In het voorjaar van 2019 bezocht ik Theresienstadt op een door Yad Vashem georganiseerde studiereis voor Holocausteducatie. Ik was reeds bekend met de kunst en culturele activiteiten van gevangenen in dit concentratiekamp, maar ik vroeg mij al lopend door dit kleine vestingstadje af hoe het de Nederlanders daar was vergaan. De ervaringen van Nederlandse joden in Theresienstadt zijn vrij onbekend omdat slechts een relatief kleine ‘prominente’ groep van 4.887 joden vanaf april 1943 naar dit zogenaamde ‘modelgetto’ in het toenmalige Duitse protectoraat Bohemen en Moravië (in het huidige Tsjechië) werden gedeporteerd. Het merendeel van de uit Nederland gedeporteerde joden behoorde tot de joodse elite of had zich op een andere wijze (in de ogen van de nazi’s) verdienstelijk gemaakt. Daarnaast waren er nog diverse andere subgroepen van joden, die aanvankelijk van deportatie uitgezonderd waren (zoals de Barneveldgroep en tot het protestantse geloof bekeerde joden). Onder hen bevonden zich ook de nodige vluchtelingen (of emigranten) die na 1933 uit Duitsland, Polen, Oostenrijk en Tsjecho-Slowakije naar Nederland waren gekomen. Een zeer gemêleerde groep joden uit Nederland kwam zodoende in Theresienstadt terecht. Hun ervaringen waren logischerwijs verschillend, maar een gemene deler is dat als één van de laatste gearriveerde groepen aanpassing aan het leven in Theresienstadt verre van eenvoudig was. In dit artikel beschrijf ik hoe Nederlandse overlevenden van Theresienstadt zich het kampleven herinneren en op welke vlakken herinneringen van elkaar verschillen of zelfs botsen. Als casus kijk ik daarbij in het bijzonder naar de naoorlogse ophef over de kamptekeningen van Jo Spier (1900-1978) en zijn vermeende hulp aan de bekende propagandafilm die door Kurt Gerron in opdracht van de nazi’s was gemaakt.
Deportaties van Westerbork naar Theresienstadt
Op voorstel van Adolf Eichmann, hoofd van de Reichssicherheitshauptamt (RSHA) IVB4, zouden ‘joden met verdiensten’ op transport worden gesteld naar Theresienstadt. De Haagse afdeling van IVB4 bepaalde vervolgens de verschillende categorieën, waar eerst alleen Joods-Duitse oorlogsveteranen in aanmerking zouden komen voor deportatie naar het in propagandistische termen genoemde ‘Tsjechische kuuroord’. De valse belofte was dat de ‘uitverkoren’ joden tot het einde van de oorlog daar zouden kunnen verblijven, waar in werkelijkheid Auschwitz het eindstation was voor vele gevangenen. Onder de verdienstelijke joden bevonden zich kunstenaars, wetenschappers en geneeskundigen, maar ook zij die aan de opbouw van Kamp Westerbork hadden bijgedragen of voor de Joodse Raad hadden gewerkt. Op het eerste transport dat op 21 april 1943 uit Westerbork vertrok bevond zich ook de bekende illustrator Jo Spier (1900-1978), die onder speciale bescherming stond van Anton Mussert (die zijn tekenkunsten bewonderde), met zijn gezin. Philip Mechanicus (1889-1944) schreef: “Men moest zich verzetten om niet mee te willen met de expeditie, die op een excursie leek. Men was het laatste jaar zo gewend geraakt aan de deportatie in beestenwagens, dat men een gewone trein met derdeklassewagons bereid was als een Genade van de Hemel te aanvaarden, daarin althans een menselijke gunst te zien, die slechts dankbaarheid kon wakker roepen, en de reis beschouwen als een plezierreis.” Het was hem duidelijk dat sprake was van pure misleiding, maar vermoedelijk zijn velen toch met enige goede hoop op de trein naar Theresienstadt gestapt.
