Tijdens de Arabische Opstand (1936-1939) kregen joodse nederzettingen in Brits-Palestina regelmatig te maken met gewelddadige terreuraanvallen. De escalatie van geweld vormde een groot probleem voor de Yishuv en het Britse mandaatbestuur en leidde tot een flinke uitbreiding en militarisering van de politiemacht. Eind 1936 beschikte vrijwel elke joodse nederzetting over eigen gewapende wachters – veelal getraind door de Haganah of de Britse politie – die ’s nachts de wacht konden houden of patrouilleren en indien nodig konden optreden tegen vijandelijk gevaar. De joodse politie-eenheid, bekend onder de Hebreeuwse naam ‘Notrim’ (נוטרים), werd volgens historicus Shlomi Chetrit bewonderd door de joodse bevolking vanwege haar moed, inzet en opoffering. Eliahu David Mizrachi (~1895-1985), de overgrootvader van mijn vrouw, trad toe tot de Notrim in december 1939, aan het einde van de Arabische Opstand en toen de Tweede Wereldoorlog reeds begonnen was. Als migrant uit Mosul (Irak/Koerdistan) woonde Eliahu met zijn gezin in Tiberias, waar hij ook dienst zou doen als Special Police Officer. In dit artikel bespreek ik de rol van de Palestine Police Force (PPF) tijdens het laatste decennium van de Britse mandaatperiode en kijk ik in het bijzonder naar de gebeurtenissen in Tiberias, waar mijn schoonfamilie vandaan komt.
Eliahu David Mizrachi
Een Brits-Palestijns paspoort, daterend uit november 1938, toonde aan dat Eliahu afkomstig was uit Mosul. Toevallig had een nicht van mijn vrouw in Tiberias dit paspoort bewaard als achterkleindochter. Het verhaal ging dat hij op jonge leeftijd uit Koerdistan naar Eretz Israël was gekomen en zijn bijnaam ‘Maslawi’ (letterlijk: uit Mosul) onderschrijft deze aanname. Het paspoort bevat de foto’s van Eliahu en zijn vrouw Tamar Levi (1906-1973) en de namen en geboortedata van hun vier kinderen Miryam, Massouda, David en Shushana. Ik besefte dat het huwelijk tussen Eliahu en Tamar naar alle waarschijnlijkheid een gearrangeerd huwelijk moet zijn geweest, van echte liefde was geen sprake. Eliahu was ruim twintig jaar ouder dan Tamar en zij spraken verschillende talen: Eliahu Arabisch en Tamar Ladino. De communicatie zal onderling dus lastig zijn geweest al zullen zij in de loop der jaren wel enig Hebreeuws hebben geleerd. Een trouwakte of ketoeba heb ik tot dusver nog niet kunnen vinden, maar bekend is wel dat hun eerste kind Miryam in 1922 werd geboren. Tamar was opgegroeid in Monastir en Thessaloniki (zie mijn eerdere artikel) en kwam als tiener naar Eretz Israël. Eliahu nam haar met het huwelijk misschien wel letterlijk onder zijn vleugels.
Volgens zijn paspoort was hij een arbeider voordat hij als politieagent aan de slag zou gaan. De onveilige situatie tijdens de Arabische Opstand, waarbij Tiberias in oktober 1938 werd opgeschrikt door een waar bloedbad, heeft mogelijk meegespeeld in het feit dat hij agent werd. Mogelijk hielp deze baan hem ook om op de sociale ladder te klimmen en een bijdrage te leveren aan het zionistische ideaal om een veilige thuishaven voor joden in het Heilige Land te creëren. Joden in Mosul kenden een eenvoudig en armoedig bestaan. Het viel opperrabbijn Eliyahu Sayegh begin twintigste eeuw op dat de traditioneel joodse gemeenschap in een economisch slechte staat verkeerde. Het gebrek aan goed onderwijs en kennis van vreemde talen, maar ook het feit dat christenen publieke functies van joden overnamen, waren hier debet aan. Gezien deze situatie is het goed mogelijk dat de familie Mizrachi (een typische naam voor uit het oosten afkomstige joden) een betere toekomst in Eretz Israël of de toenmalige Ottomaanse provincie Palestina zocht. Eliahu diende acht jaar in de Jewish Settlement Police (als eenheid binnen de PPF) en kreeg op 10 december 1947 ontslag, kort na het uitbreken van de Arabisch-Israëlische Oorlog. Hij verdiende als constable een redelijk inkomen, zo blijkt uit een payroll sheet uit 1942, met zeveneneenhalve Britse pond per maand.




