Nederlanders in Theresienstadt en discussies over herinneringen aan deportatie, gevangenschap en vervolging

In het voorjaar van 2019 bezocht ik Theresienstadt op een door Yad Vashem georganiseerde studiereis voor Holocausteducatie. Ik was reeds bekend met de kunst en culturele activiteiten van gevangenen in dit concentratiekamp, maar ik vroeg mij al lopend door dit kleine vestingstadje af hoe het de Nederlanders daar was vergaan. De ervaringen van Nederlandse joden in Theresienstadt zijn vrij onbekend omdat slechts een relatief kleine ‘prominente’ groep van 4.887 joden vanaf april 1943 naar dit zogenaamde ‘modelgetto’ in het toenmalige Duitse protectoraat Bohemen en Moravië (in het huidige Tsjechië) werden gedeporteerd. Het merendeel van de uit Nederland gedeporteerde joden behoorde tot de joodse elite of had zich op een andere wijze (in de ogen van de nazi’s) verdienstelijk gemaakt. Daarnaast waren er nog diverse andere subgroepen van joden, die aanvankelijk van deportatie uitgezonderd waren (zoals de Barneveldgroep en tot het protestantse geloof bekeerde joden). Onder hen bevonden zich ook de nodige vluchtelingen (of emigranten) die na 1933 uit Duitsland, Polen, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije naar Nederland waren gekomen. Een zeer gemêleerde groep joden uit Nederland kwam zodoende in Theresienstadt terecht. Hun ervaringen waren logischerwijs verschillend, maar een gemene deler is dat als één van de laatste gearriveerde groepen aanpassing aan het leven in Theresienstadt verre van eenvoudig was. In dit artikel beschrijf ik hoe Nederlandse overlevenden van Theresienstadt zich het kampleven herinneren en op welke vlakken herinneringen van elkaar verschillen of zelfs botsen. Als casus kijk ik daarbij in het bijzonder naar de naoorlogse ophef over de kamptekeningen van Jo Spier (1900-1978) en zijn vermeende hulp aan de bekende propagandafilm die door Kurt Gerron in opdracht van de nazi’s was gemaakt.

Deportaties van Westerbork naar Theresienstadt

Op voorstel van Adolf Eichmann, hoofd van de Reichssicherheitshauptamt (RSHA) IVB4, zouden ‘joden met verdiensten’ op transport worden gesteld naar Theresienstadt. De Haagse afdeling van IVB4 bepaalde vervolgens de verschillende categorieën, waar eerst alleen Joods-Duitse oorlogsveteranen in aanmerking zouden komen voor deportatie naar het in propagandistische termen genoemde ‘Tsjechische kuuroord’. De valse belofte was dat de ‘uitverkoren’ joden tot het einde van de oorlog daar zouden kunnen verblijven, waar in werkelijkheid Auschwitz het eindstation was voor vele gevangenen. Onder de verdienstelijke joden bevonden zich kunstenaars, wetenschappers en geneeskundigen, maar ook zij die aan de opbouw van Kamp Westerbork hadden bijgedragen of voor de Joodse Raad hadden gewerkt. Op het eerste transport dat op 21 april 1943 uit Westerbork vertrok bevond zich ook de bekende illustrator Jo Spier (1900-1978), die onder speciale bescherming stond van Anton Mussert (die zijn tekenkunsten bewonderde), met zijn gezin. Philip Mechanicus (1889-1944) schreef: “Men moest zich verzetten om niet mee te willen met de expeditie, die op een excursie leek. Men was het laatste jaar zo gewend geraakt aan de deportatie in beestenwagens, dat men een gewone trein met derdeklassewagons bereid was als een Genade van de Hemel te aanvaarden, daarin althans een menselijke gunst te zien, die slechts dankbaarheid kon wakker roepen, en de reis beschouwen als een plezierreis.” Het was hem duidelijk dat sprake was van pure misleiding, maar vermoedelijk zijn velen toch met enige goede hoop op de trein naar Theresienstadt gestapt.

* Deportaties via Bergen-Belsen naar Theresienstadt; ** 1174 mensen op transport XXIV/7 behoorden tot de Barneveldgroep en de protestantse joden. ‘XXIV’ verwijst naar het 24ste gebied buiten het protectoraat Bohemen en Moravië waarvandaan joden naar Theresienstadt werden gedeporteerd. Bron: Hajkova, ‘”Poor devils” of the camps’, pg. 10.

De uit Nederland gedeporteerde joden kwamen vanaf januari 1944 in de Hamburgerkazerne in Theresienstadt terecht, nadat zo’n 3.000 Tsjechische joden tot hun ongenoegen het bevel hadden gekregen deze te verlaten. Het zorgde vrijwel direct voor een kloof tussen de beide groepen en de ontvangst was allesbehalve prettig. Gerhard Leopold Durlacher (1928-1996) schreef in zijn boek Strepen aan de hemel hoe hij na aankomst als vijftienjarige jongen meeschuifelde in een stoet van mannen en vrouwen “met hun grauwe vermoeide gezichten, de vochtige dampende kleiding, gekreugeld, gevlekt, gesleten” naar de voor hen bestemde barakken. De uit Westerbork meegekomen dokter Alex Siegfried Wachtel hield met de toenmalige Judenälteste van Theresienstadt, Paul Maximilian Eppstein, een toespraak voor de nieuwkomers. Ze onderstreepten dat zij dankbaar moesten zijn voor hun komst naar dit Vorzugslager en zich waardig moesten tonen “door een goede houding, ijver, zindelijkheid, discipline. (..) Bij in gebreke blijven zouden eenzame bunkerstraf en deportatie volgen en verder regels, regels, regels.” Deze toespraak was volgens onderzoeker Ria van der Brandt, die tientallen Nederlandse overlevenden van Theresienstadt interviewde, allerminst geruststellend. Men moest maar vertrouwen op de toezegging die Dr. Wachtel van Kommandant-Hauptsturmführer Karl Rahm had gekregen dat bij goed gedrag de Nederlandse joden in Theresienstadt zouden mogen blijven (en dus niet naar de vernietigingskampen in het oosten zouden worden gestuurd).

Plattegrond van Theresienstadt. Buiten het ommmuurde getto bevond zich de Kleine Vestiging dat dienst deed als gevangenis van de Gestapo. De Hamburgerbarakken bevonden zich langs de spoorlijn aan de zuidkant van het getto.

