Tijdens mijn huwelijksreis in de zomer van 2022 bracht ik een midweek door in Thessaloniki, de Griekse havenstad waar de overgrootoma (Tamar Levi, 1906-1973) van mijn vrouw vandaan kwam. We brachten die week een bezoek aan het plaatselijke Joods Museum en wetende dat bijna geen familielid de Shoah overleefd heeft, was het confronterend om te zien op de namenlijst dat zoveel Levi’s waren omgekomen in de vernietigingskampen. Van Tamar wisten we dat zij op zeer jonge leeftijd Thessaloniki had verlaten en zich in Brits-Palestina ofwel Eretz Israel had gevestigd. Ze trouwde daar met Eliyahu David Mizrachi (1895-1985). Onbekend was het lot van haar naaste familie, maar het verhaal ging dat zij mogelijk de enige overlevende van de Holocaust was van haar familie. Ze sprak hier vrijwel niet over tijdens haar leven, wat mogelijk duidt op een levenlang trauma. Het bezoek aan het museum maakte mij nieuwsgierig naar het verleden van de Levi-familie. Ik las die zomer het boek Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (2019) van Sarah Abrevaya Stein, een schitterend relaas over de bekende schrijver en uitgever Sa’adi Besalel Ashkenazi a-Levi (1820-1903) en zijn directe nazaten. Sa’adi a-Levi maakte in de Ottomaanse periode naam als publicist in het Ladino, de Judeo-Spaanse taal die de grote joodse gemeenschap in Saloniki sprak. Stein bracht eerder al een Engelse vertaling uit van zijn memoires onder de titel A Jewish Voice from Ottoman Salonica (2012). Beide boeken geven een inkijk in het joods leven in de stad die tot de massadeportaties tijdens de Holocaust wel bekend stond als het ‘Jeruzalem van de Balkan’.

Van Monastir naar Thessaloniki
Het was een verrassende ontdekking toen getuigenissen uit de database van Holocaustslachtoffers van Yad Vashem uitwezen dat Moshe en Simcha Levi, de ouders van Tamar, uit Monastir (het huidige Bitula in Noord-Macedonië) afkomstig waren. Monastir kende tot de Eerste Balkanoorlog in 1912 – waarbij Servië de stad veroverde op de Ottomanen – een vrij omvangrijke joodse gemeenschap van 8.900 inwoners. De Slag om Monastir (16-19 november 1912) en de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) zorgden voor een grote vluchtelingenstroom en een halvering van de bevolking; in 1919 telde Monastir nog slechts 3.000-3.500 joodse inwoners. Vermoedelijk is de familie Levi in deze jaren naar Thessaloniki getrokken (wanneer precies is nog onduidelijk). De reeds door het Griekse leger ingenomen havenstad lag ca. 200km oostwaarts en was middels een spoorlijn met Monastir verbonden. Er bestonden historisch gezien nauwe contacten tussen beide steden, dus de migratie (of vlucht) naar Thessaloniki – met haar sterk joodse karakter – was een logische keuze. Opvallend is dat de enige na de Shoah overgebleven synagoge in Thessaloniki gebouwd was door Monastirlis, ofwel joden afkomstig uit Monastir. De sefardisch-joodse gemeenschap in Monastir gold als zeer traditioneel religieus en zionistisch, moderne vormen van entertainment ontbraken in de stad. Pas met de komst van scholen naar het model van de Alliance Israélite Universelle in de jaren 1880 zou men meer westers georiënteerd raken (daarvoor bestond alleen de joodse Talmud Torahschool).
