Een verzwegen geschiedenis: dwangarbeid in Bremen

Tachtig jaar geleden eindigde de Tweede Wereldoorlog en daarmee kwam ook een einde aan de zeer omvangrijke dwangarbeid in Nazi-Duitsland. Ruim een half miljoen Nederlandse mannen in de leeftijd van 17 tot 40 jaar waren gedwongen om voor de Arbeitseinsatz in het Derde Rijk te werken. Waar de werving van arbeiders eerst nog een vrijwillig karakter had of beperkt was tot werklozen, veranderde dit vanaf 23 maart 1942 met de verandering van het Landoorlogreglement. Niet langer was het bij wet verboden om (gedwongen) arbeid te verrichten voor een vijandige mogendheid. Met de Holland Aktion I begon de Duitse bezetter in april 1942 met de werving van ca. 30.000 arbeiders voor de Duitse metaalindustrie. Mijn opa Adriaan Volgers (1922-1994) – die ik alleen als klein kind heb gekend – was als metaalarbeider vermoedelijk één van hen. Hij was slechts 19 jaar oud toen hij op 25 juni 1942 als dwangarbeider aan de slag ging voor het scheepsbouwbedrijf Aktien-Gesellschaft Weser (sinds 1926 onderdeel van de Deutschen Schiff- und Machinenbau, Deschimag) in Bremen. Er is slechts zeer weinig bekend over zijn tijd in Duitsland, zoals veel voormalige dwangarbeiders zweeg mijn opa over dit verleden. Niet alleen moest hij een oorlogstrauma verwerken, maar daarnaast werd in het naoorlogse Nederland de arbeidsinzet lang als vorm van collaboratie of zelfs landverraad gezien. Dit artikel schetst dan vooral ook de context van zijn tijd als dwangarbeider in Bremen maar roept ook nieuwe vragen op met betrekking tot zijn ervaringen, repatriatie naar Nederland en verwerking van de oorlog.

Registratiekaart Adriaan Volgers, Staatsarchiv Bremen.

Arbeitslager in Bremen

Bremen was vanwege de haven en de wapenindustrie een belangrijke bestemming voor dwangarbeiders uit verschillende bezette landen. Volgens het standaardwerk van Ben Sijes waren in augustus 1944 ruim 7200 Nederlanders tewerkgesteld in deze Noord-Duitse havenstad. In de Gemeinschaftslager der Deschimag/AG Weser bevonden zich tot 1945 meer dan 1200 dwangarbeiders. Uit de registratiekaart van mijn opa uit het Staatsarchief Bremen blijkt dat hij in Lager Tirpitz verbleef. ‘Tirpitz’ was een kazernecomplex gelegen aan de Schwarzer Weg 92 met een capaciteit van 660 mensen, waaronder 382 Nederlandse dwangarbeiders. Het complex was in drie blokken verdeeld voor Nederlanders en Belgen, Duitse vakmensen en de ziekenboeg, en de Hitlerjugend en Bund Deutsche Mädel (BDM). De eerste lichting van 140 Nederlanders was in juni en juli 1942 via Den Helder naar Tirpitz in Bremen gekomen. Omdat een deel van deze groep na het verlof met Kerst niet meer terugkeerde, werd het verlof voor nieuwe arbeiders afgeschaft, aldus Cees Ruijter (geb. in 1923). Ruijter was net als mijn opa werkzaam voor AG Weser en van zijn hand is een uitgebreid verslag opgetekend. Mijn opa raakte goed bevriend met andere Nederlanders in Tirpitz, zo hield hij met Johannes Jeths (1922-2010) zelfs na de oorlog nog contact.

Kaart met werkkampen rondom scheepsbouwbedrijf AG Weser in Bremen.