Het bloedbad in Tiberias (1938)
Tiberias is schitterend gelegen aan het Meer van Galilea (ook bekend als de Kineret) en was in de jaren 1930 een kleine gemengde Arabisch-Joodse stad. Volgens de census van 1931 bestond de bevolking voor tweederde uit Joodse en voor een derde uit Arabische inwoners. Arabische moslims en christenen leefden over het algemeen in de oude stad en in de wijk Jub-al-Ban, waar de meeste joden in het hoger gelegen stadsdeel Kiryat Shmuel woonden. Ook waren er enkele gemengde wijken (Mawaris, Ahvah en Maimunia). Joden en Arabieren onderhielden over het algemeen goede relaties en werkten samen in verschillende sectoren, zoals de handel, de visserij, het toerisme en de landbouw. Joden hadden wel de overhand in het bedrijfsleven. De Arabische Opstand verstoorde de vreedzame relaties omdat nationalisme beide groepen beïnvloedde. Zo eiste het Arab Higher Committee een einde aan de joodse immigratie en de verkoop van land en kondigde het een algemene staking in april 1936 af. De zionistische beweging streefde naar een eigen joodse staat en trachtte met hulp van de Britten de zelfverdediging uit te breiden. Het anti-joodse geweld verspreidde zich tijdens de opstand zodanig over Galilea dat Moshe Sharett van de Jewish Agency de Britse autoriteiten tevergeefs verzocht om de veiligheid in Tiberias (dat nauwelijks beschermd was) te garanderen door extra joden te bewapenen en mobiele patrouilles uit te voeren. Enkele dodelijke aanslagen gericht op joodse burgers vonden plaats in aanloop naar het fatale bloedbad op 2 oktober 1938.
Tijdens de beruchte ‘Nacht van Tiberias’ begaven Arabische rebellen zich in de avond vanaf de heuvels van twee kanten richting de joodse wijk Kiryat Shmuel. Ze gebruikten wegversperringen, sneden communicatielijnen door en voerden een afleidingsmanoeuvre uit zodat joodse burgers geen hulp konden inschakelen. Lokale agenten en zelfs een Brits bataljon waren totaal verrast toen de terroristen het vuur openden bij het plaatselijke politiebureau en het Turks fort, waar de Britse soldaten waren, omsingelden. Ze hadden vervolgens vrij spel. Daarna staken zij de centrale synagoge en zes verschillende huizen van joodse inwoners in brand en vermoordden met bruut geweld iedereen die zij binnen aantroffen: 19 joodse burgers, onder wie 11 kinderen, kwamen om het leven. Velen van hen waren met messteken ernstig verwond en vervolgens levend verbrand in hun huizen. Shimon Yonachan Mizrachi, een politieagent (wellicht familie van Eliahu), verloor zijn vrouw Rachel en vijf kinderen. Het bloedbad was misschien zelfs verder uitgebreid als de rebellen niet aan het plunderen waren geslagen.