| Transport | Vertrek van Westerbork | Aankomst in Theresienstadt | Aantal mensen op het transport |
|---|---|---|---|
| XXIV/1 | 21-4-1943 | 22-4-1943 | 295 |
| XXIV/2 | 18-1-1944 | 20-1-1944 | 872 |
| XXIV/3* | 14-9-1943 | 27-1-1944 | 283 |
| XXIV/4 | 25-2-1944 | 26-2-1944 | 804 |
| XXIV/5 | 5-4-1944 | 7-4-1944 | 289 |
| XXIV/6 | 31-7-1944 | 2-8-1944 | 216 |
| XXIV/7** | 4-9-1944 | 6-9-1944 | 2074 |
| XXIV/8* | 13-9-1944 | 20-11-1944 | 51 |
De uit Nederland gedeporteerde joden kwamen vanaf januari 1944 in de Hamburgerkazerne in Theresienstadt terecht, nadat zo’n 3.000 Tsjechische joden tot hun ongenoegen het bevel hadden gekregen deze te verlaten. Het zorgde vrijwel direct voor een kloof tussen de beide groepen en de ontvangst was allesbehalve prettig. Gerhard Leopold Durlacher (1928-1996) schreef in zijn boek Strepen aan de hemel hoe hij na aankomst als vijftienjarige jongen meeschuifelde in een stoet van mannen en vrouwen “met hun grauwe vermoeide gezichten, de vochtige dampende kleiding, gekreugeld, gevlekt, gesleten” naar de voor hen bestemde barakken. De uit Westerbork meegekomen dokter Alex Siegfried Wachtel hield met de toenmalige Judenälteste van Theresienstadt, Paul Maximilian Eppstein, een toespraak voor de nieuwkomers. Ze onderstreepten dat zij dankbaar moesten zijn voor hun komst naar dit Vorzugslager en zich waardig moesten tonen “door een goede houding, ijver, zindelijkheid, discipline. (..) Bij in gebreke blijven zouden eenzame bunkerstraf en deportatie volgen en verder regels, regels, regels.” Deze toespraak was volgens onderzoeker Ria van der Brandt, die tientallen Nederlandse overlevenden van Theresienstadt interviewde, allerminst geruststellend. Men moest maar vertrouwen op de toezegging die Dr. Wachtel van Kommandant-Hauptsturmführer Karl Rahm had gekregen dat bij goed gedrag de Nederlandse joden in Theresienstadt zouden mogen blijven (en dus niet naar de vernietigingskampen in het oosten zouden worden gestuurd).

Ab Caransa (1927-2006) arriveerde op zestienjarige leeftijd met zijn ouders in april 1944 in Theresienstadt en zijn eerste indruk was beangstigend. Het getto was overbevolkt en bij aankomst werden mannen en vrouwen gescheiden voor lijfelijke visitatie, bagagestukken in beslag genomen (voor controle) en waardevolle bezittingen afgepakt. Voor Caransa was aanvankelijk geen bed beschikbaar en hij sliep op een matras op de grond totdat de sociaaldemocraat Maurice Mendels (zijn uitvaart was getekend door Jo Spier, zie afbeelding 3) overleed en zijn bed in de slaapzaal vrijkwam. Volgens de regels was onderwijs, geldbezit en het krijgen van kinderen verboden, al was er wel degelijk een rijk aanbod van culturele activiteiten, waar Nederlandse gevangenen overigens maar mondjesmaat aan deelnamen. De taalbarrière speelde daarbij mee, men had een voordeel in het kamp als men Duits en/of Tsjechisch kon spreken; dan bleef je veel beter op de hoogte van alle ontwikkelingen. Caransa merkte hierover op: “In het algemeen gedroegen de Nederlanders in het getto zich timide, door hun over het algemeen slechte kennis van de voertaal, het Duits, maar ook omdat ze door veel van hun Tsjechische, Oostenrijkse en Duitse medegevangenen als tweederangs en als zwakkelingen werden beschouwd, een verwijt dat ons ook in andere kampen en met name na de oorlog is gemaakt. Maar voor de meeste Nederlandse joden was de overgang van het relatief liberale Nederland dat nooit virulent antisemitisme heeft gekend naar appèlplaats en dwangarbeid té groot.” Aanpassing was in die zin makkelijker voor de Duits-Nederlandse joden die vanuit Westerbork naar Theresienstadt waren gedeporteerd. Caransa omschreef Theresienstadt als een ‘schizofrenie in steen’ waarbij hij het contrast schetste tussen het ‘ongeëvenaarde aanbod van toneel, muziek en wetenschap’ en de erbarmelijke leefomstandigheden, waarbij er structureel te weinig voedsel was en ouderen en zieken letterlijk crepeerden of bezweken in het kamp.