De overstap van het ouderlijk huis in het pittoreske Enkhuizen naar een werkkamp in een grote havenstad als Bremen (eind 1940 telde de stad 441.800 inwoners) moet groot geweest zijn voor mijn opa. Zo moesten de jonge arbeiders op eigen benen staan en deelden zij een slaapkamer met andere jongens. Ruijter schreef hierover: “Het was een hele omslag, vanuit een beschermde omgeving, uit het dorp en uit het gezin, opeens met twaalf jongens op een kamer. Vreemde taal, andere gewoontes. Geen radio, geen kranten. Jezelf verzorgen, zelf je was doen. Geen contact met ouders en familie. Alles was anders, zelfs het brood eten. Dat deed men daar vanaf een plankje, dat kenden we niet. Je broek persen gebeurde door deze onder het matras te leggen, maar het was een hele kunst dit goed te doen. Kleding wassen moesten we ook zelf doen, in het washok, maar zeep was altijd schaars. Scheermesjes ook; maar door de losse mesjes langs de binnenzijde van een glas te wrijven konden we ze enigszins slijpen en langer gebruiken.” Om 6:00u ’s ochtends werd men gewekt met een bons op de deur en een half uur later vertrok men al lopend naar de scheepswerf. Om 7:00u begon het werk. Werkdagen waren zo tot 17:00u en om 18:00u werd het avondeten geserveerd in de kantine van het kamp. De rest van de avond was vrij qua indeling en bewoners speelden dan spellen of er was muziek, zang of toneel. Voetbal was ook populair in Bremen. Er was een competitie van Nederlandse elftallen bestaande uit tewerkgestelden van de grote bedrijven.

Lager Tirpitz, werkkamp vlakbij de haven in Bremen.

Hoewel er dus ruimte was voor vertier, maakten veel dwangarbeiders een zware periode door met lange werkdagen, een strakke discipline en op de achtergrond het oorlogsgeweld dat Bremen ook in toenemende mate zou teisteren door geallieerde bombardementen. De langdurige afzondering van familie en vrienden moet tevens zeer moeilijk zijn geweest. Onbekend is of mijn opa tussentijds verlof heeft gekregen. Van mijn oma Roelina Buiten (1924-1965), met wie opa een jaar na de oorlog zou trouwen, is één brief bewaard gebleven. Roelina verbleef tijdens de oorlog tijdelijk bij haar aanstaande schoonfamilie op Terschelling. Gerrit Volgers (1910-1974), de broer van mijn opa Adriaan, was in 1933 naar dit mooie Waddeneiland verhuisd en zijn vrouw Bartje Boer (1906-1978) was erg ziek, ze had een nierbekontsteking. Roelina hielp waarschijnlijk in het huishouden en met de verzorging van haar. Op 30 mei 1943 schreef Roelina aan mijn overgrootoma Johanna van Sluijs (1884-1986) in Enkhuizen dat ze hoopte om Adriaan die vrijdag in Leeuwarden te ontmoeten, maar dat ze de kans klein achtte. Ook vroeg ze of zij nog brieven van Adriaan had ontvangen. Het lijkt erop dat in de jaren 1942-1944 die Adriaan in Bremen werkte het contact tussen mijn grootouders en hun familie waarschijnlijk vooral beperkt is gebleven tot enig briefverkeer. Roelina schreef in dezelfde brief aan Johanna dat er donderdag- en vrijdagnacht vreselijk was geschoten maar de rust was teruggekeerd. Terschelling lag op de route voor geallieerde vliegtuigen van o.a. de Britse Royal Air Force (RAF) die onderweg waren naar Nazi-Duitsland en herhaaldelijk vonden dan ook beschietingen plaats. Het luchtafweergeschut en de Duitse jagers vormden een geducht gevaar voor geallieerde vliegtuigen boven de Noordzee en Waddenzee. Twaalf geallieerde vliegtuigen stortten zelfs op Terschelling neer.

Brief van Roelina Buiten aan familie Volgers in Enkhuizen, 30 mei 1943.