Ab Caransa (1927-2006) arriveerde op zestienjarige leeftijd met zijn ouders in april 1944 in Theresienstadt en zijn eerste indruk was beangstigend. Het getto was overbevolkt en bij aankomst werden mannen en vrouwen gescheiden voor lijfelijke visitatie, bagagestukken in beslag genomen (voor controle) en waardevolle bezittingen afgepakt. Voor Caransa was aanvankelijk geen bed beschikbaar en hij sliep op een matras op de grond totdat de sociaaldemocraat Maurice Mendels (zijn uitvaart was getekend door Jo Spier, zie afbeelding 3) overleed en zijn bed in de slaapzaal vrijkwam. Volgens de regels was onderwijs, geldbezit en het krijgen van kinderen verboden, al was er wel degelijk een rijk aanbod van culturele activiteiten, waar Nederlandse gevangenen overigens maar mondjesmaat aan deelnamen. De taalbarrière speelde daarbij mee, men had een voordeel in het kamp als men Duits en/of Tsjechisch kon spreken; dan bleef je veel beter op de hoogte van alle ontwikkelingen. Caransa merkte hierover op: “In het algemeen gedroegen de Nederlanders in het getto zich timide, door hun over het algemeen slechte kennis van de voertaal, het Duits, maar ook omdat ze door veel van hun Tsjechische, Oostenrijkse en Duitse medegevangenen als tweederangs en als zwakkelingen werden beschouwd, een verwijt dat ons ook in andere kampen en met name na de oorlog is gemaakt. Maar voor de meeste Nederlandse joden was de overgang van het relatief liberale Nederland dat nooit virulent antisemitisme heeft gekend naar appèlplaats en dwangarbeid té groot.” Aanpassing was in die zin makkelijker voor de Duits-Nederlandse joden die vanuit Westerbork naar Theresienstadt waren gedeporteerd. Caransa omschreef Theresienstadt als een ‘schizofrenie in steen’ waarbij hij het contrast schetste tussen het ‘ongeëvenaarde aanbod van toneel, muziek en wetenschap’ en de erbarmelijke leefomstandigheden, waarbij er structureel te weinig voedsel was en ouderen en zieken letterlijk crepeerden of bezweken in het kamp.

Het lot van de Nederlandse joden in Theresienstadt

Verreweg de meeste Nederlandse joden kwamen als gezin naar Theresienstadt en waren in Westerbork reeds aan het kampleven gewend geraakt. De erbarmelijke omstandigheden in het overbevolkte Theresienstadt en het feit dat de Nederlanders als laatste groep arriveerden maakte aanpassing wel degelijk moeilijker. Van der Brandt laat in haar onderzoek niettemin zien dat de ervaringen enorm verschillend waren en dat generalisaties daarom lastig zijn. Anders dan historica Anna Hájková zag zij op basis van getuigenissen dat Nederlanders zich wel degelijk mengden met andere gevangenen en in sommige gevallen een zekere waardering kregen voor het gedwongen werk dat zij moesten verrichten. Hájková betoogde dat de Nederlanders een geïsoleerde groep in Theresienstadt vormden en verklaarde dat vanuit de achtergrond van verzuiling en de eerder genoemde taalbarrière. Beide historici lijken het wel eens te zijn over het feit dat Nederlandse joden veel minder aan het culturele leven deelnamen in het kamp. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat onder de grootschalige herfsttransporten in september-oktober 1944 zich veel kunstenaars en intellectuelen bevonden, zodat het aanbod van activiteiten aanzienlijk terugliep. Vanaf 9 november 1944 kwam bovendien een arbeidsplicht voor gevangenen vanaf 10 jaar, zij moesten werkweken van ca. 70 uur maken en dan bleef er natuurlijk weinig tijd over voor ontspanning, scholing of amusement. Opvallend is ook dat de kleine kinderen uit de Nederlandse gezinnen zelden naar de kinderopvang in het getto gingen. Nederlandse joden waren zodoende minder onderdeel van het ‘grote verhaal’ van Theresienstadt als cultureel oord met vooraanstaande musici, theatermakers en kunstenaars. De continue honger en ziekte, het ongedierte in de Hamburgerkazerne en de vormen van dwangarbeid hebben vele gevangenen wel aan den lijve ondervonden en zijn deel van het collectief geheugen gaan vormen.

Uit onderzoek van Hájková blijkt dat van de tijdens de herfsttransporten van 1944 naar Auschwitz gedeporteerde gevangenen het overlevingspercentage voor Nederlandse joden beduidend lager was dan van andere nationaliteiten in Theresienstadt. Op basis van een steekproef toonde zij zelfs aan dat Duits-Nederlandse joden een grote overlevingskans hadden dan hun autochtone landsgenoten. In haar steekproef nam zij alleen jonge mannen in de leeftijd van 18-30 jaar mee, omdat een onbepaald aantal vrouwen zwanger was of vergezeld was door kinderen (wat hun overlevingskans kon beïnvloeden). Zo’n 3.000 Nederlandse joden werden vanuit Theresienstadt naar Auschwitz gedeporteerd en naar schatting overleefden slechts 300-400 van hen de Holocaust. Meer dan 400 Nederlandse joden, waaronder vijftig kinderen, kwamen voortijdig vrij op voordracht van Reichsführer-SS Heinrich Himmler met oog op de nadere onderhandelingen met de geallieerden. Een transport van 1200 gevangenen bereikte op 5 februari 1945 het neutrale Zwitserland en zij zouden daarna gerepatrieerd worden. Onder hen bevonden zich ook de zussen Liesel (1931-2019) en Nelleke van Cleeff (1933-2018), afkomstig uit Rotterdam. Vlak voor de Zwitserse grens stopte de trein rond middernacht en bleef deze uren stilstaan. Bang dat de passagiers waren dat zij alsnog doodgeschoten zouden worden, zagen Nelleke en Liesel ‘in de verte duizenden twinkelende lichtjes in de bergen van het vrije Zwitserland’. Door een tyfusuitbraak in Montreux, waar zij verbleven in afwachting van repatriatie, raakte Liesel ernstig ziek. Haar ouders – aanvankelijk verblijd door hun vrijlating – zouden haar door de kritieke toestand in augustus 1945 persoonlijk komen opzoeken. Na lange omzwervingen zou het gezin eindelijk weer herenigd worden, al was het lastig voor de meiden om de draad weer op te pakken en konden zij in Hilligersberg allerminst rekenen op een warme ontvangst of veel begrip voor het joodse leed van andere bewoners.