In 1863, het jaar dat Moshe Levi vermoedelijk ter wereld kwam*, teisterde een grote brand Monastir. Gegeven het feit dat slechts de helft van de joodse gezinnen een adequate woning had, moet de brand zeker op de arme gezinnen veel impact hebben gehad. Tenminste 200 gezinnen waren na de brand afhankelijk van liefdadigheid, zo schrijft Shlomo Alboher. Ze woonden veelal langs de rivier de Dragor en als die buiten haar oevers trad overstroomden geregeld hun primitieve gelijkvloerse woningen. Sir Moshe Montefiore, de joodse bankier uit Londen, werd via de Britse consul Charles Calvert om hulp gevraagd en richtte een speciaal steunfonds op. Door de stadsbranden en de nieuwe bouwprojecten verdwenen in de tweede helft van de 19de eeuw langzamerhand de joodse ‘achterstandswijken’, ook wel ‘cortijos’ geheten. Uit de getuigenis van Yad Vashem kunnen we opmaken dat Moshe Levi een kleermaker van beroep was en waarschijnlijk dus een eenvoudig bestaan leidde. Hij trad in het huwelijk met Simcha Levi (meisjesnaam onbekend) en zij kregen pas op latere leeftijd kinderen. Via het Joods Historisch Archief in Thessaloniki en Yad Vashem kon ik achterhalen wat de namen van de broers en zussen van Tamar waren. Het echtpaar kreeg vijf kinderen en zij werden allemaal in Monastir geboren. Een jaar voordat Rivka en Rachamim geboren werden, brak wederom een grote brand uit die de halve stad verwoestte. Rijke joden moesten vervolgens een extra gemeentelijke belasting betalen voor de huisvesting van de arme joden.
Het moet rond de eeuwwisseling dus een roerige tijd zijn geweest voor de Levi-familie, zeker toen de Balkanoorlog een decennium later tot een ware exodus van de joodse inwoners leidde. De inname van Monastir door het Servische leger ging gepaard met antisemitisch geweld en joodse winkels werden beroofd, geplunderd en in brand gezet. Het zou goed kunnen dat Moshe Levi op deze wijze ook zijn kledingzaak kwijtraakte en sowieso was het niet langer veilig voor joden en zijn nog jonge gezin in de stad. Het einde van de Ottomaanse overheersing over de Balkan en de nationalistische tendensen brachten veel onzekerheid over de positie van de joden, al was de American Jewish Committee in januari 1914 nog voorzichtig positief gestemd: “Will the Jews be able to go on living in this way under the new conditions, as Bulgarian, Servian, and Greek citizens? Conditions have been so radically transformed as to compel the Jews to establish themselves on a new basis. The representatives of the Brussels committee have been assured in audiences with Czar Ferdinand of Bulgaria, and King George of Greece, and many ministers, that the Jews need have no fear of the new regime; their legal and political status will be safeguarded, and they will enjoy full rights of citizenship.“

gegevens van Rachamim, Rikula en David Levi zijn bevestigd door het Joods Historisch
Archief in Thessaloniki. Van Moshe, Simcha en Rivka Levi zijn de gegevens (deels)
afkomstig uit de getuigenissen van de Holocaust Victims Database van Yad Vashem;
het opgegeven geboortejaar in deze getuigenissen lijkt niet correct.

vermelde geboortejaar (*1870) wijkt af van de documentatie van het Joods
Historisch Archief in Thessaloniki (1863). Zijn beroep – een kleermaker (חַיָט) –
staat op deze getuigenis vermeld.
Bron: https://collections.yadvashem.org/en/names/3906633
Het joods leven in Thessaloniki tijdens het Interbellum

In aanloop naar de Eerste Wereldoorlog zouden vele joodse gezinnen uit Monastir naar Thessaloniki vluchten, zo’n vijftig joodse gezinnen kwamen dagelijks te voet of per wagen aan in de stad die zo bekend kwam te staan als de “Moeder van Israël”. Een nieuw leven opbouwen zonder veel middelen en bezittingen was niet eenvoudig, zo ook niet voor de familie Levi. De Monastirlis waren wel een relatief grote groep migranten en zouden in de loop van de jaren twintig zeker respect opbouwen onder hun geloofsgenoten; in 1927 volgde zelfs de inauguratie van een eigen synagoge (zie foto). De joodse gemeenschap ving de vluchtelingen zo goed als het kon op in synagogen en joodse scholen en zamelde geld in voor hun levensonderhoud. De grote toestroom leidde ook tot het ontstaan van sloppenwijken. Op 18 augustus 1917 trof het noodlot Thessaloniki met een grote stadsbrand waar destijds de meeste huizen van hout waren gebouwd. Driekwart van de oude stad ging in vlammen op en trof het hart van de joodse buurten, vooral daar waar de vluchtelingen waren gehuisvest. In één klap raakten 70.000 inwoners, merendeels joden, dakloos. Voor de Griekse overheid was dit volgens de historici Mark Mazower en Minna Rozen een uitgelezen kans om tijdens de wederopbouw het stadscentrum grondig te herzien en moderniseren, maar ook om de joodse midden- en arbeidersklasse meer naar de periferie van de stad te drijven.

