christenen moesten losgeld betalen aan de moslims om als vrije mensen de stad veilig te kunnen verlaten. Duizenden Jeruzalemmers die dit geld niet konden ophoesten werden als slaaf weggevoerd of verdwenen in een harem, aldus Simon Sebag Montefiore in zijn biografie over de stad Jeruzalem. De verovering en expulsie zorgden voor afschuw in christelijk Europa en leidden tot de Derde Kruistocht.

In navolging van de Engelse en Franse koningen Richard Leeuwenhart en Filips II Augustus begaf Jacques d’Avesnes zich in de zomer van 1189 als aanvoerder van een Vlaams-Henegouwse troepenmacht naar het Heilige Land. De reis verliep zuidwaarts over land naar het koninkrijk Sicilië, van waar Jacques en zijn troepen per schip de Middellandse Zee overstaken naar Akko. Begin september kwamen zij aan in de havenstad, kort nadat het beleg van de kruisvaarders was begonnen. Jacques bouwde zijn kamp volgens de kronieken van Richard de Templo recht tegenover de ‘vervloekte’ (Maledicta) toren van Akko, tussen de legers van de landgraaf van Thüringen en de Templiers (zie kaart) in.

Op 4 oktober 1189 rukten de troepen van Saladin op naar de oostzijde van de stadsmuur van Akko waar de kruisvaarders gelegerd waren. Zij wisten deze plotselinge aanval af te slaan. Bij C en D staan de troepen van de landgraaf van Thüringen en de Tempeliers vermeld, bij wie Jacques d’Avesnes zich met zijn Vlaams-Henegouwse soldaten reeds had gevoegd.

Het beleg van Akko en de Slag bij Arsoef

Jacques d’Avesnes heeft naar verluid verdienstelijk bijgedragen aan de herovering van Akko en de kuststrook op de moslims. Voor de komst van Hendrik van Champagne (juli 1190) deelde hij het opperbevel voor de belegering van Akko met de landgraaf van Thüringen. Ambroise van Normandië vergeleek Jacques eind twaalfde eeuw in zijn 12.313 verzen tellend epos L’Estoire de la Guerre sainte met illustere namen uit de Klassieke Oudheid:

C’etait Jacques d’Avesnes, le Flamand: je ne crois pas qu’Alexandre, Hector ni Achille aient été meilleurs chevaliers et plus vaillants que lui; c’était Jacques, qui avait vendu, engagé et dépensé ses terres et ses héritages pour mettre, en homme sage, son coeur, son corps et son âme au service de Celui qui mourut et ressuscita.” (in vertaling: “Het was Jacques d’Avesnes, de Vlaming: ik geloof niet dat Alexander, Hector of Achilles betere ridders en dapperder waren dan hij; het was Jacques, die zijn land en erfenissen had verkocht, verpacht en uitgegeven om, als een wijs man, zijn hart, lichaam en ziel in dienst te stellen van Hem die stierf en weer opstond.”)

Ambroise roemde hem hier om zijn kwaliteiten als ridder, maar zeker ook om zijn opofferingen; hij had zijn land en erfenissen verkocht om zich met hart, lichaam en ziel in dienst te stellen van Jezus Christus en het christelijk geloof,

Kaart van Nabije Oosten tijdens de Derde Kruistocht

Na een bijna twee jaar lang durend beleg kon de gouverneur van de stad het niet langer volhouden en gaf zich over aan de kruisvaarders. Saladin beloofde de teruggave van het Ware Kruis als ook de vrijlating van 1500 gevangen. De capitulatie verliep niet bepaald vreedzaam. Volgens de middeleeuwse historicus Ali Ibn al-Athir diende Saladin ook 200.000 dinar te betalen, maar daartoe was de sultan niet bereid. Op 20 augustus 1191 verzamelde Richard Leeuwenhart daarop bijna 3000 moslimgevangenen buiten de muren van de stad en liet hen onder toeziend oog van Saladins leger afslachten.