Bron: Hajkova, ‘”Poor devils” of the camps’, pg. 11.

Die Verschönerung en de propagandafilm

In voorbereiding op het bezoek van een kleine delegatie van het Internationale Rode Kruis op 23 juni 1944 moest Theresienstadt in opdracht van de SS flink opgeknapt worden. De opschoning (in Duits ‘die Verschönerung‘) van het getto betekende dat in de maanden vooraf alles uit de kast werd gehaald om het Rode Kruis om de tuin te leiden en de illusie te wekken dat de joden het goed hadden in Theresienstadt. De Deense koning had zich fel verzet tegen deportatie van de Deense joden, maar toen dat eenmaal gebeurde moest Eichmann een concessie doen met een inspectie als gevolg. Caransa schreef dat alle Nederlandse mannen moesten komen opdraven in een ruimte van de Hamburgerkazerne waar Spier hen zou toespreken. De strekking van zijn toespraak was dat ieders inzet nodig was om dit project te laten slagen en dat anders erge dingen zouden gebeuren, daarmee implicerend dat tegenwerking bestraft kon worden met deportatie naar de vernietigingskampen. Volgens Caransa had Spier geen ruggegraat en blindelings de Duitse orders opgevolgd, al verklaarde laatstgenoemde kort na de oorlog dat zijn toespraken tot zijn landgenoten onder doodsbedreiging waren geweest. De gevangenen gingen in ieder geval aan de slag met het schoonvegen van de straten, het schilderen van de gevels en de aanleg van nieuwe tuinen. Het probleem bleef echter dat de stad overbevolkt was. Op 12 mei 1944 kondigde kampcommandant Rahm aan dat 7.500 gevangenen (onder wie 559 Nederlanders) in drie transporten naar Auschwitz gedeporteerd zouden worden. Het sinistere plan pakte voor de nazi’s goed uit. Het Rode Kruis bracht een positief rapport uit na haar bezoek en zag af van verdere inspecties in de andere concentratiekampen.

Het opgeruimde kamp zou spoedig op film worden vastgelegd. De Zentralstelle zur Regelung der Judenfrage in Praag trok 35.000 Reichsmark uit voor de inmiddels bekende propagandafilm over Theresienstadt. Cineast Gerron was aangewezen als regisseur. Hoewel hij aarzelde of hij moest meewerken aan deze film, overtuigde Eppstein hem dat zo’n arbeidsintensief karwei vele gevangenen zou kunnen behoeden voor deportatie (het tegendeel zou later blijken). Tijdens de opnamen van 16 augustus tot 11 september was het getto omgetoverd tot één grote filmstudio. Gerron kreeg hulp van Spier, zo bleek bijvoorbeeld uit het door hem getekende story board bestaande uit 332 tekeningen die de verschillende scènes van de film toonden. Historicus Karel Margry ontkrachtte de naoorlogse beschuldiging dat Spier het draaiboek voor de film had gemaakt, omdat zijn tekeningen (in opdracht van Rahm) de volgorde van opnamen lieten zien en niet de volgorde van het oorspronkelijke script. Spier had dus de filmbeelden op papier vastgelegd door steeds mee te kijken door de zoeker van de camera. Zo beschikte de kampcommandant over een visueel verslag van elke scène en shot. De documentaire zou in de volksmond bekend komen te staan onder de titel Der Führer schenkt den Juden ein Stadt en laat in volle glorie een geïdealiseerd beeld zien van het leven in het zogenaamde ‘modelkamp’. Dankzij de in het NIOD bewaarde tekeningen van Spier was het na de oorlog mogelijk om een reconstructie van de complete film te maken, waar ook overlevenden hun herinneringen aan de film hebben gedeeld.

Screenshot uit de propagandafilm met in het publiek Jo Spier (met bril rechts) tijdens een uitvoering van Mendelssohns ‘Elijah’ onder leiding van dirigent Karel Fischer.

Op melancholische wijze beschreef Durlacher de regie van de film, waarvan enkele losse fragmenten bewaard zijn gebleven: “De muziek van joodse componisten, in nazi-Duitsland en de bezette gebieden toen al jaren verboden, gaat verder. De stem volgt met lege propagandafrasen de beelden: kunstnijverheid, een beeldhouwer bij zijn ontwerp voor een fontein, werkplaatsen waar vrouwen en mannen met grauwe gezichten waarop een bevolen glimlach plakt, met jodensterren op de borst, schoenen repareren, tassen snijden en kleding naaien bij de vitale klanken van Mendelsohns ‘Midzomernachtsdroom’. De ‘Feierabend’ en de voetbalwedstrijd met twee zeventallen in plaats van elftallen op de binnenplaats van de Hamburgerkazerne, met duizenden figuranten in slechtzittende kleding, hangend over de balustraden van de booggangen; enthousiasme onder regie. Een badhuis met mannen onder douches waaruit in Theresienstadt alleen water komt. Een bibliotheek waar achter de uitleentafel professor David Cohen met zelfgenoegzame uitdrukking op zijn gezicht met een collega converseert. Een voordracht van professor Utitz, met in zijn gehoor tientallen internationaal befaamde joodse geleerden, nu oude vermagerde mannen met moeizaam gladgetrokken sleetse pakken, verbogen brillen voor droevige ogen en sterren op het angstige hart.”

Pas in april 1945 zou de film aan het Rode Kruis vertoond worden, maar aan het einde van de oorlog was door de bevrijding van concentratiekampen in het oosten inmiddels duidelijk welke gruwelijkheden en massale vernietiging daar hadden plaatsgevonden. De film had volgens Margry dus geen enkele invloed op de publieke opinie. Het meest tragisch is dat veel medewerkers aan de film, waaronder Gerron zelf, figuranten en ook kinderen – die speciaal voor de film hadden opgetreden in de kinderopera Brundibár – op transport moesten en omkwamen in Auschwitz.