Het lot van de Nederlandse joden in Theresienstadt
Verreweg de meeste Nederlandse joden kwamen als gezin naar Theresienstadt en waren in Westerbork reeds aan het kampleven gewend geraakt. De erbarmelijke omstandigheden in het overbevolkte Theresienstadt en het feit dat de Nederlanders als laatste groep arriveerden maakte aanpassing wel degelijk moeilijker. Van der Brandt laat in haar onderzoek niettemin zien dat de ervaringen enorm verschillend waren en dat generalisaties daarom lastig zijn. Anders dan historica Anna Hájková zag zij op basis van getuigenissen dat Nederlanders zich wel degelijk mengden met andere gevangenen en in sommige gevallen een zekere waardering kregen voor het gedwongen werk dat zij moesten verrichten. Hájková betoogde dat de Nederlanders een geïsoleerde groep in Theresienstadt vormden en verklaarde dat vanuit de achtergrond van verzuiling en de eerder genoemde taalbarrière. Beide historici lijken het wel eens te zijn over het feit dat Nederlandse joden veel minder aan het culturele leven deelnamen in het kamp. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat onder de grootschalige herfsttransporten in september-oktober 1944 zich veel kunstenaars en intellectuelen bevonden, zodat het aanbod van activiteiten aanzienlijk terugliep. Vanaf 9 november 1944 kwam bovendien een arbeidsplicht voor gevangenen vanaf 10 jaar, zij moesten werkweken van ca. 70 uur maken en dan bleef er natuurlijk weinig tijd over voor ontspanning, scholing of amusement. Opvallend is ook dat de kleine kinderen uit de Nederlandse gezinnen zelden naar de kinderopvang in het getto gingen. Nederlandse joden waren zodoende minder onderdeel van het ‘grote verhaal’ van Theresienstadt als cultureel oord met vooraanstaande musici, theatermakers en kunstenaars. De continue honger en ziekte, het ongedierte in de Hamburgerkazerne en de vormen van dwangarbeid hebben vele gevangenen wel aan den lijve ondervonden en zijn deel van het collectief geheugen gaan vormen.
Uit onderzoek van Hájková blijkt dat van de tijdens de herfsttransporten van 1944 naar Auschwitz gedeporteerde gevangenen het overlevingspercentage voor Nederlandse joden beduidend lager was dan van andere nationaliteiten in Theresienstadt. Op basis van een steekproef toonde zij zelfs aan dat Duits-Nederlandse joden een grote overlevingskans hadden dan hun autochtone landsgenoten. In haar steekproef nam zij alleen jonge mannen in de leeftijd van 18-30 jaar mee, omdat een onbepaald aantal vrouwen zwanger was of vergezeld was door kinderen (wat hun overlevingskans kon beïnvloeden). Zo’n 3.000 Nederlandse joden werden vanuit Theresienstadt naar Auschwitz gedeporteerd en naar schatting overleefden slechts 300-400 van hen de Holocaust. Meer dan 400 Nederlandse joden, waaronder vijftig kinderen, kwamen voortijdig vrij op voordracht van Reichsführer-SS Heinrich Himmler met oog op de nadere onderhandelingen met de geallieerden. Een transport van 1200 gevangenen bereikte op 5 februari 1945 het neutrale Zwitserland en zij zouden daarna gerepatrieerd worden. Onder hen bevonden zich ook de zussen Liesel (1931-2019) en Nelleke van Cleeff (1933-2018), afkomstig uit Rotterdam. Vlak voor de Zwitserse grens stopte de trein rond middernacht en bleef deze uren stilstaan. Bang dat de passagiers waren dat zij alsnog doodgeschoten zouden worden, zagen Nelleke en Liesel ‘in de verte duizenden twinkelende lichtjes in de bergen van het vrije Zwitserland’. Door een tyfusuitbraak in Montreux, waar zij verbleven in afwachting van repatriatie, raakte Liesel ernstig ziek. Haar ouders – aanvankelijk verblijd door hun vrijlating – zouden haar door de kritieke toestand in augustus 1945 persoonlijk komen opzoeken. Na lange omzwervingen zou het gezin eindelijk weer herenigd worden, al was het lastig voor de meiden om de draad weer op te pakken en konden zij in Hilligersberg allerminst rekenen op een warme ontvangst of veel begrip voor het joodse leed van andere bewoners.