Vervolgens vergezelde Jacques Richard Leeuwenhart in zijn opmars langs de kust richting Jaffa. Op 7 september 1191 stuitten de kruisvaarders bij de stad Arsoef op Saladins leger, die daar een blokkade had opgeworpen. De infanterie van Leeuwenhart was opeengepakt en moest de charges van Saladins ruiters en boogschutters eerst weerstaan, voordat zij de gevechtskracht van hun ridders konden inzetten. Het was tijdens deze slag dat Jacques sneuvelde. Een overtal van Turken stootte hem van zijn paard, maar voordat hij zijn laatste adem uitblies – als we Ambroise en De Templo mogen geloven* – doodde hij nog vijftien Turken met zijn zwaard getuige de vele lijken die naast zijn lichaam werden aangetroffen. De dood van de heer van Avesnes maakte diepe indruk op de soldaten. Een groot kruisvaarder was immers heengegaan. Na de slag zetten de Hospitaliers en ridders van de tempel alles op alles om zijn lichaam terug te vinden, hetgeen lukte na lang zoekwerk. Alleen na het wassen van zijn verwonde en bebloede gezicht was Jacques herkenbaar voor hen. Leeuwenhart en Guy van Lusignan, de koning van de kruisvaarderstaat Jeruzalem, bewezen hem zijn laatste eer op zijn begrafenis.

De Derde Kruistocht liep voor de kruisvaarders uiteindelijk met een sisser af; het ultieme doel, de herovering van Jeruzalem, mislukte. Door interne verdeeldheid was Leeuwenhart genoodzaakt om met Saladin te onderhandelen over vrede en een wapenstilstand. Jeruzalem lag bijna binnen zijn handbereik, maar bleef in handen van de moslims. Wel was de stad voortaan weer toegankelijk voor pelgrims, al brak spoedig een nieuwe kruistocht aan. Het huis van Avesnes zou in de dertiende en veertiende eeuw zijn invloed nog verder uitbreiden. De kleinzoon van Jacques, Jan I van Avesnes, was graaf van Henegouwen en getrouwd met Aleida, de dochter van graaf Floris IV van Holland en Zeeland.** Hun zoon Gwijde van Avesnes was bisschop van Utrecht en kende in deze functie stadsrechten aan Amsterdam toe. Waar het mij onbekend is waar Jacques precies is begraven (vermoedelijk in of nabij Arsoef), kreeg Gwijde een waar praalgraf in de Dom van Utrecht.

* Vermoedelijk was Ambroise een clericus die als kroniekschrijver met Richard Leeuwenhart meeging op kruistocht. Ambroise was zeker niet onpartijdig en het ligt voor de hand dat de daden van Leeuwenhart en zijn bondgenoten werden verheerlijkt. De Templo gebruikte het werk van Ambroise als primaire bron voor zijn relaas over de derde kruistocht. De passages over Jacques d’Avesnes komen met elkaar overeen.

** De overgrootvader van Aleida, graaf Floris III van Holland, nam ook deel aan de Derde Kruistocht en stierf op 1 augustus 1190 aan de pest. Hij werd begraven in de Petruskerk van Antiochië (Turkije).

Bronvermelding

Nationaal Biografisch Woordenboek, ‘Jacob, heer van Avesnes’ door Hans van Werveke. Toegankelijk via: http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/nbwv/#source=6&page=249&view=imagePane&accessor=accessor_index (23-12-2020).

Ambroise van Normandië, L’Estoire de la Guerre sainte: histoire en vers de la troisième croisade (1190-1192) (ca. 1195) pg. 365. Toegankelijk via: https://gallica.bnf.fr/ark:/12148/bpt6k6517331f/f315.image.r=jacques (23-12-2020).

Richard de Templo, Itinerarium Regis Ricardi (ca. 1220) pg. 43-4 en 185-6, vertaald als Richard of Holy Trinity. Itinerary of Richard I and others to the Holy Land (Cambridge, 2001) door een anonieme schrijver. Toegankelijk via: http://www.yorku.ca/inpar/richard_of_holy_trinity.pdf (23-12-2020).

Simon Sebag Montefiore, Jeruzalem. De biografie (Amsterdam, 2001). Vertaald door Henk Moerdijk, George Pape en Mieke Hulsbosch.

Honoring a Fallen Knight: https://www.youtube.com/watch?v=ckRkLfwOMss (23-12-2020).

Verwantschap met Jacques d’Avesnes en Karel de Grote (kwartierstaat van Rebecca van Balen): https://genealogie-van-der-beek.jouwweb.nl/van-rebecca-van-balen-nr-193-naar-karel-de-grote (23-12-2020).

Sanne Frequin, ‘Waarom moet je nooit zomaar langs een Middeleeuwse graftombe lopen?’. College over graf van Gwijde van Avesnes toegankelijk via: https://youtu.be/TMqkkxg9AEs (23-12-2020).