De tekeningen en herinneringen van Jo Spier in perspectief

Naast de speculaties over de betrokkenheid van Spier bij de propagandafilm, opende de communistische krant De Waarheid in december 1945 publiekelijk de aanval op de illustrator die met zijn gezin de Holocaust had overleefd en na de bevrijding van Theresienstadt veilig naar Nederland was teruggekeerd. In een anoniem artikel trok de schrijver de conclusie dat Spier in zijn tekeningen voor de Duitsers gelogen had over de realiteit in Theresienstadt. Spier werd neergezet als een vriend van Mussert die dankzij zijn ‘sympathieke contact met de SS in Theresienstadt’ een woning met bad en clubfauteuils had gekregen. Verschillende tekeningen waren afgedrukt om de aantijgingen te onderstrepen. Enkele dagen later maakte de krant het nog bonter door te stellen dat Spier met zijn ‘misselijke tekeningen het leven in de Jodenstad, het voortportaal van de gaskamers in Bergen-Belsen, verheerlijkte.’ De artikelen boden geen enkele ruimte voor nuance of enig inzicht in de omstandigheden waar kunstenaars in Theresienstadt mee te maken hadden gehad. Het staat buiten kijf dat Spier in opdracht van Rahm rooskleurige beelden moest tekenen, zoals ook zijn biograaf Henk van Gelder vaststelde, maar het is onjuist dat de in Zutphen geboren kunstenaar geen kritische beelden tekende in het kamp. Een enkele keer was hij door de kampcommandant zelfs betrapt op een mapje met tekeningen met lijkwagens, lange etensrijen en uitgemergelde gevangenen.

In het archief van Beit Theresienstadt in de Israëlische kibboets Givat Haim Ihud vond ik enkele jaren geleden een verzameling tekeningen van Jo Spier, die hij later ook deels heeft gebruikt voor zijn boek Dat alles heeft mijn oog gezien (1978). Dit boekje kon vlak na publicatie op veel kritiek van Caransa rekenen, die in een uitgebreide brief aan het Joods Historisch Museum zijn ongenoegen uitte over hoe Spier zaken verzweeg over de ware aard van het leven in Theresienstadt, het lot van zijn joodse landgenoten of zijn medewerking aan de film. Zo stelde hij met nadruk: “Spier schrijft en tekent nergens over de “gewone” mensen, die zich ook in Theresienstadt bevonden. Spier heeft het nergens over de stakkers die bij de keukens stonden te bedelen om watersoep die anderen niet wilden. Dat klopt ook met de werkelijkheid: Spier hield zich niet met “gewone” mensen op.” Het is bekend dat Spier had meegewerkt aan een herinneringsalbum Bilder aus Theresienstadt dat tijdens het bezoek van het Rode Kruis als souvenir aan leden van de delegatie, buitenlandse bezoekers en nazi-functionarissen werd meegegeven. Net als andere schilders moest hij het opgeschoonde getto vastleggen van een geïdealiseerde stad – analoog aan de propagandafilm.

Bij nadere bestudering van zijn tekeningen lijkt het erop dat Spier wel degelijk aspecten van het kampleven heeft vastgelegd, maar dat de ernst van ondervoeding, dwangarbeid en deportatie nauwelijks naar voren kwam. Sommige beelden lijken inderdaad rooskleurig, zoals de joodse bank, bakkerij en het poppentheater voor kinderen, en zouden zonder verdere context ook dienst hebben kunnen doen als propaganda. De zolder in de Hannoverkazerne, de geïmproviseerde synagoge en de aardappelenkar (in zijn boek verwijst Spier naar ‘onze kinderen’ die vochten om ‘aardappelschillen’) geven wel iets meer inzicht in het dagelijks leven van de gevangenen. Het meest kritisch zijn de illustraties die vermoedelijk na de bevrijding zijn gemaakt of toen van verdere bijschriften zijn voorzien. Zo is kampcommandant Rahm groot afgebeeld voor een treinwagon met de vermelding dat hij in 1946 na zijn proces is opgehangen. Hij citeerde Rahm met zijn verklaring voor de rechtbank: “Ich habe mich den Herren Israëliten gegenüber immer anständig benommen.” In zijn boek haalde Spier het feit aan dat de president van de rechtbank Rahm vroeg waarom hij dan een aantal kunstschilders naar Auschwitz had gestuurd. Rahm zou volgens Spier hebben geantwoord dat hij zelf een schilder was en deze schilders te modern waren naar zijn smaak. In een andere tekening laat Spier zien hoe gevangenen na de bevrijding door het Rode Leger SS-ers aanvallen en uit het getto verjagen. Het lijkt er zodoende op dat Spier zich meer vrijheid heeft gepermitteerd en kritische boodschappen heeft verwerkt in zijn tekeningen toen het gevaar voor deportatie naar Auschwitz geweken was. Ongetwijfeld moet het feit dat naaste kunstenaars, zoals Ferdinand Bloch, Bedrich Fritta, Otto Ungar, Leo Haas en Leo Strass, vanwege hun expliciete verzetskunst verhoord, opgesloten (in de Kleine Vesting) en/of gedeporteerd werden, angst hebben ingeboezemd. Spier koos in zekere zin zijn manier om Theresienstadt te overleven en dat was natuurlijk zijn goed recht.

Bronvermelding

George E. Berkley, Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de Nazi’s (Baarn en Antwerpen, 1995). Vertaald door Chris Mouwen.

Vojtech Blodig e.a. (red.), Art Against Death. Permanent Exhibitions of the Terezín Memorial in the former Magdeburg Barracks (Praag, 2002).

Ria van den Brandt, ‘Ik was mijn houvast helemaal kwijt’ Getuigen van Theresienstadt (Hilversum, 2021).

Ab Caransa, ‘Theresienstadt, schizofrenie in steen’, Oorlogsdocumentatie 40–45, 9 (1998) pp. 112–139.

Ab Caransa, Brief aan Joods Historisch Museum over boek van Jo Spier, Amsterdam, 20 mei 1978. Afkomstig uit Beit Theresienstadt Archives.

Anne D. Dutlinger et alii (red.), Art, Music and Education as Strategies for Survival: Theresienstadt, 1941-1945 (New York en Londen, 2001).

Henk van Gelder, De tekenaar Jo Spier (1900-1978) (Amsterdam, 1994).

Anna Hájková, ‘”Poor devils” of the Camps. Dutch Jews in Theresienstadt, 1943–1945’, Yad Vashem Studies 43:1 (2015) pp. 77-111. Online toegankelijk via: https://warwick.ac.uk/fac/arts/history/people/staff_index/hajkova/hajkova_poor_devils_yvs_2015.pdf (11-1-2026).

Auke Kok en Dido Michielsen, De redding van de familie Van Cleeff (Amsterdam en Antwerpen, 2015).