Die Verschönerung en de propagandafilm
In voorbereiding op het bezoek van een kleine delegatie van het Internationale Rode Kruis op 23 juni 1944 moest Theresienstadt in opdracht van de SS flink opgeknapt worden. De opschoning (in Duits ‘die Verschönerung‘) van het getto betekende dat in de maanden vooraf alles uit de kast werd gehaald om het Rode Kruis om de tuin te leiden en de illusie te wekken dat de joden het goed hadden in Theresienstadt. De Deense koning had zich fel verzet tegen deportatie van de Deense joden, maar toen dat eenmaal gebeurde moest Eichmann een concessie doen met een inspectie als gevolg. Caransa schreef dat alle Nederlandse mannen moesten komen opdraven in een ruimte van de Hamburgerkazerne waar Spier hen zou toespreken. De strekking van zijn toespraak was dat ieders inzet nodig was om dit project te laten slagen en dat anders erge dingen zouden gebeuren, daarmee implicerend dat tegenwerking bestraft kon worden met deportatie naar de vernietigingskampen. Volgens Caransa had Spier geen ruggegraat en blindelings de Duitse orders opgevolgd, al verklaarde laatstgenoemde kort na de oorlog dat zijn toespraken tot zijn landgenoten onder doodsbedreiging waren geweest. De gevangenen gingen in ieder geval aan de slag met het schoonvegen van de straten, het schilderen van de gevels en de aanleg van nieuwe tuinen. Het probleem bleef echter dat de stad overbevolkt was. Op 12 mei 1944 kondigde kampcommandant Rahm aan dat 7.500 gevangenen (onder wie 559 Nederlanders) in drie transporten naar Auschwitz gedeporteerd zouden worden. Het sinistere plan pakte voor de nazi’s goed uit. Het Rode Kruis bracht een positief rapport uit na haar bezoek en zag af van verdere inspecties in de andere concentratiekampen.
Het opgeruimde kamp zou spoedig op film worden vastgelegd. De Zentralstelle zur Regelung der Judenfrage in Praag trok 35.000 Reichsmark uit voor de inmiddels bekende propagandafilm over Theresienstadt. Cineast Gerron was aangewezen als regisseur. Hoewel hij aarzelde of hij moest meewerken aan deze film, overtuigde Eppstein hem dat zo’n arbeidsintensief karwei vele gevangenen zou kunnen behoeden voor deportatie (het tegendeel zou later blijken). Tijdens de opnamen van 16 augustus tot 11 september was het getto omgetoverd tot één grote filmstudio. Gerron kreeg hulp van Spier, zo bleek bijvoorbeeld uit het door hem getekende story board bestaande uit 332 tekeningen die de verschillende scènes van de film toonden. Historicus Karel Margry ontkrachtte de naoorlogse beschuldiging dat Spier het draaiboek voor de film had gemaakt, omdat zijn tekeningen (in opdracht van Rahm) de volgorde van opnamen lieten zien en niet de volgorde van het oorspronkelijke script. Spier had dus de filmbeelden op papier vastgelegd door steeds mee te kijken door de zoeker van de camera. Zo beschikte de kampcommandant over een visueel verslag van elke scène en shot. De documentaire zou in de volksmond bekend komen te staan onder de titel Der Führer schenkt den Juden ein Stadt en laat in volle glorie een geïdealiseerd beeld zien van het leven in het zogenaamde ‘modelkamp’. Dankzij de in het NIOD bewaarde tekeningen van Spier was het na de oorlog mogelijk om een reconstructie van de complete film te maken, waar ook overlevenden hun herinneringen aan de film hebben gedeeld.