Het tekort aan huisvesting voor de joodse gezinnen die hun huis waren verloren door de grote brand en de joodse migranten uit de Balkan zou pas in de loop van de jaren 1920 worden opgelost. Dit kwam mede door het vertrek van duizenden moslims, die in 1923 als onderdeel van de bevolkingsruil tussen Griekenland en Turkije Thessaloniki gedwongen moesten verlaten. Daarnaast bouwde de gemeente ook honderden nieuwe woningen, vaak wel van betere kwaliteit dan voor de brand. In hoeverre de brand impact heeft gehad op de familie Levi moet verder onderzocht worden. Opvallend is dat Tamar als jonge tiener als enige familielid naar Brits-Palestina vertrok en samen met Eliyahu een bestaan in Tiberias zou opbouwen; ze was zestien jaar oud toen haar dochter Miryam (de oma van mijn vrouw) geboren werd. Mogelijk was ze gedreven door zionistische idealen, maar het kan ook dat haar aliyah voortkwam uit het feit dat ze geen toekomst zag in Thessaloniki en haar ouders mogelijk hun huis verloren hadden als gevolg van de brand. Haar zus Rikula keerde met haar echtgenoot Meir Levi vermoedelijk weer terug naar Monastir (Bitula), waar hun vijf kinderen geboren zouden worden. Haar broers Rachamim en David traden in de voetsporen van hun vader Moshe en gingen waarschijnlijk in de familiezaak aan de slag als kleermaker.
De joodse gemeenschap in Thessaloniki moest tijdens het Interbellum de eigen autonomie blijven bewaken binnen een context waar het Griekse nationalisme, dat sterk verbonden was met de orthodox-christelijke kerk, de landelijke politiek bepaalde. Het gevoel leefde onder de joden dat zij gemarginaliseerd en gediscrimineerd werden door de overheid. Een voorbeeld was de herziening van een wet uit 1920 waarmee winkels gesloten waren op zaterdag zodat joden de sjabbat konden houden. Voortaan gold de zondag als rustdag, maar dit benadeelde joodse winkeliers, doordat zij dan twee dagen in de week de deuren gesloten moesten houden. Joden kregen ook het verwijt dat zijn niet patriots genoeg waren en dat de Griekse militaire campagne in Klein-Azië door hun toedoen mislukt zou zijn. De joodse gemeenschap raakte gaandeweg verdeeld tussen nationalisten en zionisten. De oprichting van de Vereniging van Joodse Assimilationisten in 1928 laat zien dat een deel de Griekse identiteit, taal en cultuur omarmde. Joods onderwijs kreeg in deze periode ook een steeds sterker hellenistisch karakter, wat (tot ongenoegen van zionistische joden) ten koste ging van de lesuren Hebreeuws, Jodendom en joodse geschiedenis. Na de opening van een nieuwe atletiekhal door de zionistische Maccabi-sportorganisaties in juni 1931 verspreidde de lokale krant Makedonia het valse gerucht dat vertegenwoordigers van deze organisaties in de Bulgaarse hoofdstad Sofia zouden hebben opgeroepen tot een joods autonoom bestuur in Macedonië. De anti-joodse propaganda leidde tot een uitbraak van geweld in de arme joodse wijk Campbell in Kalamaria. Een menigte van zo’n 2.000 orthodox-christelijke relschoppers zette joodse huizen en winkels in brand en gooide stenen naar synagogen. Logischerwijs voelden joden zich na de rellen onveilig in de buitenwijken, ook al streefden de meeste inwoners van Thessaloniki naar vreedzame coëxistentie en interactie.