Karel Margry, ”Theresienstadt’ (1944-1945): The Nazi Propaganda Film Depicting the Concentration Camp as Paradise’, Historical Journal of Film, Radio and Television 12:2 (1992) 145-163. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/31749585/_Theresienstadt_1944_1945_The_Nazi_propaganda_film_depicting_the_concentration_camp_as_paradise (19-2-2026).

Joost Pollmann, ‘De overlevingskunst van de Joodse tekenaar Jo Spier leidde maar al te vaak tot misverstanden’, Trouw, 8 april 2025. Online toegankelijk via: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/de-overlevingskunst-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier-leidde-maar-al-te-vaak-tot-misverstanden~b3808d6c/ (11-1-2026).

Jo Spier, Dat alles heeft mijn oog gezien. Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt (Amsterdam en Brussel, 1978).

Jo Spier, Kamptekeningen (1943-1945), 1216/53/31, Beit Theresienstadt Archives.

Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt. De laatste overlevenden van het concentratiekamp getuigen (Tielt, 2012).

Martijn Veenhuijsen, ‘Plan-Frederiks: hoe een joodse elite aan de deportatietreinen probeerde te ontkomen’, 10 februari 2026. Online toegankelijk via: https://historiek.net/plan-frederiks-jodenlijsten-bezet-nederland/180238/ (19-2-2026).

‘Theresienstadt, zoals Jo Spier het zag… en zoals het was!’, De Waarheid, 15 december 1945. Online toegankelijk via: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010851059:mpeg21:p004 (11-1-2026).

Kurt Gerron, ‘Nazi propaganda film about Theresienstadt / Terezin’, Collectie USHMM en Bundesarchiv, 1991.260.1, Film ID: 201. Online toegankelijk via: https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn1000172 (11-1-2026).

NOS, ‘Het verhaal van de Joodse tekenaar Jo Spier’, 22 maart 2025: https://nos.nl/nieuwsuur/video/2560782-het-verhaal-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier (11-1-2026).

Een verzwegen geschiedenis: dwangarbeid in Bremen

Tachtig jaar geleden eindigde de Tweede Wereldoorlog en daarmee kwam ook een einde aan de zeer omvangrijke dwangarbeid in Nazi-Duitsland. Ruim een half miljoen Nederlandse mannen in de leeftijd van 17 tot 40 jaar waren gedwongen om voor de Arbeitseinsatz in het Derde Rijk te werken. Waar de werving van arbeiders eerst nog een vrijwillig karakter had of beperkt was tot werklozen, veranderde dit vanaf 23 maart 1942 met de verandering van het Landoorlogreglement. Niet langer was het bij wet verboden om (gedwongen) arbeid te verrichten voor een vijandige mogendheid. Met de Holland Aktion I begon de Duitse bezetter in april 1942 met de werving van ca. 30.000 arbeiders voor de Duitse metaalindustrie. Mijn opa Adriaan Volgers (1922-1994) – die ik alleen als klein kind heb gekend – was als metaalarbeider vermoedelijk één van hen. Hij was slechts 19 jaar oud toen hij op 25 juni 1942 als dwangarbeider aan de slag ging voor het scheepsbouwbedrijf Aktien-Gesellschaft Weser (sinds 1926 onderdeel van de Deutschen Schiff- und Machinenbau, Deschimag) in Bremen. Er is slechts zeer weinig bekend over zijn tijd in Duitsland, zoals veel voormalige dwangarbeiders zweeg mijn opa over dit verleden. Niet alleen moest hij een oorlogstrauma verwerken, maar daarnaast werd in het naoorlogse Nederland de arbeidsinzet lang als vorm van collaboratie of zelfs landverraad gezien. Dit artikel schetst dan vooral ook de context van zijn tijd als dwangarbeider in Bremen maar roept ook nieuwe vragen op met betrekking tot zijn ervaringen, repatriatie naar Nederland en verwerking van de oorlog.

Registratiekaart Adriaan Volgers, Staatsarchiv Bremen.

Arbeitslager in Bremen

Bremen was vanwege de haven en de wapenindustrie een belangrijke bestemming voor dwangarbeiders uit verschillende bezette landen. Volgens het standaardwerk van Ben Sijes waren in augustus 1944 ruim 7200 Nederlanders tewerkgesteld in deze Noord-Duitse havenstad. In de Gemeinschaftslager der Deschimag/AG Weser bevonden zich tot 1945 meer dan 1200 dwangarbeiders. Uit de registratiekaart van mijn opa uit het Staatsarchief Bremen blijkt dat hij in Lager Tirpitz verbleef. ‘Tirpitz’ was een kazernecomplex gelegen aan de Schwarzer Weg 92 met een capaciteit van 660 mensen, waaronder 382 Nederlandse dwangarbeiders. Het complex was in drie blokken verdeeld voor Nederlanders en Belgen, Duitse vakmensen en de ziekenboeg, en de Hitlerjugend en Bund Deutsche Mädel (BDM). De eerste lichting van 140 Nederlanders was in juni en juli 1942 via Den Helder naar Tirpitz in Bremen gekomen. Omdat een deel van deze groep na het verlof met Kerst niet meer terugkeerde, werd het verlof voor nieuwe arbeiders afgeschaft, aldus Cees Ruijter (geb. in 1923). Ruijter was net als mijn opa werkzaam voor AG Weser en van zijn hand is een uitgebreid verslag opgetekend. Mijn opa raakte goed bevriend met andere Nederlanders in Tirpitz, zo hield hij met Johannes Jeths (1922-2010) zelfs na de oorlog nog contact.

Kaart met werkkampen rondom scheepsbouwbedrijf AG Weser in Bremen.

De overstap van het ouderlijk huis in het pittoreske Enkhuizen naar een werkkamp in een grote havenstad als Bremen (eind 1940 telde de stad 441.800 inwoners) moet groot geweest zijn voor mijn opa. Zo moesten de jonge arbeiders op eigen benen staan en deelden zij een slaapkamer met andere jongens. Ruijter schreef hierover: “Het was een hele omslag, vanuit een beschermde omgeving, uit het dorp en uit het gezin, opeens met twaalf jongens op een kamer. Vreemde taal, andere gewoontes. Geen radio, geen kranten. Jezelf verzorgen, zelf je was doen. Geen contact met ouders en familie. Alles was anders, zelfs het brood eten. Dat deed men daar vanaf een plankje, dat kenden we niet. Je broek persen gebeurde door deze onder het matras te leggen, maar het was een hele kunst dit goed te doen. Kleding wassen moesten we ook zelf doen, in het washok, maar zeep was altijd schaars. Scheermesjes ook; maar door de losse mesjes langs de binnenzijde van een glas te wrijven konden we ze enigszins slijpen en langer gebruiken.” Om 6:00u ’s ochtends werd men gewekt met een bons op de deur en een half uur later vertrok men al lopend naar de scheepswerf. Om 7:00u begon het werk. Werkdagen waren zo tot 17:00u en om 18:00u werd het avondeten geserveerd in de kantine van het kamp. De rest van de avond was vrij qua indeling en bewoners speelden dan spellen of er was muziek, zang of toneel. Voetbal was ook populair in Bremen. Er was een competitie van Nederlandse elftallen bestaande uit tewerkgestelden van de grote bedrijven.