Dwangarbeid voor AG Weser

Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog behoorde de scheepswerf van AG Weser al tot het grootste bedrijf in Bremen met meer dan 12.000 werknemers in dienst. Gedurende de oorlog breidde het scheepsbouwbedrijf verder uit, in 1943 was een vijfde van de 20.000 werknemers ingezet als dwangarbeider of krijgsgevangene. De voornaamste taak van AG Weser was de productie van onderzeeboten of de zogeheten U-Boote. In de Eerste Wereldoorlog had AG Weser al 77 onderzeeboten voor de Reichsmarine gebouwd, maar na het Verdrag van Versailles was de productie verboden voor de Weimarrepubliek. Na de machtsovername van Adolf Hitler begon het Nazi-regime met het zogeheten ‘Z-Plan’ met een grootschalige uitbreiding van de Kriegsmarine en werd de productie van onderzeeboten hervat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceerde AG Weser 146 onderzeeboten, hoofdzakelijk van het type IX en XXI. Type IX was sinds 1935 in productie en geschikt voor lange afstandsoperaties, bijvoorbeeld voor patrouille langs de Amerikaanse oostkust. De eerste onderzeeboot van type XXI was pas op 19 april 1944 gereed, een dag voor de verjaardag van Hitler. Met meerdere batterijen aan boord was type XXI in staat om voor langere tijd onderwater te varen vergeleken met haar voorgangers. Veel invloed op het verloop van de oorlog had deze moderne onderzeeboot echter niet. Slechts twee van de tachtig XXI U-Boote, die eind 1944 gebouwd waren, konden daadwerkelijk in gebruik genomen worden voor patrouille (zij hebben overigens geen enkel vijandelijk schip tot zinken gebracht). Dit kwam door de haast waarmee dit nieuwe type werd geproduceerd, wat leidde tot vele mankementen met bijvoorbeeld de dieselmotoren en het torpedosysteem. Ook de vele geallieerde luchtbombardementen verwoestten de onderzeeboten op de scheepshellingen. De Amerikaanse maritiem historicus Marcus O. Jones stelt dat het project van type XXI gezien de enorme hoeveelheid investeringen, mankracht en staal (die ook voor de productie van duizenden tanks had kunnen worden gebruikt) de Duitse nederlaag aan het Oostfront mogelijk heeft bespoedigd. Dat laatste is wellicht een schrale troost voor de dwangarbeiders die meehielpen aan de constructie van deze onderzeeboten. Maar waar bestond het werk bij AG Weser uit en hoe was de behandeling van de dwangarbeiders?

Constructie van Duitse onderzeeboten op scheepswerf van AG Weser, 1945.

In opdracht van Albert Speer nam ingenieur Otto Merker de leiding over de scheepsbouw. Met zijn ervaring in de auto-industrie introduceerde Merker het plan van sectiebouw voor onderzeeboten. Zo konden veel werknemers tegelijkertijd werken aan verschillende secties, waarvan de ruwbouw elders plaatsvond, en daar de benodigde apparatuur en onderdelen plaatsen. De rivier de Weser was de aanvoerroute voor de verschillende secties van de onderzeeboten en de assemblage vond vervolgens op de scheepswerf van AG Weser plaats. Om bestand te zijn tegen mogelijke luchtbombardementen werden voor de reparatie en assemblage van onderzeeboten enkele bunkerwerven gebouwd. Zo vond onder leiding van het bedrijf Bremer Vulkan de montage van nieuwe onderzeeërs in de gigantische ‘Valentin’-bunker in Bremen-Farge plaats met afmetingen van ca. 450 bij 100m en een betonnen dak van zeven meter dik. Acht sectiedelen werden daar op een soort lopende band in elkaar gezet. Een aparte bunker met de codenaam ‘Hornisse’ op dok Kap Horn (360 bij 60m) was in aanbouw waar drie secties van het type XXI gebouwd zouden worden, de overige secties zouden worden gemaakt in Wilhelmshaven en Hamburg. Volgens de plannen van augustus 1944 moesten elke maand 14 exemplaren van de secties 3, 5 en 6 van het type XXI worden geproduceerd. De sectiedelen werden met speciale aanvoerwerken met kranen naar de bunker getransporteerd.