Tot op heden is onduidelijk wie precies verantwoordelijk waren voor dit bloedbad, maar verschillende historici zoals Mustafa Abbasi wijzen erop dat de terroristen waarschijnlijk van buiten Tiberias kwamen. Arabische leiders in Tiberias veroordeelden het bloedbad, maar de rust keerde allerminst terug in de stad waar joden op wraak zonnen. Special Night Squads (SNS) onder leiding van de Britse officieren Humphrey E.N. ‘Bala’ Bredin en Orde Charles Wingate oefenden enkele vergeldings- en zoekacties uit in en nabij de Arabische dorpen Dabburiyya, Lubya en Kfar Hittin; volgens inlichtingen van de Haganah – zo schrijft Matthew Hughes – zouden daders van het bloedbad uit het laatstgenoemde dorp afkomstig zijn. Volgens biograaf Christopher Sykes zou Wingate met zijn SNS de terroristen reeds kort na het bloedbad met een hinderlaag hebben aangevallen en tientallen hebben uitgeschakeld, maar wist een deel van hen te ontsnappen naar naburige dorpen en de berg Tabor. Eind oktober volgde de moord op de joodse burgemeester van Tiberias, Zaki Al-Khadif, die bij het Tiberias Hotel op straat werd neergeschoten en korte tijd later bezweek aan zijn verwondingen. Al-Khadif was sinds 1923 burgemeester, sprak vloeiend Hebreeuws en Arabisch, en had vele Arabische vrienden. Duidelijk was dat na deze moord een einde kwam aan de vreedzame coëxistentie en het onderling vertrouwen in Tiberias sterk afnam.



De Notrim en het lot van Tiberias in oorlogstijd (1939-1948)
Het einde van de Arabische Opstand ging gepaard met Britse concessies in de vorm van de White Paper in mei 1939. Volgens dit beleidsstuk zou de joodse immigratie naar Palestina flink beperkt worden naar maximaal 75.000 joden over een periode van vijf jaar, een maatregel die tijdens de Holocaust verstrekkende gevolgen zou hebben voor joden die naar Palestina wilden vluchten en emigreren. Ook claimde het kabinet-Chamberlain dat het had voldaan aan de Balfourverklaring voor de stichting van een joods nationaal tehuis, waarbij het niet de bedoeling zou zijn geweest een joodse staat in Brits-Palestina te stichten. De White Paper bracht een nieuwe golf van geweld en terrorisme teweeg, maar deze keer voornamelijk van joods-zionistische zijde. Organisaties zoals de Irgun, Stern Gang en de Haganah boden gewapend verzet, pleegden aanslagen en voerden sabotageacties uit waardoor de Brits-Joodse relaties gedurende de jaren 1940 aanzienlijk zouden verslechteren. Het was dus een turbulente periode waarin Eliahu dienst deed in de Notrim en mogelijk ook lid was van de Haganah. Door de nauwe relaties met de Haganah en de ontluikende strijd voor onafhankelijkheid was het sterk de vraag waar de loyaliteit van joodse politieagenten lag: bij de Yishuv en zionistische bewegingen of het Britse mandaatbestuur. De Haganah breidde zich tijdens de Tweede Wereldoorlog met Britse hulp sterk uit van 10.000 tot 75.000 (veelal militair getrainde) leden. De Palmach diende als een soort elite-eenheid in de Haganah met 3000 troepen. Inlichtingen vanuit de joodse politie hielpen de Haganah om tijdig actie te ondernemen als bijvoorbeeld Arabische rebellen gesignaleerd werden of een illegaal schip met joodse vluchtelingen in aantocht was.