De impact van de Shoah op de familie Levi
Waar de periode tussen 1931 en 1941 relatief rustig verliep, veranderde dat met de Duitse bezetting van Thessaloniki in april 1941. De Tweede Wereldoorlog zorgde voor een nieuwe toestroom van vluchtelingen in een stad die nog herstellende was van de economische crisis begin jaren dertig en de recente bombardementen van de Italiaanse luchtmacht. In het najaar van 1941 was sprake van een enorme voedselschaarste, naar schatting waren 100.000 inwoners afhankelijk van de soepkeukens. Simcha Levi overleed op 16 oktober en zou de deportatie naar Auschwitz zoals haar meeste familieleden niet meemaken. Maar liefst 5.000 inwoners kwamen in de maanden daarop om van de honger en in de zomer van 1942 volgde een uitbraak van malaria. De anti-joodse maatregelen deden spoedig hun intrede en leidden tot een boycot van joodse ondernemingen en tal van restricties. Het Sonderkommando van Alfred Rosenberg plunderde joodse bibliotheken, clubs en synagogen en nam duizenden boeken, archieven en manuscripten mee naar Nazi-Duitsland. Op 11 juli 1942, bekend als ‘Zwarte Sjabbat’, moesten 9.000 joodse mannen tussen de 18 en 45 jaar zich verzamelen op het Plateia Eleftherias (Vrijheidsplein) en onder toeziend oog van een grote menigte allerlei vernederingen ondergaan. Vanaf februari 1943 moesten joden in Thessaloniki zich houden aan de Neurenbergerwetten en een gele ster in het openbaar dragen. Op 6 maart 1943 waren de joodse getto’s in de stad afgesloten met checkpoints en op 15 maart 1943 volgde het eerste transport van 2.800 joden naar Auschwitz.
In enkele maanden tijd deporteerden de Nazi’s bijna 50.000 joden uit Thessaloniki naar de vernietigingskampen. Van de vooroorlogse joodse bevolking overleefde minder dan vijf procent de Shoah. Voor de familie Levi was de Holocaust eveneens desastreus. Tamar was inderdaad de enige overlevende uit het gezin van Moshe en Simcha; achteraf bezien had haar migratie naar Palestina haar het leven gered. Haar vader, broers en zussen, en hun kinderen kwamen vrijwel allemaal om in Auschwitz. Een jongere neef van haar, David Levi (geb. in 1913), was op 13 april 1943 op transport gesteld maar overleefde als dwangarbeider Auschwitz. Hij keerde in 1945 terug naar Thessaloniki. Van de verwante familie moet ook een groot deel zijn omgekomen als de slachtoffers met de achternaam Levi in Monastir en Thessaloniki bekeken worden. Het opvallend hoge percentage slachtoffers in Thessaloniki kende verschillende oorzaken. Anders dan in bijvoorbeeld Athene (dat een kleine joodse gemeenschap had) was het lastig om onderduikplaatsen te vinden (zeker voor ouderen die de Griekse taal niet machtig waren) en was ook het ondergrondse verzet nog zeer klein in omvang. Opperrabijn Zvi Koretz liet het na om zich tegen de deportaties uit te spreken en gaf zelfs aan dat joden hun lot moesten ondergaan en er geen alternatief was. Joodse gezinnen wilden bovendien liever niet gescheiden van elkaar worden. Het lijkt er tot slot op dat de christelijke bevolking in Thessaloniki weinig solidariteit met haar joodse stadsgenoten toonde en de deportaties met lede ogen aanschouwde. Antisemitische sentimenten, maar ook angst voor represailles van de Nazi’s hebben hier ongetwijfeld aan bijgedragen. Behalve de vernietiging van de joodse gemeenschap in Thessaloniki, zorgde de Duitse bezetting ook voor de verwoesting van de eeuwenoude joodse begraafplaats en bijna alle synagogen in de stad. Zo kwam een definitief einde aan het Jeruzalem van de Balkan.

Verder genealogisch onderzoek
Voor verder genealogisch onderzoek naar de familie Levi in Thessaloniki staat dit voorjaar een bezoek gepland aan het plaatselijke Joods Historisch Archief (JHA). Ook het gemeentelijke bevolkingsregister kan nieuwe feiten over de familieleden van Tamar Levi aan het licht brengen. Tot dusver heb ik mij gebaseerd op het vooronderzoek van het JHA en data van de volgende websites:
https://www.jewishgen.org/databases/all/
https://collections.yadvashem.org/en/names
Bronvermelding
Aron Rodrique en Sarah Abrevaya Stein (red.), A Jewish Voice from Ottoman Salonica. The Ladino Memoir of Sa’adi Besalel a-Levi (Stanford, California, 2012). Vertaald uit het Ladino door Isaac Jerusalmi.
Sarah Abrevaya Stein, Family Papers: A Sephardic Journey through the Twentieth Century (New York, 2019).