Op melancholische wijze beschreef Durlacher de regie van de film, waarvan enkele losse fragmenten bewaard zijn gebleven: “De muziek van joodse componisten, in nazi-Duitsland en de bezette gebieden toen al jaren verboden, gaat verder. De stem volgt met lege propagandafrasen de beelden: kunstnijverheid, een beeldhouwer bij zijn ontwerp voor een fontein, werkplaatsen waar vrouwen en mannen met grauwe gezichten waarop een bevolen glimlach plakt, met jodensterren op de borst, schoenen repareren, tassen snijden en kleding naaien bij de vitale klanken van Mendelsohns ‘Midzomernachtsdroom’. De ‘Feierabend’ en de voetbalwedstrijd met twee zeventallen in plaats van elftallen op de binnenplaats van de Hamburgerkazerne, met duizenden figuranten in slechtzittende kleding, hangend over de balustraden van de booggangen; enthousiasme onder regie. Een badhuis met mannen onder douches waaruit in Theresienstadt alleen water komt. Een bibliotheek waar achter de uitleentafel professor David Cohen met zelfgenoegzame uitdrukking op zijn gezicht met een collega converseert. Een voordracht van professor Utitz, met in zijn gehoor tientallen internationaal befaamde joodse geleerden, nu oude vermagerde mannen met moeizaam gladgetrokken sleetse pakken, verbogen brillen voor droevige ogen en sterren op het angstige hart.”
Pas in april 1945 zou de film aan het Rode Kruis vertoond worden, maar aan het einde van de oorlog was door de bevrijding van concentratiekampen in het oosten inmiddels duidelijk welke gruwelijkheden en massale vernietiging daar hadden plaatsgevonden. De film had volgens Margry dus geen enkele invloed op de publieke opinie. Het meest tragisch is dat veel medewerkers aan de film, waaronder Gerron zelf, figuranten en ook kinderen – die speciaal voor de film hadden opgetreden in de kinderopera Brundibár – op transport moesten en omkwamen in Auschwitz.
De tekeningen en herinneringen van Jo Spier in perspectief
Naast de speculaties over de betrokkenheid van Spier bij de propagandafilm, opende de communistische krant De Waarheid in december 1945 publiekelijk de aanval op de illustrator die met zijn gezin de Holocaust had overleefd en na de bevrijding van Theresienstadt veilig naar Nederland was teruggekeerd. In een anoniem artikel trok de schrijver de conclusie dat Spier in zijn tekeningen voor de Duitsers gelogen had over de realiteit in Theresienstadt. Spier werd neergezet als een vriend van Mussert die dankzij zijn ‘sympathieke contact met de SS in Theresienstadt’ een woning met bad en clubfauteuils had gekregen. Verschillende tekeningen waren afgedrukt om de aantijgingen te onderstrepen. Enkele dagen later maakte de krant het nog bonter door te stellen dat Spier met zijn ‘misselijke tekeningen het leven in de Jodenstad, het voortportaal van de gaskamers in Bergen-Belsen, verheerlijkte.’ De artikelen boden geen enkele ruimte voor nuance of enig inzicht in de omstandigheden waar kunstenaars in Theresienstadt mee te maken hadden gehad. Het staat buiten kijf dat Spier in opdracht van Rahm rooskleurige beelden moest tekenen, zoals ook zijn biograaf Henk van Gelder vaststelde, maar het is onjuist dat de in Zutphen geboren kunstenaar geen kritische beelden tekende in het kamp. Een enkele keer was hij door de kampcommandant zelfs betrapt op een mapje met tekeningen met lijkwagens, lange etensrijen en uitgemergelde gevangenen.