Voor vaklieden als mijn opa was er genoeg werk voor handen op de scheepswerf, vaak in natte en koude omstandigheden en niet zonder gevaar daar veel werk aanvankelijk gewoon in de openlucht plaatsvond en de persoonlijke bescherming beperkt was. Werkzaamheden bestonden bijvoorbeeld uit het lassen en controleren van lasnaden, werk in de gieterij of zinkerij, en het plaatsen of rondbrengen van bepaalde halffabrikaten, apparatuur en andere onderdelen. Bij aankomst op de werf van AG Weser moesten dwangarbeiders een penning afgeven met het vaklettertype en de kleur van hun nationaliteit en kreeg men een stempelkaart om deze bij de tijdsklok te laten stempelen. Werk vond in bepaalde ploegendiensten plaats en waarschijnlijk werkten Nederlandse dwangarbeiders zij aan zij met Russische, Poolse, Tsjechische, Belgische en Franse dwangarbeiders. Communicatie zal best lastig zijn geweest al zal in veel gevallen Duits zijn gesproken op de werkvloer.

Volgens een decreet van 14 januari 1941 zou onderscheid gemaakt worden tussen ‘Germaanse’ arbeiders (bv. uit Nederland en Vlaanderen) en fremdvölkische arbeiders (uit Oost-Europa, Frankrijk, Italië en Wallonië) wat idealiter leidde tot aparte huisvesting en zwaardere straffen voor ‘niet-Germaanse’ arbeiders voor vergelijkbare vergrijpen. In de praktijk moesten Nederlandse arbeiders zich net zo goed aan de strakke regels houden. Van mijn opa is bekend dat hij en vrienden van hem ondervraagd zijn door de Gestapo, de reden daarvan is niet duidelijk en evenmin de gevolgen. Een zeer tragisch geval betrof de executie van Homme Hoekstra, ook een bewoner in Tirpitz en als arbeider verantwoordelijk voor de verwijdering van metaalspanen. Een collega beschuldigde Hoekstra bij de Sicherheitsbeauftragte op de werf ervan dat hij had gezegd dat Duitsland de oorlog niet kon winnen. Op 10 januari 1944 werd hij op de werf gearresteerd en na een strafproces vijf maanden later op 26 juni 1944 met de guillotine vermoord. Dit incident illustreert dat een beschuldiging of misdraging in de ogen van de Nazi’s fataal kon zijn. Tegenwoordig bevindt zich een monument ter herinnering aan Hoekstra op de locatie van het voormalige kamp Tirpitz. Mijn opa moet vast erg geschrokken zijn van dit incident dat bij de dwangarbeiders vast veel heeft losgemaakt en de nodige angst heeft ingeboezemd.

Bombardementen op Bremen en terugkeer naar Nederland

Luchtbombardement op Bremen, 25 juni 1942. In het midden is een enorme bunker aan de Zwinglistraße zichtbaar, waar 5.000 tot 10.000 mensen konden schuilen.

Gezien het belang van Bremen voor de Duitse oorlogsindustrie was de stad een frequent doelwit van luchtaanvallen van de geallieerden tijdens de oorlog. Op de dag van aanmelding van mijn opa bij AG Weser was het stadscentrum en de haven van Bremen getroffen door een thousand bomber-raid van de RAF. Bijna 700 Britse bommenwerpers wierpen hun lading af boven de stad, waarbij 20 Blenheims het ook op de scheepswerf van AG Weser hadden gemunt. De ravage in de stad was enorm. Gedurende de oorlog kwamen door luchtaanvallen in totaal 3850 burgers om, inclusief dwangarbeiders. Ook Nederlandse arbeiders kwamen om bij bombardementen, zoals op 8 oktober 1943 toen een dok werd getroffen. Twee Nederlanders, genaamd Joop de Werker en Jan Nieuwenhuizen (allebei uit Den Helder afkomstig), sneuvelden en werden een week later begraven. Al aan het begin van de oorlog lagen plannen op tafel voor de bouw van schuilkelders, maar de uitvoering daarvan verliep traag (mede door de voorrang die werd verleend aan de constructie van de scheepswerfbunkers). Eind 1944 telde de stad 131 schuilkelders die bestand waren tegen luchtbombardementen. Autoriteiten in Bremen besteedden geen aandacht aan camouflage van de bovengrondse schuilkelders (zogenoemde Hochbunker), die door dwangarbeiders werden gebouwd. Tegen het einde van de oorlog maakten zo’n 200.000 inwoners gebruik van de schuilkelders, destijds was dat tweederde van de bevolking. Voor dwangarbeiders was het werk in de haven allerminst veilig. Mijn opa heeft de bombardementen als traumatisch ervaren en ook enkele vrienden verloren. Werk op de scheepswerven ging bij een luchtalarm in de stad dikwijls door en als het alarm op de werf afging was het voor arbeiders vaak te laat om naar de bunker te gaan.