Lager Tirpitz, werkkamp vlakbij de haven in Bremen.

Hoewel er dus ruimte was voor vertier, maakten veel dwangarbeiders een zware periode door met lange werkdagen, een strakke discipline en op de achtergrond het oorlogsgeweld dat Bremen ook in toenemende mate zou teisteren door geallieerde bombardementen. De langdurige afzondering van familie en vrienden moet tevens zeer moeilijk zijn geweest. Onbekend is of mijn opa tussentijds verlof heeft gekregen. Van mijn oma Roelina Buiten (1924-1965), met wie opa een jaar na de oorlog zou trouwen, is één brief bewaard gebleven. Roelina verbleef tijdens de oorlog tijdelijk bij haar aanstaande schoonfamilie op Terschelling. Gerrit Volgers (1910-1974), de broer van mijn opa Adriaan, was in 1933 naar dit mooie Waddeneiland verhuisd en zijn vrouw Bartje Boer (1906-1978) was erg ziek, ze had een nierbekontsteking. Roelina hielp waarschijnlijk in het huishouden en met de verzorging van haar. Op 30 mei 1943 schreef Roelina aan mijn overgrootoma Johanna van Sluijs (1884-1986) in Enkhuizen dat ze hoopte om Adriaan die vrijdag in Leeuwarden te ontmoeten, maar dat ze de kans klein achtte. Ook vroeg ze of zij nog brieven van Adriaan had ontvangen. Het lijkt erop dat in de jaren 1942-1944 die Adriaan in Bremen werkte het contact tussen mijn grootouders en hun familie waarschijnlijk vooral beperkt is gebleven tot enig briefverkeer. Roelina schreef in dezelfde brief aan Johanna dat er donderdag- en vrijdagnacht vreselijk was geschoten maar de rust was teruggekeerd. Terschelling lag op de route voor geallieerde vliegtuigen van o.a. de Britse Royal Air Force (RAF) die onderweg waren naar Nazi-Duitsland en herhaaldelijk vonden dan ook beschietingen plaats. Het luchtafweergeschut en de Duitse jagers vormden een geducht gevaar voor geallieerde vliegtuigen boven de Noordzee en Waddenzee. Twaalf geallieerde vliegtuigen stortten zelfs op Terschelling neer.

Brief van Roelina Buiten aan familie Volgers in Enkhuizen, 30 mei 1943.

Dwangarbeid voor AG Weser

Bij aanvang van de Tweede Wereldoorlog behoorde de scheepswerf van AG Weser al tot het grootste bedrijf in Bremen met meer dan 12.000 werknemers in dienst. Gedurende de oorlog breidde het scheepsbouwbedrijf verder uit, in 1943 was een vijfde van de 20.000 werknemers ingezet als dwangarbeider of krijgsgevangene. De voornaamste taak van AG Weser was de productie van onderzeeboten of de zogeheten U-Boote. In de Eerste Wereldoorlog had AG Weser al 77 onderzeeboten voor de Reichsmarine gebouwd, maar na het Verdrag van Versailles was de productie verboden voor de Weimarrepubliek. Na de machtsovername van Adolf Hitler begon het Nazi-regime met het zogeheten ‘Z-Plan’ met een grootschalige uitbreiding van de Kriegsmarine en werd de productie van onderzeeboten hervat.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog produceerde AG Weser 146 onderzeeboten, hoofdzakelijk van het type IX en XXI. Type IX was sinds 1935 in productie en geschikt voor lange afstandsoperaties, bijvoorbeeld voor patrouille langs de Amerikaanse oostkust. De eerste onderzeeboot van type XXI was pas op 19 april 1944 gereed, een dag voor de verjaardag van Hitler. Met meerdere batterijen aan boord was type XXI in staat om voor langere tijd onderwater te varen vergeleken met haar voorgangers. Veel invloed op het verloop van de oorlog had deze moderne onderzeeboot echter niet. Slechts twee van de tachtig XXI U-Boote, die eind 1944 gebouwd waren, konden daadwerkelijk in gebruik genomen worden voor patrouille (zij hebben overigens geen enkel vijandelijk schip tot zinken gebracht). Dit kwam door de haast waarmee dit nieuwe type werd geproduceerd, wat leidde tot vele mankementen met bijvoorbeeld de dieselmotoren en het torpedosysteem. Ook de vele geallieerde luchtbombardementen verwoestten de onderzeeboten op de scheepshellingen. De Amerikaanse maritiem historicus Marcus O. Jones stelt dat het project van type XXI gezien de enorme hoeveelheid investeringen, mankracht en staal (die ook voor de productie van duizenden tanks had kunnen worden gebruikt) de Duitse nederlaag aan het Oostfront mogelijk heeft bespoedigd. Dat laatste is wellicht een schrale troost voor de dwangarbeiders die meehielpen aan de constructie van deze onderzeeboten. Maar waar bestond het werk bij AG Weser uit en hoe was de behandeling van de dwangarbeiders?

Constructie van Duitse onderzeeboten op scheepswerf van AG Weser, 1945.