In het archief van Beit Theresienstadt in de Israëlische kibboets Givat Haim Ihud vond ik enkele jaren geleden een verzameling tekeningen van Jo Spier, die hij later ook deels heeft gebruikt voor zijn boek Dat alles heeft mijn oog gezien (1978). Dit boekje kon vlak na publicatie op veel kritiek van Caransa rekenen, die in een uitgebreide brief aan het Joods Historisch Museum zijn ongenoegen uitte over hoe Spier zaken verzweeg over de ware aard van het leven in Theresienstadt, het lot van zijn joodse landgenoten of zijn medewerking aan de film. Zo stelde hij met nadruk: “Spier schrijft en tekent nergens over de “gewone” mensen, die zich ook in Theresienstadt bevonden. Spier heeft het nergens over de stakkers die bij de keukens stonden te bedelen om watersoep die anderen niet wilden. Dat klopt ook met de werkelijkheid: Spier hield zich niet met “gewone” mensen op.” Het is bekend dat Spier had meegewerkt aan een herinneringsalbum Bilder aus Theresienstadt dat tijdens het bezoek van het Rode Kruis als souvenir aan leden van de delegatie, buitenlandse bezoekers en nazi-functionarissen werd meegegeven. Net als andere schilders moest hij het opgeschoonde getto vastleggen van een geïdealiseerde stad – analoog aan de propagandafilm.
Bij nadere bestudering van zijn tekeningen lijkt het erop dat Spier wel degelijk aspecten van het kampleven heeft vastgelegd, maar dat de ernst van ondervoeding, dwangarbeid en deportatie nauwelijks naar voren kwam. Sommige beelden lijken inderdaad rooskleurig, zoals de joodse bank, bakkerij en het poppentheater voor kinderen, en zouden zonder verdere context ook dienst hebben kunnen doen als propaganda. De zolder in de Hannoverkazerne, de geïmproviseerde synagoge en de aardappelenkar (in zijn boek verwijst Spier naar ‘onze kinderen’ die vochten om ‘aardappelschillen’) geven wel iets meer inzicht in het dagelijks leven van de gevangenen. Het meest kritisch zijn de illustraties die vermoedelijk na de bevrijding zijn gemaakt of toen van verdere bijschriften zijn voorzien. Zo is kampcommandant Rahm groot afgebeeld voor een treinwagon met de vermelding dat hij in 1946 na zijn proces is opgehangen. Hij citeerde Rahm met zijn verklaring voor de rechtbank: “Ich habe mich den Herren Israëliten gegenüber immer anständig benommen.” In zijn boek haalde Spier het feit aan dat de president van de rechtbank Rahm vroeg waarom hij dan een aantal kunstschilders naar Auschwitz had gestuurd. Rahm zou volgens Spier hebben geantwoord dat hij zelf een schilder was en deze schilders te modern waren naar zijn smaak. In een andere tekening laat Spier zien hoe gevangenen na de bevrijding door het Rode Leger SS-ers aanvallen en uit het getto verjagen. Het lijkt er zodoende op dat Spier zich meer vrijheid heeft gepermitteerd en kritische boodschappen heeft verwerkt in zijn tekeningen toen het gevaar voor deportatie naar Auschwitz geweken was. Ongetwijfeld moet het feit dat naaste kunstenaars, zoals Ferdinand Bloch, Bedrich Fritta, Otto Ungar, Leo Haas en Leo Strass, vanwege hun expliciete verzetskunst verhoord, opgesloten (in de Kleine Vesting) en/of gedeporteerd werden, angst hebben ingeboezemd. Spier koos in zekere zin zijn manier om Theresienstadt te overleven en dat was natuurlijk zijn goed recht.