Repatriatiekaart van Adriaan Volgers, Archief Nederlandse Rode Kruis (NRK).

Op 29 juli 1944 vond een langverwachte luchtaanval van de RAF plaats op de scheepswerf van AG Weser. Bij deze aanval werden verschillende torpedo- en onderzeeboten ernstig beschadigd en een in aanbouw zijnde Zerstörer Z44 tot zinken gebracht. Erger was dat 160 mensen in een bunker omkwamen tijdens het bombardement. De schade en chaos moeten groot zijn geweest. De volgende dag was het puinruimen voor de dwangarbeiders. Mijn inmiddels overleden oom Bert Volgers (1947-2022) vertelde enkele jaren geleden dat mijn opa (en zijn vader) na een groot bombardement op de scheepswerf in 1944 was gevlucht. Mogelijk was dat na dit bombardement. Met hulp van communisten uit een naburig dorp zou hij uiteindelijk zijn teruggekeerd naar Nederland en enige tijd bij een familie op een boerderij in het Brabantse Hooge Mierde zijn verbleven. Als dit verhaal klopt moet dat een helse tocht voor hem zijn geweest dwars door Nazi-Duitsland dat na D-Day en Operatie Market Garden in rap tempo terrein verloor in de bezette landen. Delen van Noord-Brabant en Gelderland waren in september 1944 bevrijd door de geallieerden, maar de rest van Nederland nog niet. Volgens de repatriatiekaart van het Nederlandse Rode Kruis is mijn opa in 1945 (wellicht na de bevrijding) in Workum geregistreerd. Vermoedelijk heeft hij daar de boot naar Enkhuizen gepakt en is toen na twee jaar dwangarbeid in Duitsland (en mogelijk een verblijf van enige maanden in Hooge Mierde) eindelijk teruggekeerd bij zijn familie in Enkhuizen. Zijn terugkeer betekende ook een hereniging met zijn geliefde Roelina, met wie hij op 23-jarige leeftijd op 28 januari 1946 trouwde.

Trouwfoto Adriaan Volgers en Roelina Buiten, 28-1-1946

Bronvermelding

Archiefmateriaal

Brief Roelina Buiten aan Johanna van Sluijs, 30 mei 1943, familiearchief Volgers.

Repatriatiekaart Adriaan Volgers, Archief Nederlandse Rode Kruis (2.19.323), Nationaal Archief in Den Haag.

Archiefstukken m.b.t. dwangarbeid van Nederlanders in Bremen, Archief Nederlandse Rode Kruis (2.19.323, inv. nr. 857), Nationaal Archief in Den Haag. Toegankelijk via: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.19.323/invnr/857/file/NL-HaNA_2.19.323_857_0001 (30-4-2025).

Civil Registration Card Adriaan Volgers, Staatsarchief Bremen (EMK StAB 4,82/1 – 1-2234-321). Via de Arolsen Archives zijn archiefstukken van dwangarbeiders ook vindbaar: https://collections.arolsen-archives.org/en/archive/7-5-18_10000338 (30-4-2025).