In opdracht van Albert Speer nam ingenieur Otto Merker de leiding over de scheepsbouw. Met zijn ervaring in de auto-industrie introduceerde Merker het plan van sectiebouw voor onderzeeboten. Zo konden veel werknemers tegelijkertijd werken aan verschillende secties, waarvan de ruwbouw elders plaatsvond, en daar de benodigde apparatuur en onderdelen plaatsen. De rivier de Weser was de aanvoerroute voor de verschillende secties van de onderzeeboten en de assemblage vond vervolgens op de scheepswerf van AG Weser plaats. Om bestand te zijn tegen mogelijke luchtbombardementen werden voor de reparatie en assemblage van onderzeeboten enkele bunkerwerven gebouwd. Zo vond onder leiding van het bedrijf Bremer Vulkan de montage van nieuwe onderzeeërs in de gigantische ‘Valentin’-bunker in Bremen-Farge plaats met afmetingen van ca. 450 bij 100m en een betonnen dak van zeven meter dik. Acht sectiedelen werden daar op een soort lopende band in elkaar gezet. Een aparte bunker met de codenaam ‘Hornisse’ op dok Kap Horn (360 bij 60m) was in aanbouw waar drie secties van het type XXI gebouwd zouden worden, de overige secties zouden worden gemaakt in Wilhelmshaven en Hamburg. Volgens de plannen van augustus 1944 moesten elke maand 14 exemplaren van de secties 3, 5 en 6 van het type XXI worden geproduceerd. De sectiedelen werden met speciale aanvoerwerken met kranen naar de bunker getransporteerd.

Voor vaklieden als mijn opa was er genoeg werk voor handen op de scheepswerf, vaak in natte en koude omstandigheden en niet zonder gevaar daar veel werk aanvankelijk gewoon in de openlucht plaatsvond en de persoonlijke bescherming beperkt was. Werkzaamheden bestonden bijvoorbeeld uit het lassen en controleren van lasnaden, werk in de gieterij of zinkerij, en het plaatsen of rondbrengen van bepaalde halffabrikaten, apparatuur en andere onderdelen. Bij aankomst op de werf van AG Weser moesten dwangarbeiders een penning afgeven met het vaklettertype en de kleur van hun nationaliteit en kreeg men een stempelkaart om deze bij de tijdsklok te laten stempelen. Werk vond in bepaalde ploegendiensten plaats en waarschijnlijk werkten Nederlandse dwangarbeiders zij aan zij met Russische, Poolse, Tsjechische, Belgische en Franse dwangarbeiders. Communicatie zal best lastig zijn geweest al zal in veel gevallen Duits zijn gesproken op de werkvloer.

Volgens een decreet van 14 januari 1941 zou onderscheid gemaakt worden tussen ‘Germaanse’ arbeiders (bv. uit Nederland en Vlaanderen) en fremdvölkische arbeiders (uit Oost-Europa, Frankrijk, Italië en Wallonië) wat idealiter leidde tot aparte huisvesting en zwaardere straffen voor ‘niet-Germaanse’ arbeiders voor vergelijkbare vergrijpen. In de praktijk moesten Nederlandse arbeiders zich net zo goed aan de strakke regels houden. Van mijn opa is bekend dat hij en vrienden van hem ondervraagd zijn door de Gestapo, de reden daarvan is niet duidelijk en evenmin de gevolgen. Een zeer tragisch geval betrof de executie van Homme Hoekstra, ook een bewoner in Tirpitz en als arbeider verantwoordelijk voor de verwijdering van metaalspanen. Een collega beschuldigde Hoekstra bij de Sicherheitsbeauftragte op de werf ervan dat hij had gezegd dat Duitsland de oorlog niet kon winnen. Op 10 januari 1944 werd hij op de werf gearresteerd en na een strafproces vijf maanden later op 26 juni 1944 met de guillotine vermoord. Dit incident illustreert dat een beschuldiging of misdraging in de ogen van de Nazi’s fataal kon zijn. Tegenwoordig bevindt zich een monument ter herinnering aan Hoekstra op de locatie van het voormalige kamp Tirpitz. Mijn opa moet vast erg geschrokken zijn van dit incident dat bij de dwangarbeiders vast veel heeft losgemaakt en de nodige angst heeft ingeboezemd.

Bombardementen op Bremen en terugkeer naar Nederland

Luchtbombardement op Bremen, 25 juni 1942. In het midden is een enorme bunker aan de Zwinglistraße zichtbaar, waar 5.000 tot 10.000 mensen konden schuilen.

Gezien het belang van Bremen voor de Duitse oorlogsindustrie was de stad een frequent doelwit van luchtaanvallen van de geallieerden tijdens de oorlog. Op de dag van aanmelding van mijn opa bij AG Weser was het stadscentrum en de haven van Bremen getroffen door een thousand bomber-raid van de RAF. Bijna 700 Britse bommenwerpers wierpen hun lading af boven de stad, waarbij 20 Blenheims het ook op de scheepswerf van AG Weser hadden gemunt. De ravage in de stad was enorm. Gedurende de oorlog kwamen door luchtaanvallen in totaal 3850 burgers om, inclusief dwangarbeiders. Ook Nederlandse arbeiders kwamen om bij bombardementen, zoals op 8 oktober 1943 toen een dok werd getroffen. Twee Nederlanders, genaamd Joop de Werker en Jan Nieuwenhuizen (allebei uit Den Helder afkomstig), sneuvelden en werden een week later begraven. Al aan het begin van de oorlog lagen plannen op tafel voor de bouw van schuilkelders, maar de uitvoering daarvan verliep traag (mede door de voorrang die werd verleend aan de constructie van de scheepswerfbunkers). Eind 1944 telde de stad 131 schuilkelders die bestand waren tegen luchtbombardementen. Autoriteiten in Bremen besteedden geen aandacht aan camouflage van de bovengrondse schuilkelders (zogenoemde Hochbunker), die door dwangarbeiders werden gebouwd. Tegen het einde van de oorlog maakten zo’n 200.000 inwoners gebruik van de schuilkelders, destijds was dat tweederde van de bevolking. Voor dwangarbeiders was het werk in de haven allerminst veilig. Mijn opa heeft de bombardementen als traumatisch ervaren en ook enkele vrienden verloren. Werk op de scheepswerven ging bij een luchtalarm in de stad dikwijls door en als het alarm op de werf afging was het voor arbeiders vaak te laat om naar de bunker te gaan.

Repatriatiekaart van Adriaan Volgers, Archief Nederlandse Rode Kruis (NRK).