Bronvermelding
George E. Berkley, Theresienstadt. De geschiedenis van het ‘modelkamp’ van de Nazi’s (Baarn en Antwerpen, 1995). Vertaald door Chris Mouwen.
Vojtech Blodig e.a. (red.), Art Against Death. Permanent Exhibitions of the Terezín Memorial in the former Magdeburg Barracks (Praag, 2002).
Ria van den Brandt, ‘Ik was mijn houvast helemaal kwijt’ Getuigen van Theresienstadt (Hilversum, 2021).
Ab Caransa, ‘Theresienstadt, schizofrenie in steen’, Oorlogsdocumentatie 40–45, 9 (1998) pp. 112–139.
Ab Caransa, Brief aan Joods Historisch Museum over boek van Jo Spier, Amsterdam, 20 mei 1978. Afkomstig uit Beit Theresienstadt Archives.
Anne D. Dutlinger et alii (red.), Art, Music and Education as Strategies for Survival: Theresienstadt, 1941-1945 (New York en Londen, 2001).
Henk van Gelder, De tekenaar Jo Spier (1900-1978) (Amsterdam, 1994).
Anna Hájková, ‘”Poor devils” of the Camps. Dutch Jews in Theresienstadt, 1943–1945’, Yad Vashem Studies 43:1 (2015) pp. 77-111. Online toegankelijk via: https://warwick.ac.uk/fac/arts/history/people/staff_index/hajkova/hajkova_poor_devils_yvs_2015.pdf (11-1-2026).
Auke Kok en Dido Michielsen, De redding van de familie Van Cleeff (Amsterdam en Antwerpen, 2015).
Karel Margry, ”Theresienstadt’ (1944-1945): The Nazi Propaganda Film Depicting the Concentration Camp as Paradise’, Historical Journal of Film, Radio and Television 12:2 (1992) 145-163. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/31749585/_Theresienstadt_1944_1945_The_Nazi_propaganda_film_depicting_the_concentration_camp_as_paradise (19-2-2026).
Joost Pollmann, ‘De overlevingskunst van de Joodse tekenaar Jo Spier leidde maar al te vaak tot misverstanden’, Trouw, 8 april 2025. Online toegankelijk via: https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/de-overlevingskunst-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier-leidde-maar-al-te-vaak-tot-misverstanden~b3808d6c/ (11-1-2026).
Jo Spier, Dat alles heeft mijn oog gezien. Herinneringen aan het concentratiekamp Theresienstadt (Amsterdam en Brussel, 1978).
Jo Spier, Kamptekeningen (1943-1945), 1216/53/31, Beit Theresienstadt Archives.
Herman Vandormael, Kinderen van Theresienstadt. De laatste overlevenden van het concentratiekamp getuigen (Tielt, 2012).
Martijn Veenhuijsen, ‘Plan-Frederiks: hoe een joodse elite aan de deportatietreinen probeerde te ontkomen’, 10 februari 2026. Online toegankelijk via: https://historiek.net/plan-frederiks-jodenlijsten-bezet-nederland/180238/ (19-2-2026).
‘Theresienstadt, zoals Jo Spier het zag… en zoals het was!’, De Waarheid, 15 december 1945. Online toegankelijk via: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010851059:mpeg21:p004 (11-1-2026).
Kurt Gerron, ‘Nazi propaganda film about Theresienstadt / Terezin’, Collectie USHMM en Bundesarchiv, 1991.260.1, Film ID: 201. Online toegankelijk via: https://collections.ushmm.org/search/catalog/irn1000172 (11-1-2026).
NOS, ‘Het verhaal van de Joodse tekenaar Jo Spier’, 22 maart 2025: https://nos.nl/nieuwsuur/video/2560782-het-verhaal-van-de-joodse-tekenaar-jo-spier (11-1-2026).