Voor de joodse politie in Tiberias waren de taken uiteenlopend. De kleine stad kende mogelijk vanwege armoede onder de bevolking veel criminaliteit, zoals diefstal, gewelddadige familievetes, illegaal wapenbezit en inbraken. Patrouilles rondom het Meer van Galilea werden uitgevoerd om smokkel tegen te gaan. De noordelijk gelegen oliepijplijn van Kirkuk naar Haifa en spoorlijnen moesten ook bewaakt worden door de Notrim tegen sabotageacties. Op basis van het logboek van de politie van Tiberias in de jaren 1947-1948 was er tot het uitbreken van de Arabisch-Israëlische Oorlog nauwelijks sprake van sektarisch geweld. Wel hield de politie vrij gedetailleerd bij hoe de joodse ondergrondse organisaties met illegale pamfletten de publieke opinie probeerden te beïnvloeden. Onder de naam HaHoma (הַחוֹמָה) verspreidde de Haganah vanaf 1945 ’s nachts allerlei politiek boodschappen. Felle kritiek werd uitgeoefend op het Britse immigratiebeleid, zeker na de tragedie met het schip de Exodus 1947 waarbij duizenden overlevenden van de Holocaust terug naar Europa werden gestuurd en in kampen in Duitsland werden ondergebracht. Ook prees de Haganah openlijk de moed van de jonge joodse vrouw Bracha Fuld die in maart 1946 om het leven kwam toen de Britten een illegaal schip met joodse vluchtelingen overmeesterden. Terrorisme van de Irgun en Stern Gang werd eveneens openlijk bekritiseerd. De Haganah ontkende bijvoorbeeld betrokkenheid bij de aanslag op het King David Hotel in Jeruzalem en de Sergeants Affair (waarbij de Irgun twee Britse sergeanten ophing). Men zag deze terreur als een zorgelijke ontwikkeling die het streven naar een joodse staat serieus in gevaar kon brengen. De propaganda zal ongetwijfeld het anti-Britse sentiment hebben aangewakkerd in de stad, maar ook de rivaliteit tussen de zionistische organisaties zichtbaar hebben gemaakt.



In de nacht van 27-28 juni 1947 vond een gewelddadige overval plaats in het huis van de familie Mizrachi, een heftige gebeurtenis die in de collectieve herinnering van de familie is blijven hangen. Volgens het bewaard gebleven politierapport bonsden twee gewapende Arabische overvallers op de deur en zeiden dat zij van de politie waren. Eliahu deed de deur open en moest onmiddelijk de sleutel van de kast geven waar goud, juwelen en losgeld in werden bewaard, terwijl zijn 16-jarige zoon David werd vastgehouden door een van de overvallers. De overvallers maakten eigendommen ter waarde van £P 500,- buit en maakten duidelijk dat zij niemand direct mochten informeren over de overval. Het moet een zeer beangstigende gebeurtenis zijn geweest voor het gezin. Opvallend is dat Eliahu als handelaar vermeld staat in het politierapport, terwijl hij formeel – wellicht in deeltijd – nog in functie was als agent. Blijkbaar was hij een welvarend man en misschien daarom ook wel beroofd. De politie heeft de daders niet kunnen opsporen en sloot uiteindelijk de zaak.


De situatie in de stad zou na het verdelingsplan van de Verenigde Naties en de uitbraak van de onafhankelijkheidsoorlog spoedig verslechteren. Begin december werd bijvoorbeeld het graf van de vermoorde burgemeester Al-Khadif beschadigd en een bus met joodse kinderen vlakbij Lubya met stenen bekogeld. In de maanden daarna vonden steeds vaker serieuze geweldsincidenten tussen Joden en Arabieren plaats. Op 8 maart 1948 vond een massale schietpartij plaats op de straatmarkt waarbij tien Joden en twaalf Arabieren gewond raakten. Een staakt-het-vuren werd overeengekomen door lokale leiders, al was de Haganah daar allerminst blij mee. Het verdrag druisde volgens Abbasi in tegen het doel van Plan Dalet waarbij Galilea volledig onder joodse controle moest worden gebracht. Tiberias was volgens het verdelingsplan bovendien toegewezen aan de ‘toekomstige’ joodse staat. Sinds februari waren zo’n 800 strijders van Fawzi al Qawugji’s ‘Arab Liberation Army’ in de naburige dorpen Turan en Eilabun gevestigd, in afwachting van het bevel om Tiberias aan te vallen. De Haganah gaf in maart opdracht aan de joodse inwoners om de oude stad te verlaten, zodat zij bij een militaire operatie geen gevaar zouden lopen. In de nacht van 16-17 april 1948 begon de Slag om Tiberias met de militaire inval van de Palmach en Golani Brigade. De Britten stonden op het punt om de stad te verlaten en konden de veiligheid van de circa 5.000 Arabische inwoners niet langer garanderen. Een dag later begeleidden Britse soldaten en agenten de evacuatie vanuit de Arabische wijken. Tiberias kwam volledig in handen van de joodse strijdkrachten. Plunderingen van Arabische huizen braken uit en de Haganah moest een speciale politiemacht instellen om de orde en rust in de stad te herstellen. Een maand later riep David Ben-Gurion in Tel Aviv de joodse staat Israël uit, maar volgde een nieuwe oorlog tegen de Arabische buurlanden. Tiberias is tot op de dag van vandaag een joodse stad gebleven, maar kende dus voor lange tijd een gemengde bevolking en gedeelde geschiedenis.