Op 29 juli 1944 vond een langverwachte luchtaanval van de RAF plaats op de scheepswerf van AG Weser. Bij deze aanval werden verschillende torpedo- en onderzeeboten ernstig beschadigd en een in aanbouw zijnde Zerstörer Z44 tot zinken gebracht. Erger was dat 160 mensen in een bunker omkwamen tijdens het bombardement. De schade en chaos moeten groot zijn geweest. De volgende dag was het puinruimen voor de dwangarbeiders. Mijn inmiddels overleden oom Bert Volgers (1947-2022) vertelde enkele jaren geleden dat mijn opa (en zijn vader) na een groot bombardement op de scheepswerf in 1944 was gevlucht. Mogelijk was dat na dit bombardement. Met hulp van communisten uit een naburig dorp zou hij uiteindelijk zijn teruggekeerd naar Nederland en enige tijd bij een familie op een boerderij in het Brabantse Hooge Mierde zijn verbleven. Als dit verhaal klopt moet dat een helse tocht voor hem zijn geweest dwars door Nazi-Duitsland dat na D-Day en Operatie Market Garden in rap tempo terrein verloor in de bezette landen. Delen van Noord-Brabant en Gelderland waren in september 1944 bevrijd door de geallieerden, maar de rest van Nederland nog niet. Volgens de repatriatiekaart van het Nederlandse Rode Kruis is mijn opa in 1945 (wellicht na de bevrijding) in Workum geregistreerd. Vermoedelijk heeft hij daar de boot naar Enkhuizen gepakt en is toen na twee jaar dwangarbeid in Duitsland (en mogelijk een verblijf van enige maanden in Hooge Mierde) eindelijk teruggekeerd bij zijn familie in Enkhuizen. Zijn terugkeer betekende ook een hereniging met zijn geliefde Roelina, met wie hij op 23-jarige leeftijd op 28 januari 1946 trouwde.

Trouwfoto Adriaan Volgers en Roelina Buiten, 28-1-1946

Bronvermelding

Archiefmateriaal

Brief Roelina Buiten aan Johanna van Sluijs, 30 mei 1943, familiearchief Volgers.

Repatriatiekaart Adriaan Volgers, Archief Nederlandse Rode Kruis (2.19.323), Nationaal Archief in Den Haag.

Archiefstukken m.b.t. dwangarbeid van Nederlanders in Bremen, Archief Nederlandse Rode Kruis (2.19.323, inv. nr. 857), Nationaal Archief in Den Haag. Toegankelijk via: https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.19.323/invnr/857/file/NL-HaNA_2.19.323_857_0001 (30-4-2025).

Civil Registration Card Adriaan Volgers, Staatsarchief Bremen (EMK StAB 4,82/1 – 1-2234-321). Via de Arolsen Archives zijn archiefstukken van dwangarbeiders ook vindbaar: https://collections.arolsen-archives.org/en/archive/7-5-18_10000338 (30-4-2025).

Helaas heb ik tot op heden geen egodocumenten van Adriaan Volgers gevonden die meer inzicht geven in zijn tijd in Duitsland tijdens de oorlog. De meeste gegevens in dit artikel zijn dan ook ontleend aan herinneringen van mijn moeder en oom. Tijdens hun jeugd hebben ze de familie in Hooge Mierde, die mijn opa onderdak bood, nog verschillende keren opgezocht.

Boeken en artikelen

Marloes van Westrienen, Arbeiders. Nederlandse jongens tewerkgesteld in het Derde Rijk (Amsterdam/Antwerpen, 2008).

Eike Hemmer en Robert Milbradt, Bunker “Hornisse”. KZ-Häftlinge in Bremen und die U-Boot-Werft der “AG Weser” 1944/45 (Bremen, 2005).

Karel Volder, Werken in Duitsland, 1940-1945 (Amsterdam, 1995).

Diethelm Knauf en Helga Schröder (red.), Fremde in Bremen. Auswanderer, Zuwanderer, Zwangsarbeiter (Bremen, 1993).

Benjamin Aäron Sijes, Arbeidsinzet. De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945 (Den Haag, 1990).

Marcus Meyer, ‘When Fascination Obscures Faith. Narratives of Technology vs. Forced Labor at the Bunker “Valentin”’, Journal of Educational Media, Memory, and Society 14:1 (2022) 128-49.

Marc Buggeln en Inge Marszolek, ‘Concrete Memory. The Struggle over Air-Raid and Submarine Shelters in Bremen after 1945’, in: Gavriel D. Rosenfeld en Paul B. Jaskot (red.), Beyond Berlin: Twelve German Cities Confront the Nazi Past (Ann Arbor, 2008) 185-208.

Websites

Stamboom familie Volgers: https://genealogie-van-der-beek.jouwweb.nl/kwartierstaat-adriana-jenny-volgers (30-4-2025).

Ooggetuigenverslag Cees Ruijter (2013): https://www.tracesofwar.nl/articles/6371/Cees-Ruijter-tewerkgesteld-op-de-AG-Weser-werf.htm (30-4-2025).

U-Boot Bunker Hornisse: U-Boot Bunker Hornisse – Bremen – TracesOfWar.nl (30-4-2025).

Audiowalk Ein KZ für die Werft. Die Geschichte des KZ-Außenlagers „Schützenhof“ (2018): https://einkzfuerdiewerft.wordpress.com/audiowalk/ (30-4-2025).

Homme Hoekstra (2011): https://www.spurensuche-bremen.de/spur/homme-hoekstra/ (30-4-2025).

Bunker Hornisse, Die Arbeitslager: https://bunker-hornisse.jimdofree.com/die-arbeitslager/ (30-4-2025).

Peter Müller, Die A.G. “Weser” in Bremen (2008): A.G. Weser Bremen 1843-1983 (archive.org) (30-4-2025).

Wikipedia, Deutsche Schiff- und Maschinenbau AG: https://nl.wikipedia.org/wiki/Deutsche_Schiff-_und_Maschinenbau_AG (30-4-2025).

Wikipedia, AG Weser: https://de.wikipedia.org/wiki/AG_Weser (30-4-2025).

Wikipedia, Type XXI submarine: https://en.wikipedia.org/wiki/Type_XXI_submarine (30-4-2025).

Podcast ‘Gedwongen tewerkgesteld’ (2021): https://podcastluisteren.nl/pod/Gedwongen-tewerkgesteld-in-Duitsland (30-4-2025).

Terschelling in de oorlogsjaren: https://www.atlantikwall-wadden.nl/nl/bezoek/terschelling/terschelling-in-de-oorlogsjaren#:~:text=In%20de%20ochtend%20van%2011,Duitsers%20op%20het%20ge%C3%AFsoleerde%20Waddeneiland. (30-4-2025).

Neergeschoten vliegtuigen: http://atlantikwall-wadden.nl/nl/verhalen/de-luchtoorlog/neergeschoten-vliegtuigen (30-4-2025).