Devin E. Naar, Jewish Salonica. Between the Ottoman Empire and Modern Greece (Stanford, California, 2016).
Devin E. Naar, ‘The “Mother of Israel” or the “Sephardi Metropolis”? Sephardim, Ashkenazim, and Romaniotes in Salonica’, Jewish Social Studies 22:1 (2016) pp. 81-129. Zie online: https://www.academia.edu/29799629/The_Mother_of_Israel_or_the_Sephardi_Metropolis_Sephardim_Ashkenazim_and_Romaniotes_in_Salonica (22-12-2025).
Devin E. Naar, ‘Jerusalem of the Balkans’, Jewish Review of Books 4:1 (2013) pp. 8-11. Zie online: https://jewishreviewofbooks.com/articles/134/jerusalem-of-the-balkans/# (22-12-2025).
Devin E. Naar, ‘Bushkando Muestros Nonos i Nonas: Family History Research on Sephardic Jewry Through the Ladino Language Archives of the Jewish Community of Salonika’, Avotaynu. The International Review of Jewish Genealogy 13:1 (2007) pp. 40-49. Zie online: https://avotaynuonline.com/2007/04/bushkando-muestros-nonos-i-nonas-family-history-research-on-sephardic-jewry-through-the-ladino-language-archives-of-the-jewish-community-of-salonika-by-devin-e-naar/ (22-12-2025).
Mark Mazower, Salonica, City of Ghosts. Christians, Muslims and Jews, 1430-1950 (Londen, New York, Toronto en Sydney, 2005).
Minna Rozen, ‘Money, Power, Politics, and the Great Salonika Fire of 1917’, Jewish Social Studies 22:2 (2017) pp. 74-115. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/project_muse_649093%20MONEY%20POWER%20POLITICS.pdf (22-12-2025).
Minna Rozen, ‘For the Sake of My Brothers. The Great Fire of Salonika and the Mobilisation of the Diaspora Jewry on Behalf of the Victims’, Αρχείων Ανάλεκτα:Περιοδική έκδοση μελέτης και έρευνας αρχείων (δεύτερη περίοδος) 2 (Thessaloniki, 2017), pp. 183-258. Zie online: https://minnarozen.co.il/documents/For%20the%20Sake%20of%20my%20Brothers.pdf (22-12-2025).
Minna Rozen, ‘Educating the Jewish Children of Salonika: Political and Socioeconomic Aspects, 1912–1941’, in: Dina Moustani (red.), Jewish Education in Southeastern Europe (Mid 19th-Mid 20th Century) (Volos, 2021) pp. 9-32. Zie online: https://www.academia.edu/59480289/Educating_the_Jewish_Children_of_Salonika_Political_and_Socioeconomic_Aspects_1912_1941 (22-12-2025).
Shlomo Alboher, The Jews of Monastir Macedonia. The Life and Times of the Departed Jewish Community of Bitola (Skopje, 2010). Vertaald uit het Hebreeuws door Eliezer E. Cohen. Zie online: https://monastir.org.il/wp-content/uploads/2022/11/40034999-The-Jews-of-Monastir-Macedonia.pdf (22-12-2025).
Zoran Gjorgiev, Remnants. Jewish Heritage in Monastir – Bitola (2023).
American Jewish Committee, ‘The Balkan Wars and the Jews’, American Jewish Year Book (1914) pp. 188-206. Zie online: https://exhibits.stanford.edu/bermanarchive/catalog/cj631fc5498 (22-12-2025).
Alliance Israelite Universelle, ‘City 2. Jewish demography and heritage’: https://www.bibliotheque-numerique-aiu.org/en/exhibitions-us/exhibitions/69-i-city-2-jewish-demography-and-heritage (22-12-2025).
Zeljka Oparnica, Sephardi politics in the Balkans, 1900–1940 (University of London, 2022). Zie online: https://jevrejskadigitalnabiblioteka.rs/bitstream/handle/123456789/2227/SephardiPoliticsInBalkans1900i1940OparicaOCR.pdf?sequence=1&isAllowed=y (22-12-2025).
Yad Vashem, ‘Transport from Thessaloniki to Auschwitz on 13/04/1943’: Transport from Thessaloniki,Thessaloniki,Macedonia,Greece to Auschwitz Birkenau,Extermination Camp,Poland on 13/04/1943 (22-12-2025).