Bronvermelding
Mustafa Abbasi, ‘The End of Arab Tiberias: The Arabs of Tiberias and the Battle for the City in 1948’, Journal of Palestine Studies 33:3 (2008) pg. 6-29. Online toegankelijk via: https://www.palestine-studies.org/en/node/42011 (24-8-2026).
Yoav Alon, ‘Bridging Imperial, National, and Local Historiographies. Britons, Arabs, and Jews in the Mandate Palestine Police’, Jerusalem Quarterly 75 (2018) pg. 62-77. Online toegankelijk via: https://www.palquest.org/sites/default/files/Bridging_Imperial_National_and_Local_Historiographies-Britons_Arabs_and_Jews_in_the_Mandate_Palestine_Police.pdf (24-8-2026).
British Palestine Police Association, Policing the Holy Land. The Palestine Police Force, 1920-1948 (2021): https://britainpalestineproject.org/wp-content/uploads/2021/07/BPPA-CENTENARY-BOOKLET_compressed.pdf (24-8-2026).
Richard Andrew Cahill, ‘”Going Beserk”: “Black and Tans” in Palestine’, Jerusalem Quarterly 38 (2009) pg. 59-68. Online toegankelijk via: https://www.palestine-studies.org/en/node/78290 (24-8-2026).
Shlomi Chetrit, ‘From the Tiberias Massacre to October 7: The Origins of Israel’s Civilian Defense Units’ (2026): From the Tiberias Massacre to October 7: The Origins of Israel’s Civilian Defense Units (24-8-2026).
Martin van Creveld, The Sword and the Olive. A Critical History of the Israel Defense Force (New York, 2002).
Sagie Green, ‘The Safecracker’, Yediot Achronot, 18 april 2006. Online toegankelijk via: https://historama.com/online-resources/articles/israel/moshe_tavor_mossad_safecracker.html (24-8-2026). Interview met Moshe Tavor die naar eigen zeggen deelnam aan represailles van zijn Special Night Squad in Lubya na het bloedbad in Tiberias.
Edward Horne, A Job Well Done. Being a History of the Palestine Police Force, 1920-1948 (Leigh-On-Sea, Essex, 1982).
Matthew Hughes, ‘A British ‘Foreign Legion’? The British Police in Mandate Palestine’, Middle Eastern Studies 49:5 (2013) pg. 696-711. Online toegankelijk via: https://bura.brunel.ac.uk/bitstream/2438/9798/2/Fulltext.pdf (24-8-2026).
Matthew Hughes, ‘Terror in Galilee: British-Jewish Collaboration and the Special Night Squads in Palestine during the Arab Revolt, 1938–39’, The Journal of Imperial and Commonwealth History 43:4 (2015) pg. 590-610. Online toegankelijk via: https://www.tandfonline.com/doi/full/10.1080/03086534.2015.1083220#d1e90 (24-8-2026).