Helaas heb ik tot op heden geen egodocumenten van Adriaan Volgers gevonden die meer inzicht geven in zijn tijd in Duitsland tijdens de oorlog. De meeste gegevens in dit artikel zijn dan ook ontleend aan herinneringen van mijn moeder en oom. Tijdens hun jeugd hebben ze de familie in Hooge Mierde, die mijn opa onderdak bood, nog verschillende keren opgezocht.

Boeken en artikelen

Marloes van Westrienen, Arbeiders. Nederlandse jongens tewerkgesteld in het Derde Rijk (Amsterdam/Antwerpen, 2008).

Eike Hemmer en Robert Milbradt, Bunker “Hornisse”. KZ-Häftlinge in Bremen und die U-Boot-Werft der “AG Weser” 1944/45 (Bremen, 2005).

Karel Volder, Werken in Duitsland, 1940-1945 (Amsterdam, 1995).

Diethelm Knauf en Helga Schröder (red.), Fremde in Bremen. Auswanderer, Zuwanderer, Zwangsarbeiter (Bremen, 1993).

Benjamin Aäron Sijes, Arbeidsinzet. De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945 (Den Haag, 1990).

Marcus Meyer, ‘When Fascination Obscures Faith. Narratives of Technology vs. Forced Labor at the Bunker “Valentin”’, Journal of Educational Media, Memory, and Society 14:1 (2022) 128-49.

Marc Buggeln en Inge Marszolek, ‘Concrete Memory. The Struggle over Air-Raid and Submarine Shelters in Bremen after 1945’, in: Gavriel D. Rosenfeld en Paul B. Jaskot (red.), Beyond Berlin: Twelve German Cities Confront the Nazi Past (Ann Arbor, 2008) 185-208.

Websites

Stamboom familie Volgers: https://genealogie-van-der-beek.jouwweb.nl/kwartierstaat-adriana-jenny-volgers (30-4-2025).

Ooggetuigenverslag Cees Ruijter (2013): https://www.tracesofwar.nl/articles/6371/Cees-Ruijter-tewerkgesteld-op-de-AG-Weser-werf.htm (30-4-2025).

U-Boot Bunker Hornisse: U-Boot Bunker Hornisse – Bremen – TracesOfWar.nl (30-4-2025).

Audiowalk Ein KZ für die Werft. Die Geschichte des KZ-Außenlagers „Schützenhof“ (2018): https://einkzfuerdiewerft.wordpress.com/audiowalk/ (30-4-2025).

Homme Hoekstra (2011): https://www.spurensuche-bremen.de/spur/homme-hoekstra/ (30-4-2025).

Bunker Hornisse, Die Arbeitslager: https://bunker-hornisse.jimdofree.com/die-arbeitslager/ (30-4-2025).

Peter Müller, Die A.G. “Weser” in Bremen (2008): A.G. Weser Bremen 1843-1983 (archive.org) (30-4-2025).

Wikipedia, Deutsche Schiff- und Maschinenbau AG: https://nl.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Schiff-_und_Maschinenbau_AG (30-4-2025).

Wikipedia, AG Weser: https://de.wikipedia.org/wiki/AG_Weser (30-4-2025).

Wikipedia, Type XXI submarine: https://en.wikipedia.org/wiki/Type_XXI_submarine (30-4-2025).

Podcast ‘Gedwongen tewerkgesteld’ (2021): https://podcastluisteren.nl/pod/Gedwongen-tewerkgesteld-in-Duitsland (30-4-2025).

Terschelling in de oorlogsjaren: https://www.atlantikwall-wadden.nl/nl/bezoek/terschelling/terschelling-in-de-oorlogsjaren#:~:text=In%20de%20ochtend%20van%2011,Duitsers%20op%20het%20ge%C3%AFsoleerde%20Waddeneiland. (30-4-2025).

Neergeschoten vliegtuigen: http://atlantikwall-wadden.nl/nl/verhalen/de-luchtoorlog/neergeschoten-vliegtuigen (30-4-2025).

Een gedachte over “Een verzwegen geschiedenis: dwangarbeid in Bremen

Plaats een reactie