Moshe Naor, ‘In the city of two springs: Perceptions of Mosul’s Jewish quarter among Zionist and Alliance Israélite Universelle emissaries’, Jewish Culture and History 23:4 (2022) pg. 329-349. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/88536872/In_the_City_of_Two_Springs_Perceptions_of_Mosul_s_Jewish_Quarter_among_Zionist_and_Alliance_Isra%C3%A9lite_Universelle_Emissaries (24-8-2026).
Eugene Rogan, ‘The Palestine Police Oral History Project: The Middle East Centre, St Antony’s College’, Bulletin for the Council for British Research in the Levant 2:1 (2007) pg. 35-40. Online toegankelijk via: https://scispace.com/pdf/the-palestine-police-oral-history-project-the-middle-east-4owoe56hdi.pdf (24-8-2026).
Christopher Sykes, Orde Wingate (Londen, 1959) pg. 178-181. Online toegankelijk via: https://archive.org/details/ordewingatebiogr0000syke/page/178/mode/2up (24-8-2026).
Yitzhak Tessler, ‘The rioters sat down to eat, and no one came to help’ (הפורעים ישבו לאכול, ואיש לא בא לסייע: היום השחור של טבריה), Ynet News, 4-5-2022: https://www.ynet.co.il/judaism/article/b1cfb6jic (24-8-2026).
Lior Yohanani, ‘Partners and Adversaries: Jewish and British Relations in the Palestine Police Force, 1936-1945’, Israelis 8 (2017) pg. 188-213. Online toegankelijk via: https://www.academia.edu/35127763/Partners_and_Adversaries_Jewish_and_British_Relations_in_Palestine_Police_Force_1936_1945 (24-8-2026).
Israel Film Archive, ‘Tiberias in the 1930s’: https://jfc.org.il/en/news_journal/65870-2/113999-2/ (24-8-2026).
Jewish Virtual Library, ‘The Forgotten Tiberias Pogrom of 1938’: https://jewishvirtuallibrary.org/the-forgotten-tiberias-pogrom-of-1938#_edn1 (24-8-2026).
‘Massacre in Tiberias Town’, The Palestine Post, 4 oktober 1938. Online toegankelijk via: https://www.nli.org.il/he/newspapers/pls/1938/10/04/01/?e=——-he-20–1–img-txIN%7CtxTI————–1 (24-8-2026).
‘Mayor shot in Tiberias Street’, The Palestine Post, 28 oktober 1938. Online toegankelijk via: https://www.nli.org.il/he/newspapers/pls/1938/10/28/01/article/1/?e=——-he-20–1–img-txIN%7CtxTI————–1 (24-8-2026).
‘”Home Front” Men with “Front-line” jobs. Palestine Police at Work’, The Palestine Post, 31 mei 1944. Online toegankelijk via: https://www.nli.org.il/he/newspapers/pls/1944/05/31/01/article/22/?e=——-he-20–1–img-txIN%7CtxTI————–2 (24-8-2026).
‘Tiberias 1938’: https://www.youtube.com/watch?v=CrkdvfjfK8c (24-8-2026). In deze video komen verschillende ooggetuigen van het bloedbad aan het woord.
Archiefmateriaal (Israel State Archives)
Armed robbery (27-28/6/1947), inv.nr. מ-4214/78
Tiberias Police – Payroll Sheets (6/1942 – 6/1943), inv.nr. 5010/7-מ
Tiberias Police – Daily Reports on the Situation (4/1947 – 19/4/1948), inv.nr. 4212/32-מ
Tiberias Police – Diary (8/2/1947 – 27/4/1948), inv.nr. 4212/33-מ
Jewish Police Certificates, Tiberias (1944-1948), inv.nr. מ-1334/10
Nominal Roll – Special Constables (zie pg. 11: 24656), inv.nr. מ-1335/14
Tiberias Police – Resume of Crime (31/3/1947 – 31/3/1948), inv.nr. 4212/25-מ
